日蘭辭典+

25 resultaten voor ‘ophalen’
日蘭辭典 (trefwoord)
ago
zn. kin v.; kaak v. ¶ 二重顎 dubbele kin; onderkin. ¶ 顎で扱ふ met den nek aanzien; den neus ophalen voor.
hana
zn. neus m.; slurf (象の) v.; snuit (豚などの) m.; snot (洟) o. ¶ 洟を垂らす een loopende neus hebben; een snotneus hebben. ¶ 鼻をかむ den neus snuiten. ¶ 鼻を鳴らす snuiven; snotteren. ¶ とんがり鼻 spitse neus; puntneus. ¶ 獅子鼻 stompe neus; platte neus; mopsneus. ¶ 鼻先で vlak voor zijn neus. ¶ 鼻元思案 niet verder zien, dan zijn neus lang is. ¶ 鼻をつんとする den neus ophalen voor. ¶ 鼻が利く een goeden neushebben. ¶ 話が鼻にかゝる hij spreekt door den neus. ¶ 鼻に掛ける trotsch zijn op, zich beroemen op. ¶ 鼻で笑ふ ironisch lachen; sarcastisch lachen. ¶ 鼻をあかす iemand beschaamd maken. ¶ 鼻につく zich ergeren aan.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <ophalen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
啜る susuru (1) slobberen; slurpen; slorpen; opslurpen; nippen; (2) [鼻を] ophalen; optrekken; sniffen; snuffen; snuiven; snotteren
迎えに来る mukaenikuru (1) [人を] tegemoet komen; [lit.t.] tegenkomen; [veroud., lit.t.] te moet komen; (2) [人を] komen om; komen halen; afhalen; ophalen; oppikken
迎えに行く mukaeniiku (1) [人を] tegemoet gaan; tegengaan; [veroud., lit.t.] gemoeten; [veroud., lit.t.] te moet gaan; (2) [人を] ophalen; oppikken; komen halen; afhalen
汲む kumu (1) (water uit een put; een bron) putten; (water uit een put; een bron) scheppen; opscheppen; ophalen; (met een lepel; een spaan; etc.) uitlepelen; lepelen; oppompen; pompen; leegpompen; [酒; 茶を] schenken; (2) (iemands gevoelens; denkwijze; redenering; etc.) begrijpen; snappen; meevoelen; sympathie hebben voor; zich in de gevoelens van een ander inleven; (iemand) volgen; iets in aanmerking nemen
治る naoru herstellen [van een ziekte e.d.]; beteren; opknappen; genezen; weer beter worden; er weer bovenop komen; [m.b.t. zieke] vooruitgaan; [m.b.t. zieke] ophalen; zich hernemen; aan de beterhand zijn; helen; recupereren; [w.g.] convalesceren
直る naoru (1) in orde komen; goed komen; zich herstellen; beteren; verbeteren; bijkomen; [m.b.t. sombere lucht e.d.] ophalen; [i.h.b. beurst.] aantrekken; weer in goede staat raken; gecorrigeerd raken; rechtgezet raken; gerectificeerd raken; verholpen raken; afgeleerd raken; (2) hersteld raken; gerepareerd raken; gemaakt raken; opgeknapt raken; geheeld raken; gekalfaat raken; gekalfaterd raken; [van een hebbelijkheid] afraken; (3) promoveren [i.h.b. tot hoofdvrouw]; opklimmen (tot); [tot een hogere staat] overgaan
直す naosu (1) [m.b.t. fout] goedmaken; herstellen; [pregn.] maken; redresseren; corrigeren; verbeteren; ophalen; rechtzetten; rechttrekken; rechtbreien; rectificeren; in de juiste stand zetten; in orde brengen; opknappen; bijwerken; [een euvel, gebrek e.d.] verhelpen; [zich; iem. een gewoonte enz.] afleren; afhelpen (van); (2) herstellen; repareren; maken; opknappen; helen; kalfaten; kalfateren; (3) wijzigen; veranderen; herzien; hervormen; omzetten; transponeren; ombuigen; omschakelen; converteren; omwisselen; (4) vertalen; overbrengen; overzetten; (5) verheffen tot; transcenderen; doen rijzen tot; promoveren tot; (6) opnieuw ~; nog eens ~; van voren af aan ~; over-; her-; re-; om- [aangesloten op de ren'yōkei van dōshi]
決る shakuru (1) uitscheppen; [スプーンで] uitlepelen; (2) opscheppen; oplepelen; (3) [鞭を] slaan; (4) [あごを] de kin vooruitsteken; (5) [戸を] ophalen; (6) aansporen; aanmoedigen; ophitsen
述懐する jukkaisuru ontboezemen; uit het gemoed loslaten; ophalen; memoreren
収集する shuushuusuru (1) verzamelen; bijeenbrengen; samenbrengen; vergaren; [veroud.] vergaderen; inzamelen; [ごみを] ophalen; schooien; (2) collectioneren; verzamelen; sparen
磨く migaku (1) oppoetsen; polijsten; bijschaven; beschaven; opwrijven; gladden; gladmaken; schrobben; [銀器を] opglanzen; [レンズを] slijpen; wetten; afslijpen; [研磨輪で] leppen; lappen; [石を] behakken; [歯を] poetsen; glanzen; doen glimmen; [ダイヤモンドを] afzoeten; schoonschuren; [皮革を] slichten; (2) [fig.] bijvijlen; vijlen aan; verfijnen; verbeteren; vervolmaken; bijschaven; [ラテン語を] ophalen; opfrissen; opvijzelen; opkrikken; bijspijkeren; oefenen; vormen; ontwikkelen; trainen; (3) [心を] met zichzelf in het reine komen; aan zichzelf schaven; ondeugd uit z'n hart bannen; aan zichzelf werken; zich beteren; verbeteren
拵える koshiraeru (1) maken; in elkaar steken; fabriceren; knutselend maken; vervaardigen; bereiden; in elkaar flansen; (2) bouwen; construeren; opbouwen; optrekken; (3) voorbereiden; prepareren; arrangeren; toebereiden; toebereidselen treffen; zich klaarmaken voor; zich gereedmaken voor; (4) inzamelen; ophalen; vergaren; verschaffen; voorzien; leveren [Het lijdend voorwerp van dit werkwoord is meestal een woord dat naar geld, financiële middelen, fondsen, etc. verwijst.]; (5) verzinnen; uitvinden; verdichten; fingeren; bedenken; uitdenken; fantaseren; uit zijn duim zuigen; (6) zich opkleden; zich mooi aankleden; zijn beste kleren aantrekken; zijn beste pak aantrekken; (7) zijn toilet maken; zich opknappen; zich mooi maken; make-up aanbrengen; het uiterlijk verzorgen
出す dasu (1) te voorschijn halen; uithalen; eruit halen; [gew., お酒を] ophalen; naar buiten brengen; uitnemen; [トランプの札を] uitspelen; opspelen; zetten; [外に] uitlaten; buitenlaten; [水を] openzetten; laten lopen; lozen; (2) uitsteken; [旗を] uithangen; (3) uiten; slaken; [音; サインを] geven; maken; produceren; (4) publiceren; uitgeven; uitbrengen; op de markt brengen; uitvaardigen; openbaren; tonen; [i.h.b.] onthullen; ontbloten; laten blijken; aan de dag leggen; tentoonspreiden; uitstallen; etaleren; (5) serveren; opdienen; voorschotelen; te berde brengen; aankomen met; komen aanzetten met; leveren; afleveren; verschaffen; opgeven; verstrekken; aanbieden; presenteren; uitreiken; [証を] aanvoeren; (6) insturen; inzenden; inleveren; indienen; [新人選手を] inzetten; (7) sturen; zenden; afvaardigen; verzenden; opsturen; versturen; (8) uitsturen; uitzenden; [ガスを] uitstoten; emitteren; [熱を] ontwikkelen; (9) doen vertrekken; [船を] uitzetten; [列車を] inleggen; (10) 10. betalen; opbrengen; (11) 11. veroorzaken; opleveren; voortbrengen; geven; [スピードを] halen; opdrijven; (12) 12. [店; 支店を] openen; beginnen; ; (1) 13. […~] naar buiten …; uit-; (2) 14. […~] beginnen te …; het op een … zetten
建て直す tatenaosu (1) herbouwen; heropbouwen; wederopbouwen; opnieuw bouwen; opnieuw opbouwen; reconstrueren; (2) [会社を] weer overeind helpen; [i.h.b.] weer rendabel proberen te maken; ophalen
徴収する choushuusuru innen; incasseren; invorderen; [税を] heffen; ophalen
誘う sasou (1) uitnodigen; inviteren; op bezoek vragen; te eten vragen; [pregn.] vragen; nodigen; noden; (2) ophalen; meenemen; oppikken; (3) uitlokken; teweegbrengen; veroorzaken; oproepen; (op)wekken; (4) (aan)lokken; verlokken (tot); in verleiding brengen om; verleiden (tot); tronen (tot)
晴れる hareru (1) opklaren; ophelderen; ophalen; [van mist] optrekken; wegtrekken; ophouden [met regenen enz.]; [gew., m.b.t. weer] opschonen; verdwijnen; [van gevoelens e.d.] wijken; oplossen; ophouden; (2) opgeruimder worden; bijtrekken; opmonteren; opkikkeren; beter gehumeurd worden; (3) [verdenking, zonden e.d.] kwijtraken; gezuiverd worden van; vrijgepleit worden
撥ねる haneru (1) omverrijden; aanrijden; overrijden; (2) [een percentage] inhouden; afnemen; afpakken; (3) verwerpen; afwijzen [ook van examinandus]; van de hand wijzen; weigeren; afkeuren; (4) [fonet.] [n; m enz.] als een syllabische nasaal uitspreken; (5) [het penseel] ophalen; opwaarts strijken; opstrijken; ; [van haar enz.] krullen; opkrullen; omkrullen
書き起こす kakiokosu (1) beginnen te schrijven; aan het schrijven gaan; de pen opnemen; (2) na het inkleuren de lijnen aanzetten; accentueren; ophalen
回顧する kaikosuru terugblikken; terugkijken; terugzien; een terugblik werpen op; heroverwegen; ophalen; terugdenken; opnieuw bekijken; achteraf bekijken; beschouwen
回収する kaishuusuru (1) ophalen; inzamelen; terugwinnen; recupereren; herwinnen; bergen; (2) terugroepen; terugnemen; intrekken; uit de circulatie nemen; terughalen; terugtrekken
引く hiku (1) 16. achteruitgaan; teruggaan; terugtrekken; afgaan (van); terugwijken; (2) 17. zich retireren; zich terugtrekken; verlaten; [veroud.] resigneren; (3) 18. afnemen; zakken; dalen; wijken; wegtrekken; teruglopen; ; (1) trekken (aan); halen; [een hendel, de trekker enz.] overhalen; [naar zich] toetrekken; aanhalen; [een boog] spannen; opspannen; (2) [de aandacht] trekken; [klanten] aantrekken; [sympathie] winnen; [belangstelling] wekken; (3) [een vaartuig] jagen; slepen; [een schip] treilen; [een trekdier] geleiden; leiden; (4) citeren; aanhalen; (5) stammen uit; afstammen van; [系統を] afkomen van; spruiten uit; [i.h.b.] aarden naar; (6) [hout] zagen; [op een pottenbakkersschijf] draaien; (7) malen; vermalen; fijnmalen; (8) [een lijn, een draad] trekken; lijnen; spinnen; [een rechte] beschrijven; (9) aanhouden; rekken; (10) 10. [gordijnen] dichttrekken; dichtdoen; (11) 11. aanbrengen; besmeren; bedekken; bestrijken; (12) 12. [elektriciteit] aanleggen; installeren; aansluiten; [water (door buizen enz.)] aanvoeren; [veroud.] aanleiden; (13) 13. [een getal] aftrekken; [een bedrag] afhouden; in mindering brengen; afnemen; [iets in prijs] verlagen; afdoen; verminderen; reduceren; terugbrengen; [i.h.b.] korting geven; (14) 14. [de troepen] terugtrekken; intrekken; [visnetten] ophalen; [de handen (van iets)] aftrekken; (15) 15. overrijden; omrijden; omverrijden; aanrijden
集める atsumeru samenbrengen; vergaren; inzamelen; [ごみを] ophalen; [兵を] op de been brengen; bijeenroepen; oproepen; rekruteren; werven; concentreren
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.42 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 23 treffers (zoekopdracht: 'ophalen', strategie: exact). 
2005-2020