日蘭辭典+

26 resultaten voor ‘verliezen’
日蘭辭典 (trefwoord)
ushinau失ふ
t.w. verliezen; i.w. kwijtraken; beroofd worden van. ¶ 子を失ふ een kind verliezen. ¶ 職を失ふ buiten betrekking geraken; baantje verliezen. ¶ 明を失ふ blind worden. ¶ 面目を失ふ beschaamd staan.
makeru負ける
i.w. (1) [敗北する] verslagen zijn; nederlaag lijden; overwonnen worden; t.w. het verliezen. i.w. (2) [屈服する] zich gewonnen geven; toegeven. t.w. (3) [價を] laten afdingen; verlagen; reduceeren; verminderen. ¶ 十錢負ける tien cent laten afdingen; het een dubbeltje goedkooper geven. ¶ 五圓に負ける vijf yen laten.
abumi
zn. stijgbeugel. ¶ 鐙を踏み外す de stijgbeugel verliezen. ¶ 鐙革 beugelriem. ¶ 足踏板 loopplank.
ki
(気) zn. (1) [氣力] geest m.; hart o.; ziel v. (2) [氣質] karakter o. (3) [氣分] humeur o.; stemming v. (4) [傾向] neiging v.; geneigdheid v. (5) [注意] zorg v.; aandacht v. (6) [呼吸] adem m. (7) [空氣] lucht v.; atmosfeer v. (8) [蒸氣] damp m.; uitwaseming v.(9) [香氣] smaak m.; geur m. (10) [精氣] ether m. ¶ 氣がある lust hebben; geneigd zijn. ¶ 氣がさす ongerust zijn. ¶ 氣が狂ふ gek worden. ¶ 氣が違って居る niet goedwijs zijn. ¶ 氣がふれる buiten zich zelven zijn; niet wel bij het hoofd zijn. ¶ 氣が長い geduldig. ¶ 氣が拔けた afgetrokken; verstrooid. ¶ 氣が塞ぐ somber gestemd zijn; tobben; (俗) in de put zitten. ¶ 氣が詰まる benauwd zijn. 氣が進む volgaarne; van ganschen harte. ¶ 氣が進まぬ geen zin hebben. ¶ 氣が立って居る opgewonden zijn.¶ 氣が向く geneigd zijn; lust hebben. ¶ 氣が濟まぬ niet op zijn gemak zijn. ¶ 氣が重くなる gedrukt zijn; somber zijn. ¶ 氣が遠くなる bewusteloos worden; bezwijmen; flauw vallen. ¶ 氣が咎める niet op zijn gemak zijn; zelfverwijt gevoelen. ¶ 氣に病む ongerust zijn. ¶ ....... する氣になる er toe komen om; lust krijgen om. ¶ 氣に障る hinderen; ergeren. ¶ 氣の強い stoutmoedig; dapper. ¶ 氣の弱い slap. ¶ 氣の合った gelijkgezind; sympathiek. ¶ 氣のない zouteloos; laf. ¶ 氣の小さい kleinmoedig.¶ 氣の狹い bekrompen; kleinzielig. ¶ 樹の大きい grootmoedig; edelmoedig (寬大); moedig. ¶ 氣の早い driftig; opvliegend. ¶ 氣の好い goedhartig. ¶ 氣の利いた behendig; knap. ¶ 氣の變り易い wispelturig. ¶ 氣を揉む tobben; zich bezorgd maken.¶ 氣をゆるす aandacht laten verslappen; niet goed opletten. ¶ 氣を勵ます moedvatten. ¶ 氣を晴らす zich ontspannen. ¶ 氣を養ふ geest voeden ¶ 氣を失ふ flauw vallen; bewusteloos worden; bezwijmen; bewustzijn verliezen. ¶ 氣を探る polsen. ¶ 氣を變へる van opinie veranderen. ¶ 氣を配る zijn aandacht gevestigd houden op; (俗) in de gaten houden. ¶ 氣を持つ (心をかける) zich wijden aan.¶ 氣を長くする geduld oefenen. ¶ 氣を拔く verslappen. ¶ 氣を落ちつける zijn gedachten verzamelen; tot zich zelven komen. ¶ 氣を落す den moed verliezen; den moed laten zinken. ¶ 氣を負ふ zich laten voorstaan op; prat gaan op. ¶ 氣を惡くする kwalijk nemen. ¶ 人の氣を惡くする iemand’s gevoelens kwetsen. ¶ 氣を利かせる een wenk begrijpen. ¶ 氣を廻す achterdocht koesteren. ¶ 氣を附ける goed opletten; oppassen. ¶ 氣を附け pas op !; geef acht ! (號令). ¶ 氣は心 neem den wil voor de daad; waardeer de goede bedoeling. ¶ 何の氣もなしに zonder eenige (kwade) bedoeling. ¶ 氣に懸けるな trek je er niets van aan ! ¶ あとで氣がついた later viel mij in ....... . ¶ 氣が濟んだ het is mij een pak van het hart.
chikara
zn. (1) [力] kracht v. (2) [權力] macht v.; invloed m. (3) [能力] bekwaamheid v.; vermogen o. (4) [效果] doeltreffendheid v.; doelmatigheid v. (5) [助力] steun m. (6) [氣力] energie v.; geestkracht v. (7) [語勢] nadruk m.; klem v. ¶ 力の及ぶ限り naar zijn beste vermogen. ¶ 力に任せて uit alle macht. ¶ 人の力になる iemand tot steun zijn. ¶ 力を籠めて言ふ met nadruk zeggen. ¶ 力を落す den moed verliezen. ¶ 之に力を得て hierdoor aangemoedigd. ¶ 力の不滅 behoud van arbeidsvermogen. ¶ 熱の力 calorische energie.
kayou通ふ
i.w. heen en weer gaan; verbinding onderhouden; t.w. geregeld bezoeken.¶ 學校に通ふ school bezoeken. ¶ 此針金は電氣が通って居る deze draad is geladen met een electrische stroom. ¶ 斯船は上海長崎間を通ふ dit schip onderhoudt den dienst tusschen Shanghai en Nagasaki. ¶ 血も息も通って居るが正氣を失って居る hij ademt nog wel en zijn hart klopt nog wel maar hij is buiten bewustzijn.
jiyū自由
zn. vrijheid v. ¶ 自由競爭 vrije concurrentie. ¶ 自由國 vrij land. ¶ 自由行動を許す de vrije hand geven. ¶ 自由思想 vrije gedachte. ¶ 自由思想家 vrijdenker. ¶ 自由の身である eigen baas zijn. ¶ 自由を失ふ vrijheid van beweging verliezen. ¶ 自由なる vrij; ongehinderd; onbelemmerd. ¶ 自由にする zijn eigen zin volgen. ¶ 人を自由にする iemand naar zijn hand zetten; iemand laten doen wat men wil; iemand om den vinger winden. ¶ 自由貿易 vrij handel; vrijhandel. ¶ 自由廢業 bevrijding uit blanke slavernij. ¶ 自由放任 laissez-faire (佛語); non-interventie. ¶ 自由意志 vrije wil. ¶ 自由權 recht der vrijheid. ¶ 自由戀愛 vrije liefde. ¶ 自由選擇 vrije keuze. ¶ 自由主義 liberalisme; vrijzinnigheid. ¶ どうぞ御自由になさい doe alsof je thuis was. ¶ 妻君の自由になって居る onder de pantoffel zitten. ¶ 蘭語を自由に操る de Hollandsche taal beheerschen; het Hollandsch meester zijn; goed Hollandsch spreken.
me
(眼) zn. (1) [眼] oog o. (2) [視力] gezicht o. (3) [注目] aandacht v. (4) [見界] gezichtspunt o.; oogpunt o. (5) [鑑識] oordeel o.; verstand o. (6) [織目] structuur v. (7) [網目] mazen v.mv. (8) [鋸齒] tand m. (9) [木理] draad m.; grein o. (10) [遭遇] behandeling v.; bejegening v.; ervaring v. [同情] sympathie v.; welwillendheid v. (12) [刻目] inkeping. ¶ 愛くるしい眼 mooie oogen. ¶ 血走った目 met bloed beloopen oogen. ¶ 眼を向ける het oog richten op; den blik slaan op. ¶ 眼を覺ます de oogen openen; wakker worden. ¶ 眼を晦ます zand in de oogen strooien. ¶ 目に入る in het gezicht komen. ¶ 目に附く de aandacht trekken. ¶ 目の前で voor oogen; in tegenwoordigheid. ¶ 目が善い goede oogen hebben; goed kunnen zien; goed van gezicht zijn. ¶ 眼が見えなくなる het gezicht verliezen. ¶ 眼を留める de aandacht vestigen op. ¶ 彼の目から見ると in zijn oogen; van zijn standpunt gezien. ¶ 目が利く scherp zien; een goed oordeel hebben; goed kunnen beoordeelen. ¶ 目の細かな織物 fijn geweven goed. ¶ ひどいめに合ふ bittere ervaring hebben; slechte bejegening ondervinden. ¶ 目をかける vriendelijk behandelen. ¶ 目の上の瘤 een doorn in het oog; ergernis. ¶ 目に障る niet om aan te zien. ¶ 秤の目 inkepingen in den weegstok. ¶ 目が切れて居る niet het volle gewicht hebben; te licht zijn.
meiyo名譽
(名誉) zn. goede naam m.; eer v.; reputatie v. ¶ 名譽心 eerzucht. ¶ 名譽職 erebaantje. ¶ 名譽ある人 man van eer. ¶ 名譽に關する問題 zaak van eer. ¶ 名譽賞牌 eeremedaille. ¶ 名譽快復 eerherstel; rehabilitatie. ¶ 名譽にかけての誓 woord van eer. ¶ 名譽を失う zijn reputatie verliezen. ¶ 名譽學位 eeregraad. ¶ 名譽博士 doctor honoris causa; eere-doctor.
fuchi扶持
zn. bezoldiging (給金) v.; rantsoen (食料) o. ¶ 扶持にありつく een betrekking hebben; (俗) een baantje hebben. ¶ 扶持に離れる zijn betrekking verliezen. ¶ 扶持する in het onderhoud voorzien. ¶ 扶持金 ondersteuning; onderstand; maandgeld. ¶ 扶持米 rantsoen.
ishiki意識
zn. bewustzijn o. ¶ 意識を失ふ bewusteloos zijn; het bewustzijn verliezen; bezwijmen. ¶ 意識を囘復する tot bewustzijn terugkomen; uit bezwijming ontwaken. ¶ 意識ある bewust. ¶ 意識的に wel bewust; met voorbedacht. ¶ 意識する zich bewust zijn van.
bokkyaku沒却

zn. verwaarloozing v.; voorbijzien o.; vernieling v. ¶ 沒却する negeeren; vernielen; vernietigen. ¶ 自分の利益を沒却する zijn eigen belang ter zijde stellen. ¶ 當初の目的を沒却する oorspronkelijk doel uit het oog verliezen.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <verliezen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
損する sonsuru verliezen; verlies lijden; erbij inschieten; kwijtraken; eraan inboeten
損害 songai schade; beschadiging; [fig.] averij; verlies; [i.h.b.] verlies aan mensenlevens; [i.h.b.] verliezen; [i.h.b.] slachtoffers
喪失する soushitsusuru verliezen; kwijtraken; verspelen; verbeuren
潰す tsubusu (1) pletten; platdrukken; verpletteren; vermorzelen; te pletter drukken; in elkaar drukken; (fijn)stampen; fijnmaken; prakken; [m.b.t. puistje] uitknijpen; (2) verspillen; vergooien; verkwanselen; versjacheren; verkwisten; dissiperen; [i.h.b.] verbrassen; [i.h.b.] opsouperen; doorjagen; [inform.] doordraaien; (3) ruïneren; [inform.] reneweren; te gronde richten; [fig.] knakken; [inform.] opdoeken; [i.h.b.] failliet doen gaan; [fig.] de deuren sluiten; (4) [m.b.t. (vrije) tijd] doden; verdrijven; passeren; (nutteloos) besteden; verdoen; verbeuzelen; (5) [m.b.t. (pluim)vee] slachten; (6) [m.b.t. plannen] doen mislukken; verijdelen; afschieten; (7) [i.c.m. 声を, 喉を] hees doen worden; kapotmaken; verliezen; (8) omsmelten; weer tot grondstof maken; (9) in verlegenheid brengen; compromitteren; [i.c.m. 親を] gezichtsverlies doen lijden; met rode kaken doen staan; (10) 10. van streek brengen; (11) 11. [m.b.t. gaatjes] opvullen; vullen; dichten; dichtmaken; ; (1) 12. tot verslijtens toe ~; (2) 時間をつぶす tijd doden
失う ushinau (1) verliezen; kwijtraken; (2) [een kans] missen; (3) beroofd worden van; ontdaan worden van; ontzetten worden uit
無くす nakusu verliezen; kwijtraken; erbij inschieten; derven; zoekmaken; wegmaken; wegdoen; [i.h.b.] verspelen
亡くす nakusu (door de dood) verliezen
倒れる taoreru (1) vallen; omvallen; onderuitgaan; omgaan; omslaan; [後ろに] achteroverslaan; neervallen; [あおむけに] achterovervallen; neertuimelen; kiepen; neergaan; neerkomen; omvergaan; neerzijgen; omtuimelen; omvertuimelen; tuimelen; omkantelen; omverkantelen; kantelen; omwippen; omduikelen; duikelen; [inform.] omkiepen; omkieperen; [inform., scherts.] omkukelen; [建物が] omstorten; instorten; ineenstorten; tegen de vlakte gaan; [船が] kapseizen; kenteren; [稲が] gaan legeren; (2) erbij neervallen; instorten; inklappen; ineenzakken; inzakken; in elkaar zakken; in elkaar klappen; afknappen; het begeven; een instorting; inzinking krijgen; plat gaan; [病に] ziek worden; (3) bezwijken; vallen; omkomen; overlijden; sterven; doodvallen; eraan gaan; de dood vinden; aan zijn einde komen; om het leven komen; [form., w.g.] succumberen; [i.h.b.] sneuvelen; in het stof; zand bijten; (4) [fig.] vallen; ten val komen; te gronde gaan; ten onder gaan; tenietgaan; [sportt.] verliezen; het afleggen tegen; een nederlaag lijden; in het stof; zand bijten; (5) failliet gaan; failleren; bankroet gaan; buitelen; over de kop gaan; eronderdoor gaan; op de fles; flacon gaan; springen; een sprong door de ton doen; zich ruïneren; de boeken neerleggen; [veroud.] naar Vianen gaan
負ける makeru (1) afprijzen; de prijs verminderen; in prijs verlagen; korting geven; reductie geven; goedkoper geven; er wat afdoen; [x% van de prijs enz.] aftrekken; in mindering brengen; [i.h.b.] toegeven; extra geven; (2) door de vingers zien; oogluikend toelaten; over zijn kant laten gaan; ; (1) verliezen; [sportt.] onderuitgaan (tegen); het afleggen tegen; een nederlaag lijden; klop krijgen; [i.h.b.] succumberen; [Belg.N.] de duimen leggen; het onderspit delven; in het stof bijten; in het zand bijten; aan het kortste eind trekken; [uitdr.] voorgaats gaan; [uitdr., volkst.] de vellen krijgen; (2) zwichten; bezwijken voor; onderdoen voor; de mindere zijn van; achterstaan bij; toegeven aan; de wijste zijn; wijken voor; buigen; opzij gaan voor; zich onderwerpen; zich overgeven aan; zich neerleggen; (3) [vol uitslag enz.] komen te zitten; [uitslag e.d.] krijgen; reageren op; een fysieke reactie vertonen op
破れる; 敗れる yabureru (1) scheuren; openrijten; rijten; aan flarden gaan; rafelen; doorscheuren; (2) breken [bv. glas]; barsten; springen [bv. ballon]; verslijten [bv. schoenen]; slijten; begeven; ineenstorten [bv. land]; instorten; uiteenvallen; in elkaar storten; kapotgaan; stukgaan; collaberen; (3) [m.b.t. onderhandelingen] afspringen; afketsen; aan scherven liggen [bv. droom]; verstoord worden [bv. evenwicht]; teloorgaan; verloren gaan; (4) bedrogen uitkomen; mislukken [in de liefde]; teleurgesteld worden; [in zijn verwachtingen] beschaamd worden; gedwarsboomd worden; gefrustreerd worden; (5) [een wedstrijd] verliezen; het onderspit delven; bezwijken; (6) gewond zijn; verwond zijn; geblesseerd zijn; gekrenkt zijn; gekwetst zijn; gegriefd zijn; ontredderd zijn
連敗 renpai reeks nederlagen; verliezen; verliesreeks; opeenvolgende nederlagen; nederlagen op een rij
敗北する haibokusuru verslagen worden; verliezen; een nederlaag lijden; het afleggen tegen; echec lijden; aan het kortste eind trekken; het onderspit delven
落とす otosu (1) laten vallen; neergooien; naar beneden gooien; droppen; (2) verliezen; zonder dat men er zich van bewust is iets laten vallen; al gaande ongemerkt laten vallen; kwijtraken; (3) [een vlek] verwijderen; uitwassen; wegwassen; [een baard] afscheren; wegscheren; afschrapen; wegschrapen; (4) innemen; veroveren; doen vallen; bemachtigen; zich meester maken van; (5) weglaten; schrappen; ontdoen van; laten uitvallen; (6) zachter gaan praten; [zijn stem] verstillen; verzachten; [zijn blik] naar de beneden richten; [zijn blik] naar de grond richten; [zijn blik] neerslaan; (7) (zich) verlagen; zich vernederen; degraderen; ontaarden; in waarde verminderen; [het vertrouwen] verliezen; (8) verslechteren; slechter maken; (9) [een duivel, een kwade geest etc.] uitdrijven; [een ziekte, een kwaal etc.] verdrijven; genezen; (10) 10. afdingen; afbieden; pingelen; (11) 11. [een persoon] laten ontsnappen; laten ontkomen; laten vluchten; (12) 12. vangen; in de val laten lopen; te pakken krijgen; (13) 13. [een kandidaat] verwerpen; niet selecteren; niet slagen [voor een examen]; (14) 14. [m.b.t. rakugo 落語] [een verhaal] tot een komisch einde brengen; [een verhaal] eindigen met een rake opmerking; (15) 15. [een schaduw] werpen
引けを取る hikewotoru verslagen worden; overwonnen worden; het afleggen tegen; het onderspit delven; aan het kortste eind trekken; de nederlaag lijden; verliezen; onderdoen; de mindere zijn; achteropraken
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.39 sec. jiten.nl: 12 treffers, warandict: 14 treffers (zoekopdracht: 'verliezen', strategie: exact). 
2005-2019