日蘭辭典+

53 resultaten voor ‘leider’
日蘭辭典 (trefwoord)
atamakabu頭株
zn. leider m.; hef m.; hoofd o.
zagashira座頭
zn. leidend figuur. ※ NB vgl. zatō.
kanri管理
zn. beheer o. ¶ 管理する beheeren; controleeren. ¶ 管理部 directie; bestuur. ¶ 管理者 beheerder; administrateur; leider; directeur.
taishō大將
(大将) zn. generaal m.; admiraal (海軍) m; (首領) hoofd o.; aanvoerder m.; leider m.; baas m.; (俗) ouwe m.
chō
zn. (1) [首領] hoofd o.; chef m.; voornaamste m.; leider m. (2) [長所] verdienste v.; voortreffelijkheid v.
shushō主將
(主将) zn. bevelhebber m.; leider m.; aanvoerder m.
shuchō首長
zn. hoofd o.; chef m.; leider m.; aanvoerder m.
SUPPLEMENT (trefwoord)
shidōsha指導者
zn. (een, de) leider; (een, de) aanvoerder; (een, de) gids; (een, de) mentor; (een, de) coach; ¶ 彼女よりも優れた指導者だ。 Kanojo wa kare yori mo sugureta shidōsha da. Zij is een betere leider dan hij is. (TTC) ¶ 彼らは盲目的に指導者に従った。Karera wa mōmokuteki ni shidōsha ni shitagatta. Ze volgden blindelings hun leider. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <leider>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ガイドgaido (1) gids; cicerone; leidsman; leider; geleider; wegwijzer; [i.h.b.] berggids; (2) het gidsen; het leiden; het geleiden; (3) gids; leidraad; wegwijzer; handleiding; [i.h.b.] reisgids; (4) [hengelsport] oog
キャップkyappu (1) pet; muts; [Belg.N.; spreekt.] klak; (2) dop; beschermkapje; sluiting; (3) baas; meerdere; chef; hoofd; leider; [チームの] aanvoerder; captain; [Belg.N.] kapitein
ヘッドheddo (1) hoofd; (2) verstand; (3) kop; bovenste gedeelte; (4) hoofd; baas; meerdere; chef; leider; (5) [テープ・レコーダー; ビデオ・レコーダーの] kop; opnamekop; wiskop; (6) [バットの] uiteinde; [ゴルフ・クラブの] blad; clubhoofd; clubhead
ボスbosu (1) kopstuk; leider; voorman; leidende figuur; [ギャングの] bendeleider; bendehoofd; (2) baas; chef; (3) [techn.] naaf; (4) Voss [= Noorse gemeente]
マネージャーmaneejaa (1) manager; bestuurder; beheerder; gerant; bewindvoerder; leider; patron; chef; directeur; administrateur; [Belg.N.] uitbater; (2) impresario
リーダーriidaa (1) leider; leidsman; aanvoerder; voorman; (2) [drukk.] blokpunten; (3) leesboek; handboek; pedagogische bloemlezing; reader; (4) lezer; [verzameln.] lezerspubliek; [verzameln.] lezerskring
主宰shyusai (1) voorzitterschap; leiderschap; (2) voorzitter; leider
主席shyuseki (1) toppositie; top; (2) hoofd; leider; deken; [onderw.] primus; (3) [Chin.pol.] voorzitter; (4) hoofd-; eerstaanwezend …; [muz.] eerste …
主管shyukan (1) beheer; management; leiding; bestuur; supervisie; opzicht; toezicht; oppertoezicht; superintendentie; (2) beheerder; manager; leider; bestuurder; chef; supervisor; hoofdopzichter; opzichter; opziener; oppertoezichthouder; toezichthouder; superintendent; [Belg.N.; niet alg.] toezichter
konokami (1) oudste zoon; eerstgeboren zoon; (2) oudere broer; zus; (3) oudere; ouder iemand; (4) clanhoofd; (5) hoofd; aanvoerder; leider
司令shirei (1) [mil.] bevel; commando; leiding; aanvoering; (2) [mil.] commandant; bevelvoerder; bevelhebber; leider; aanvoerder
司令官shireikan [mil.] bevelvoerende officier; bevelvoerder; bevelhebber; commandant; leider; aanvoerder
司会者shikaishya (1) ceremoniemeester; programmaleider; spelleider; leider; presentator; [i.h.b.] tafelpreses; (2) voorzitter
団長danchou groepsleider; leider; hoofd van een groep; [sportt.] captain; aanvoerder
shyou (1) legeraanvoerder; aanvoerder; commandant; leider; (2) [mil.] opperofficier; (3) generaal; veldheer; (a) aanvoeren; het commando voeren; legeraanvoerder; (b) brengen; (c) staan te gebeuren; (d) [mil.] generaal
引率者insotsushya leider; aanvoerder; gids; leidsman; commandant
所長shyochou chef; manager; leider; directeur
指導者shidoushya leider; aanvoerder; gids; leidsman; [sportt.] coach; [onderw.] studieleider; tutor; mentor; [Belg.N.] monitor
指揮官shikikan [mil.] bevelvoerende officier; bevelvoerder; bevelhebber; commandant; leider; aanvoerder
指揮者shikishya (1) leider; (2) [muz.] dirigent; leider van de muzikanten; [afk.] dir.
案内人annainin (1) gids; cicerone; leider; leidster; geleider; geleidster; wegwijzer; wegwijsster; [veroud.] leidsman; (2) plaatsaanwijzer; plaatsaanwijsster
棟梁touryou (1) vorst en balken [hoofddelen van een dakconstructie]; (2) [Jap.gesch.] gouverneur; (3) hoofd; leider; aanvoerder; chef; baas; voorman; (4) ploegbaas; [i.h.b.] meester-timmerman
為政者iseishya bestuurder; leider; regeerder; beleidsman; bewindhebber; bewindsman; politicus; staatsman
盟主meishyu leider; aanvoerder
筆頭hittou (1) eerste op een lijst; naam bovenaan op een lijst; (2) punt van een pen; (3) hoofd; leider
経営者keieishya beheerder; bestuurder; manager; uitbater; leider; administrateur; chef; [i.h.b.] eigenaar; [verzameln.] management; leiding; bestuur
総統soutou (1) leider; generalissimo; (2) [中華民国の] president; zǒngtǒng; (3) [ナチス・ドイツの] Führer; (4) [スペインの] caudillo
親分oyabun baas; chef; leider; aanvoerder; leidende figuur; patroon
親方oyakata (1) meester; patroon; baas; coach; (2) [aanspreekvorm] chef; (3) [sumō-jargon] senior; (4) leider; voorman; (5) pleegouder; voogd; (6) oudere broer; [i.h.a.] senior
酋長shyuuchou (1) opperhoofd; stamhoofd; hoofd; (2) chef; leider; baas; voorman
重役juuyaku (1) (hoofd)bestuur; (hoofd)leiding; (hoofd)directie; (hoofd)kader; (2) bestuurder; bestuurslid; leider; directeur; directielid; kaderlid; leidinggevende functionaris; (3) [w.g.] belangrijke functie
重鎮juuchin zwaargewicht; invloedrijk persoon; belangrijk iemand; prominent; vooraanstaand figuur; topfiguur; topper; hoge ome; bonze; kopstuk; leider; hoofdrolspeler; steunpilaar; autoriteit; sommiteit
osa hoofd; chef; leider; aanvoerder
chou (1) hoofd; chef; baas; leider; oudste; aanvoerder; meerdere; meester; directeur; voorzitter; patroon; president; principaal; (2) meerdere in jaren; (3) het beste (onder ~); sterk punt; gunstig element; goede eigenschap; fort; kwaliteit; voordeel; merites; (4) [muz.] majeur; dur
隊長taichou (1) [mil.] commandant; bevelhebber; (2) leider; hoofd; chef; aanvoerder; kapitein
音頭ondo (1) degene die voorgaat in het uitbrengen van een toost; het roepen van hoera enz.; toostmeester; [fig.] aanvoerder; leider; initiatiefnemer; (2) [muz.] voorzanger; (3) [muz.] ondo-lied [= traditionele beurtzang waarbij solist en koor elkaar afwisselen]; (4) [muz.] leider van de blazerspartij in een gagaku-ensemble
頭株atamakabu leider; leidsman; leidende figuur; leidinggevend persoon; [政党の] partijleider; [会社の] hoofd; directeur
kashira (1) hoofd; kop; (2) hoofdhaar; (3) begin; kop; (4) chef; baas; leider; boss; hoofd; aanvoerder; voorman; ploegbaas; (5) hoofd; kop van een pop; poppenkop; (6) [nō-jargon] langharige pruik; (7) [nō-jargon] aanhef van een stuk; (8) degenknop; knop aan zwaardgevest; (9) radicaal in het topdeel van een kanji; (10) [maatwoord voor mensen; dieren]; (11) [maatwoord voor boeddhistische beelden]; (12) [maatwoord voor leiders (i.h.b. generaals; daimyō)]; (13) [maatwoord voor eboshi-hoofddeksels]
首班shyuhan hoofd; chef; leider; [内閣の] premier; minister-president; eerste minister
首脳shyunou kopstuk; leider; [verzameln.] top
首謀shyubou leider; brein
首謀者 ; 主謀者shyuboushya leider; aanvoerder; brein; drijvende kracht
首長shyuchou (1) hoofd; leider; hoofdman; (2) bestuurder; bewindsman; (3) emir; sjeik; vorst
首領shyuryou bendeleider; bendehoofd; leider; hoofd; chef; aanvoerder
shyu (1) hoofd; kop; (2) hoofd; leider; aanvoerder; (3) kopstuk; aanstoker; bendeleider; (4) begin; oorsprong; (5) [maatwoord voor tanka en Chinese gedichten (Kanshi 漢詩)]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.49 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 45 treffers (zoekopdracht: 'leider', strategie: exact). 
2005-2022