日蘭辭典+

9 resultaten voor 「やる」
日蘭辭典 (titelwoord)
yaruやる
(遣る; やる) t.w. (1) [與へる] geven; schenken. (2) [爲す] doen; verrichten. (3) [送る] zenden. ¶ 旨く遣る goed doen; netjes doen. ¶ 手紙を遣る brief sturen. ¶ 祝儀を遣る fooi geven. ¶ 醫者をやる dokters praktijk uitoefenen. ¶ やつて見る probeeren. ¶ 日本語をやる Japansch studeeren. ¶ 酒をやる van drank houden; drinken.
日蘭辭典 (trefwoord)
ichiban一番
telw. eerst; bn. best; zn. spel (勝負) o.; bw. (一度試みに) om te probeeren; bij wijze van proef. ¶ 一番の de voorste. ¶ 一番の de achterste. ¶ 一番汽車 de eerste trein. ¶ 級中の一番 de eerste van de klasse. ¶ 一番弟子 de beste leerling; de primus; nummer een. ¶ 此れが一番好きだ dit bevalt mij het best. ¶ 一番良くて op zijn best; hoogstens. 一番やらうか zullen we een spelletje doen? ¶ 一番やって御覽 probeer het eens.
dake
(だけ) bw. (1) [ばかりのみ] alleen maar; slechts; niet meer dan. (2) [相當價値] ter waarde van; een hoeveelheid van; ten minste (少なくも). (3) [程度、範圍] zoo ver als......; hoe meer ...... hoe meer (……すれば其れ). ¶ のペンは是か zijn dit al de pennen uit de doos? ¶ 今度は勘辨してやる voor dezen keer zal ik het door de vingers zien. ¶ 三切手を三下さい geef mij voor drie yen postzegels van drie cent ¶ 彼は知らせねばならぬ hij althans dient te worden ingelicht. ¶ 自由愛する壓世を憎む hij haat verdrukking evenzeer als hij de vrijheid liefheeft. ¶ 高ければ高いよくなる hoe duurder het is hoe beter de kwaliteit. ¶ 軍人zooals een goed soldaat betaamt.
ichirokushōbu一六勝負
zn. kansspel o. ¶ 一六勝負やる alles op één kaart zetten.
ogoru奢る
(驕る、傲る) i.w. [贅澤] in weelde leven; veel geld verspillen; zich in weelde baden. (2) [驕慢] trots zijn. (3) [馳走する] tracteeren op; onthalen met. t.w. (4) [買ふ] koopen. ¶ 彼に一杯おごってやった ik tracteerde hem op een glas wijn.
ekken越權
(越権) zn. overschrijding van macht. ¶ 越權のやる buiten zijn bevoegdheid gaan; (俗) buiten zijn boekje gaan.
naka

zn. (1) [奧、底] binnenste o. ¶ に in binnenin. vz. (2) [] tusschen. (3) [多數の] onder; bw. te midden van. ¶ で in de straat; op straat. ¶ に in de doos. ¶ には蘭語やるものある er zijn onder hen ook, die Hollandsch leeren. ¶ 三つこれが一番上等だ dit is het beste van de drie.

SUPPLEMENT (trefwoord)
shikata ga nai仕方がない
(uitdr.) niet anders kunnen dan…; het is onvermijdelijk dat…; niet kunnen verdragen dat…; niets aan kunnen doen dat…. NB Na de attributieve vorm (連体形) van een werkwoord volgt steevast より yori. ¶ 仕方ないよ。 Shikata ga nai yo. We hebben geen keus.; Er valt niets aan te doen.; Niks aan te doen. (TTC) ¶ 今日は月曜日なのに、日曜日のような気がして仕方ないKyō wa getsuyōbi na no ni, nichiyōbi no you na ki ga shite shikata ga nai. Hoewel het maandag is kan ik het gevoel dat het zondag is maar niet kwijtraken. (TTC) ¶ 待つより仕方ないKare wo matsu yori shikata ga nai. We kunnen alleen maar op hem wachten. やめるほか仕方ないKare wa yameru hoka shikata ga nai. Hij had geen nadere keuze dan af te treden. (TTC) ¶ の計画に同意するよりほかに仕方ないKare no keikaku wo dōisuru yori haka ni shikata ga nai. We hebben geen andere keuze dan in te stemmen met zijn plan. (TTC) ¶ 私たちはこのままやっていくより仕方ないWatachitachi wa kono mama yatte iku yori shikata ga nai. We kunnen alleen maar (op gelijke wijze) doorgaan. (TTC) ¶ 行くより他に仕方ないIku yori hoka ni shikata ga nai. We hebben geen andere keus dan te gaan.; We moeten wel gaan. そんなに健康こと心配しても仕方ないSonna ni kenkō no koto wo shinpaishite mo shikata ga nai. Het heeft geen zin je zoveel zorgen te maken over je gezondheid. (TTC) ¶ 彼女はうれしくてうれしくて仕方ないKanojo wa ureshikute ureshikute shikata ga nai. Ze was dolblij. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <やる>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
遣る; 行る yaru 19. [een handeling doen, verrichten]; ; (1) sturen; laten gaan; doen [schoolgaan enz.]; (2) [m.b.t. een voertuig] voortbewegen; vooruit doen gaan; vooruit laten gaan; aan de gang brengen; rijden; (3) richten; [een fooi enz.] geven; [dieren] voeren; (4) ter arbitrage toevertrouwen; (5) [zijn ongenoegen, gemoed e.d.] luchten; [door drinken enz.] kwijtraken; (6) gieten; [water] geven; (7) laten ontsnappen; (8) bevorderen; vooruitbrengen; (9) [m.b.t. hand] uitsteken; uitstrekken; (10) 10. een tsukeku 付句 of yariku やり句 toevoegen [idioom uit de wereld van renga 連歌 en haikai 俳諧]; (11) 11. falen; verknoeien; om zeep helpen; (12) 12. bedriegen; (13) 13. kastijden; doodslaan; (14) 14. uithuwelijken; aan de man brengen; (15) 15. nuttigen; gebruiken; [er eentje] drinken; eten; roken; (16) 16. leven; een bestaan leiden; (17) 17. doen; verrichten; [huiswerk enz.] maken; [schaak enz.] spelen; [een cursus e.d.] volgen; [~ als hoofdvak] studeren; [een tentoonstelling enz.] houden; [een stuk enz.] opvoeren; [een film enz.] vertonen; [een winkel enz.] drijven; [een beroep enz.] uitoefenen; [een toespraak enz.] afsteken; (18) 18. het doen; gemeenschap hebben; vrijen; ; (1) 20. [geeft aan dat de handeling over een verre afstand geldt]; (2) 21. [drukt de beëindiging van een handeling uit; vaak vergezeld van een negatie]; (3) 22. [drukt uit dat de handeling voor anderen verricht wordt]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.25 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 1 treffer (zoekopdracht: 'やる', strategie: exact). 
2005-2019