(tussenwerpsel) (1) [reactie die instemming betuigt met een voorafgaande uiting die bevestigend is ofbevestiging impliceert] ja; jawel; jazeker; ik snap het; oké; akkoord. [reactie die instemming betuigt met een ontkennende vraag] nee; dat is [niet] zo; klopt. ¶ 「分かりますか」「はい、わかります」 ‘begrijp je het?’ ‘Ja, ik begrijp het’. ¶ 「分かりませんか」「はい、分かりません」 ‘begrijp je het niet?’ ‘nee, ik begrijp het niet’. ¶ 「入ってよろしいですか」「はい、どうぞ」 ‘mag ik binnenkomen?’ ‘ja, alsjeblieft’. ¶ 「あなた達は学生ですか」 「はい、そうです」 ‘zijn jullie studenten?’ ‘ja, dat klopt’. ¶ 「今日来ませんか」 「はい」 ‘komt hijvandaag niet?’ ‘nee’. ¶ 「明日も来てくれませんか」 「はい、伺います」 ‘[waarom] kom jemorgenook niet?’ ‘dat is goed, ikzal komen’. (2) [om aan tegevendatmen luistert] oh?; ah; oh ja? (3) [om aan tegevendatmen aanwezig is] hier ben ik! present! (4) [om de aandachttetrekkenwanneermeniets wil gevenofgaanzeggenof vragen] ¶ 「はい。こちらがレシートです」 ‘alstublieft, hier is uw bon’. ¶ 「はい、百円のおつりです」 ‘alstublieft, 100 Yen wisselgeld’. ¶ 「はい、あなたの鍵です」 ‘hier, je sleutels’. ¶ 「はい」「何ですか」 「ちょっと質問があるんですが」 ‘meneer?’ ‘wat is er?’ ‘ik wil ietsvragen ...’