日蘭辭典+

217 resultaten voor 「上」
日蘭辭典 (titelwoord)
ue
zn. (1) [頂] top m. (2) [] bovenste gedeelte v.; bovenkant m. ¶ このない喜び grootste vreugde. ¶ いやがにも tot overmaat. ¶ 下からまで van onder tot boven. ¶ の bovenst; hoogst. ¶ の文 bovenstaande zin. ¶ 五つからの子供 kinderen van vijf jaaren ouder. ¶ 丘の huis op den heuvel. ¶ 其の bovendien; daarenboven. ¶ naar boven. ¶ op; bovenop; na (後に). ¶ onder invloed van drank. ¶ 歸京の toen ik in Tokyo terug kwam. ¶ 再考ので bij nadere overweging. ¶ かくなるは nu het zoover gekomen is. ¶ ……のに出る overtreffen; meer zijn dan. ¶ 一番は八つです het oudste kind is acht. ¶ にはある niets is volmaakt; alles is voor verbetering vatbaar.
kami
zn. (1) [部] bovenste o.; top m.; hoofd o. (2) [流] bovenloop m. (3) [政府] de regeering v. (4) [長] meerdere m.mv. (5) [天子] keizer m. ¶ の御沙汰 hoog bevel.
日蘭辭典 (trefwoord)
me
(眼) zn. (1) [眼] oog o. (2) [視力] gezicht o. (3) [注] aandacht v. (4) [見界] gezichtspunt o.; oogpunt o. (5) [鑑識] oordeel o.; verstand o. (6) [織] structuur v. (7) [網目] mazen v.mv. (8) [鋸齒] tand m. (9) [木理] draad m.; grein o. (10) [遭遇] behandeling v.; bejegening v.; ervaring v. [同情] sympathie v.; welwillendheid v. (12) [刻] inkeping. ¶ 愛くるしい眼 mooie oogen. ¶ 血走った met bloed beloopen oogen. ¶ 眼を向ける het oog richten op; den blik slaan op. ¶ 眼を覺ます de oogen openen; wakker worden. ¶ 眼を晦ます zand in de oogen strooien. ¶ 入る in het gezicht komen. ¶ 附く de aandacht trekken. ¶ の前で voor oogen; in tegenwoordigheid. ¶ が善い goede oogen hebben; goed kunnen zien; goed van gezicht zijn. ¶ 眼が見えなくなる het gezicht verliezen. ¶ 眼を留める de aandacht vestigen op. ¶ から見ると in zijn oogen; van zijn standpunt gezien. ¶ 利く scherp zien; een goed oordeel hebben; goed kunnen beoordeelen. ¶ の細かな織物 fijn geweven goed. ¶ ひどいめに合ふ bittere ervaring hebben; slechte bejegening ondervinden. ¶ かける vriendelijk behandelen. ¶ の瘤 een doorn in het oog; ergernis. ¶ に障る niet om aan te zien. ¶ inkepingen in den weegstok. ¶ が切れて居る niet het volle gewicht hebben; te licht zijn.
WACHTKAMER (deze lemma’s zijn nieuw of bevatten wijzigingen)
shinogu凌ぐ

t.w. (1) [耐へる] dulden; doorstaan; uithouden; verduren. i.w. (2) [防ぐ] zich behoeden voor; zicht beschutten tegen. (3) [凌駕する] de baas zijn; t.w. overtreffen. i.w. (4) [聳える] zich verheffen boven. ¶ 退屈を凌ぐ den tijd dooden. ¶ 困難を凌ぐ moeilijkheden te boven komen. ¶ を凌ぐ zich van zijn superieuren niets aantrekken. ¶ 凌ぎ難い onduldbaar; ondragelijk; niet door te komen.

sora

zn. hemel m. lucht v.; firmament o.; valschheid (僞) v. ¶ 明るい heldere hemel. ¶ で in den vreemde; ver van huis. ¶ 高く hoog in de lucht. ¶ verstrooid. ¶ 負け voorgewende nederlaag. ¶ 淚 krokodillentranen; gehuicheld verdriet. ¶ 讀む uit het hoofd opzeggen. ¶ 覺える uit het hoofd leeren. ¶ なる met de gedachten ergens zijn; verstrooid zijn; zitten te suffen. ¶ を使ふ doen of men van niets weet; zich van den domme houden.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <上>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
上々uwauwa opgewonden; onrustig; zenuwachtig; rusteloos
上々joujou [~の] opperbest; allerbest; zeer goed; geweldig; prima; super; fantastisch; pico bello; schitterend; perfect; prachtig; subliem; eersteklas; [spreekt.] toppie
上から下までuekarashitamade van boven tot onder; grondig; volledig
上がったりagattari het is gedaan; het is afgelopen; het is gebeurd; kapot; die is er geweest
上がりagari (1) stijging; verhoging; klim; (2) afwerking; uitvoering; voltooiing; [sportt.] finish; (3) inkomen; opbrengst; winst; rendement; resultaat; (4) [cul.] groene thee; (5) [魚の] dood; (6) [蚕の] het spinnen; (7) onderbreking; stop; (8) het ophouden van …; toestand na afloop van …; (9) ex-; voormalig …; gewezen …; (10) het gerecht is klaar!
上がり下がりagarisagari (1) op- en neergang; het op-en-neergaan; wisselvalligheden; schommeling; (2) [価格の] het stijgen en dalen; fluctuatie
上がり口agariguchi (1) toegang; entree; ingang; (2) [山; 階段の] voet; (3) [風呂場の] uitgang; (4) [事業の] neergang; achteruitgang; teruggang
上がり段agaridan trap; treeplank; voettrede; opstapplank; opstap; [戸口の] stoep
上がり目agarime (1) van de binnen- naar de buitenooghoek schuin oplopende ogen; (2) [物価の] neiging tot stijging; haussestemming; [beurst.] vriendelijke stemming; het aantrekken; [運の] gelukkige wending; wending ten goede; (3) helling
上がり花agaribana versgezette groene thee; [i.h.a.] thee
上がり込むagarikomu (1) naar binnen gaan; binnengaan; binnenkomen; binnenlopen; binnentreden; ingaan; [i.h.b.] binnendringen; (2) [Jap.Barg.] inbreken; binnenbreken op klaarlichte dag
上がり降りagariori het naar boven en naar beneden gaan; het op- en aflopen
上がり降りするagariorisuru naar boven en naar beneden gaan; op- en aflopen
上がり高agaridaka (1) oogst; opbrengst; productie; output; debiet; (2) winst; inkomsten; vrucht; baten; recette; ontvangsten; rendement; omzet
上がるagaru (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙; 花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂; 湯から] uit (het) bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価; 血圧; 気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) [成績; 腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) [双六; トランプ; マージャンで] winnen; uit zijn; (17) [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈; 月経; つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [バッテリーが] het laten afweten; leeglopen; (18) [魚; 貝; 虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) [領地; 役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; (26) [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; (27) […~] klaar-; af-; gereed-; (28) […~] hevig …; intens …; compleet …; (29) […~] [krachtterm]
上がれるagareru kunnen opstijgen; kunnen omhooggaan
上げage (1) verhoging; ophoging; verheffing; (2) lossing; aflading; ontlading; (3) [beurst.] stijging; hausse; (4) [着物の] opnaaiing; opnaaisel; oprijg; inleg; retouche; pomp; plooi; plissé; (5) [nō-jargon] passage voorgedragen in een hoog stemregister; (6) hooggelegen rijstveld
上げずagezu [三日に~] er gaat bijna geen dag voorbij of; bijna iedere dag
上げるageru (1) heffen; opheffen; omhoogheffen; verheffen; oprichten; tillen; optillen; omhoogtillen; omhoogbrengen; liften; verhogen; eleveren; [凧を] oplaten; opsteken; [棚に] leggen op; opleggen; [帆を] hijsen; ophijsen; omhooghijsen; opbrengen; opvissen; [碇を] lichten; hieuwen; [陸に] landen; aan land zetten; [顔を] opkijken; (2) loven; prijzen; roemen; huldigen; ophemelen; hoog opgeven van; (3) opvoeren; doen toenemen; optrekken; opjagen; opdrijven; [温度を] hoger zetten; [スピードを] vergroten; (4) bevorderen; promoveren; (5) overgeven; braken; opgeven; kotsen; vomeren; over z'n nek gaan; [gew.] opbrengen; (6) [客を] binnenlaten; inlaten; brengen; leiden naar; geleiden; (7) [学校へ] op school doen; (8) geven; aanbieden; toedienen; offreren; schenken; voorzetten; [娘を] wegschenken; (9) offeren; ten offer brengen; (10) overhandigen; ter hand stellen; reiken; overreiken; (11) ten einde brengen; afdoen; afwerken; volbrengen; voltooien; (12) klaarspelen; gedaan weten te krijgen; (13) [式を] houden; vieren; celebreren; fêteren; (14) [例を] geven; vermelden; noemen; aanhalen; citeren; aanvoeren; leveren; opnoemen; opsommen; opgeven; opvissen; (15) [子を] krijgen; [母が] het leven schenken; baren; [父が] verwekken; (16) verbeteren; ontwikkelen; ontplooien; (17) [髪を] doen; opmaken; opsteken; kappen; (18) aanhouden; pakken; oppakken; vatten; inrekenen; snappen; in hechtenis nemen; in de kraag grijpen; arresteren; (19) [芸者を] bestellen; laten komen; erbij halen; uitnodigen; ontbieden; engageren; (20) frituren; in kokend vet bakken; braden; [gew.] fritten; (21) [結果を] behalen; bereiken; verkrijgen; verwerven; realiseren
上げをおろすagewoorosu [着物の~] van de plooien ontdoen; wijder maken; uitnemen
上げをするagewosuru [着物に~] inkorten; innemen; opnemen; plooien; plooien maken; plisseren
上げ下げagesage (1) het opsteken en neerlaten; (2) stijging en daling; fluctuatie; (3) lof en kritiek; (4) het aanbrengen en afruimen; (5) [潮の] eb en vloed; (6) pandgeving en terugneming
上げ下げするagesagesuru (1) opsteken en neerlaten; (2) prijzen en bekritiseren; (3) aanbrengen en afruimen; (4) beredderen; afhandelen; regelen; (5) in pand geven en terugnemen; (6) rijzen en dalen; [潮が] opkomen en afgaan
上げ下げ窓agesagemado schuifraam; schuifvenster; opschuifraam
上げ下ろしageoroshi (1) het op- en neerlaten; (2) het laden en lossen; (3) het weven; weverij
上げ下ろし窓ageoroshimado schuifraam; schuifvenster; opschuifraam
上げ場ageba (1) loskade; loskaai; (2) [beurst.] notering ter beurze; beursgang; beursintroductie
上げ底agezoko (1) verhoogde bodem; (2) dubbele bodem; loze bodem; valse bodem; (3) [瓶の] ziel
上げ板ageita (1) losse vloerplank; (2) [Edo-gesch.; kabuki-jargon] vloerluik aan weerskanten van het verbindingsstuk tussen podium en hanamichi; (3) [風呂場の] losse houten vloer
上げ潮ageshio (1) opkomend tij; wassend water; vloedwater; vloed; (2) [fig.] hoogtij; bloeitijd
上げ田ageta hooggelegen rijstveld
上げ蓋agebuta (1) losse vloerplank; (2) vloerluik; kelderluik; ± valluik
上げ足ageashi (1) [sumō-jargon] been dat van de grond is gelicht; (2) [fig.] verspreking; lapsus linguae; slip of the tongue; (3) [dierk.] opgetrokken poot; (4) zithouding waarbij het ene been op de knie van het andere rust; (5) [beurst.] hausse; koersstijging; koersverhoging
上げ足取りageashitori (1) vitterij; gevit; hakketakkerij; muggenzifterij; (2) vitter; muggenzifter; (3) [beurst.] hausse; haussestemming
上さんkamisan (1) vrouw des huizes; [うちの] mijn vrouw; (2) matrone; oude mevrouw; [i.h.b.] moeder van het gezinshoofd; (3) echtgenote van een koopman; handwerksman
上っ張りuwappari kiel; overall; [volkst.] overal; werkjas; stofjas; jasschort; werkpak; ketelpak; boezeroen
上っ調子uwatchoushi frivool; wispelturig; onstandvastig; lichtzinnig; wuft; grillig; onberekenbaar; lichtvaardig; loszinnig
上っ面uwattsura (1) uitwendige; buitenzijde; exterieur; (2) schijn; voorkomen; façade
上にueni (1) naar omhoog; naar boven; hemelwaarts; in de hoogte; opwaarts; in stijgende lijn; (2) bovenop; daarboven; bovenaan; aan; op de top; (3) hierboven; in het bovenstaande; hoger; eerder; supra; (4) boven het hoofd; in de lucht
上には上があるuenihauegaaru ± er is altijd iets dat het beste overtreft; ± je hebt altijd baas boven baas; ± er zijn altijd meesters en bovenmeesters
上のueno boven-; opper-; hoger; supra-
上の人uenohito meerdere; superieur; hogere in rang; chef; baas
上の空uwanosora (1) hogere regionen; hemel; atmosfeer; (2) onaandachtig; onoplettend; onachtzaam; afwezig; absent; afgetrokken; verstrooid; wezenloos
上へuehe naar omhoog; naar boven; hemelwaarts; ten hemel; opwaarts
上りnobori (1) klim; beklimming; bestijging; opstijging; opgang; opkomst; rijzing; het oprijzen; het omhooggaan; [scheepv.] opvaart; [i.h.b.] opwaartse helling; opweg; (2) naar een belangrijker centrum gaand; naar de stad gaand; [i.h.b.] perronkant waar de treinen naar de stad (m.n. Tokio) vertrekken
上り坂noborizaka (1) oplopende; opwaartse helling; oplopend terrein; weg die naar boven leidt; klim; klimming; (2) [fig.] opgang; opkomst; stijgende lijn; vooruitgang; opgeld
上り線noborisen verkeerslijn van eindstation naar beginstation; lijn die naar een belangrijker plaats gaat; [i.h.b.] Tokio-lijn
上るnoboru (1) opgaan; omhooggaan; stijgen; klimmen; opstijgen; [i.h.b.] stroomopwaarts gaan; [i.h.b.] opvaren; [ten hemel enz.] varen; [de troon] bestijgen; [de troon] beklimmen; opklimmen (tot); omhoogkomen [in de maatschappij]; [de trap enz.] oplopen; [de ladder enz.] opgaan; opstappen; (2) richting centrum gaan; [i.h.b.] naar de hoofdstad trekken; [i.h.b.] naar Tokio opkomen; (3) belopen; bedragen; oplopen (tot); bereiken; (4) [ter sprake; ter tafel; aan de orde enz.] komen
上れるnoboreru (1) kunnen opgaan; omhoog kunnen gaan; kunnen stijgen; kunnen klimmen; kunnen opstijgen; [i.h.b.] stroomopwaarts kunnen gaan; [i.h.b.] kunnen opvaren; [ten hemel enz.] kunnen varen; [de troon] kunnen bestijgen; [de troon] kunnen beklimmen; kunnen opklimmen (tot); omhoog kunnen komen [in de maatschappij]; [de trap enz.] kunnen oplopen; [de ladder enz.] kunnen opgaan; kunnen opstappen; (2) richting centrum kunnen gaan; [i.h.b.] naar de hoofdstad kunnen trekken; [i.h.b.] naar Tokio kunnen reizen; (3) kunnen belopen; kunnen bedragen; kunnen oplopen (tot); kunnen bereiken; (4) [ter sprake; ter tafel; aan de orde enz.] kunnen komen
上を下への大騒ぎuewoshitahenooosawagi opperste verwarring; grote ontsteltenis
上を見れば切りがないuewomirebakiriganai ± spiegel je niet aan je meerderen; ± wees niet te ambitieus; ± men moet niet verder (willen) springen dan zijn pols lang is
上一人kamiichijin keizer; vorst; soeverein
上一段kamiichidan [Jap.spraakk.] hogere eentrapsflexie
上一段活用kamiichidankatsuyou [Jap.spraakk.] hogere eentrapsflexie
上下するjougesuru (1) stijgen en dalen; rijzen en dalen; op- en neergaan; omhoog- en omlaaggaan; fluctueren; schommelen; (2) op- en afgaan; [i.h.b.] op- en afrijden; [i.h.b.] op- en afvaren
上下にjougeni op en neer; op en af; op- en neerwaarts; omhoog en omlaag; hoger en lager; boven en onder; verticaal
上下になるueshitaninaru ondersteboven vallen; op z'n kop gezet worden
上下両院joukaryouin [pol.] Hoger- en Lagerhuis; [Nl.pol.] beide Kamers der Staten-Generaal; [Belg.pol.] Kamer en Senaat
上下ueshita (1) op en neer; boven en onder; top en bodem; (2) ondersteboven; op z'n kop; omgekeerd; (3) heersers en onderdanen; bovenklasse en onderklasse; bovenlaag en onderlaag
上下jouge (1) tweedelig pak; jasje en broek; (2) stijging en daling; rijzing en daling; fluctuatie; schommeling; [atr.] op- en neergaand; (3) hoog en laag; hogere en lagere standen; boven- en onderlaag (van de maatschappij; bevolking); klein en groot; geringen en aanzienlijken; meerdere en mindere; regeerders en onderdanen; baas en ondergeschikte; [i.h.b.] alle klassen; standen; [i.h.b.] hiërarchie; [i.h.b.] orde; rangorde; [i.h.b.] sociale status; (4) set van twee boekdelen; volumes I en II; (5) verticaal; [verkeers.] binnenkomend en uitgaand; [verkeers.] beide richtingen
上乗りuwanori (1) toezicht op de lading; (2) opzichter van een lading; (3) supercargo; supercarga
上乗りするuwanorisuru bovenop de lading meerijden
上二段活用kaminidankatsuyou [Jap.spraakk.] hogere tweetrapsflexie
上京joukyou gang; komst; overkomst; reis; afreis naar Tokio; trek; vertrek naar de hoofdstad
上京するjoukyousuru naar Tokio gaan; komen; overkomen; reizen; afreizen; naar de hoofdstad trekken; vertrekken
上人uebito hofedele met audiëntierecht; [verzameln.] hoogste hofadel
上人shyounin (1) [boeddh.] puruṣa-ṛṣabha; eminent geestelijke; (2) [boeddh.] eminentie; (3) [boeddh.] geestelijke graad van meester van de Dharma-brug
上人jounin hooggeplaatst persoon; vooraanstaand figuur; notabele
上代joudai (1) oude tijden; Japanse oudheid; [Jap.gesch.] Nara-periode; (2) goede oude tijd; goeie ouwe tijd; tijdperk van vrede en welvaart; [Ind.N.] tempo doeloe
上位joui (1) voorrang; prioriteit; (2) hoge rang; hoge positie
上位のjouino hoog (in rang); hooggeplaatst
上体joutai bovenste deel van het lichaam; bovenlichaam
上出来joudeki (1) puike prestatie; prima werk; mooi resultaat; groot succes; (2) prima; voortreffelijk; uitstekend; puik; goed gedaan; uitgevoerd; gemaakt; (3) goed zo!; knap gedaan!; goed bezig!; prachtig!; ga zo door!
上出来上出来joudekijoudeki goed zo!; knap gedaan!; goed bezig!; prachtig!; ga zo door!
上前uwamae (1) kickback; kickbackfee; commissieloon; commissie; provisie; (2) voorpand van een kimono
上前をはねるuwamaewohaneru een kickback; kickbackfee; commissieloon; commissie; provisie inhouden; een percentje afhouden
上半身jouhanshin bovenlichaam; bovenlijf
上原uehara Uehara
上司joushi meerdere; superieur; hogere in rang; chef; baas
上向きのuwamukino (1) naar boven gekeerd; naar boven gericht; opstaand; opslaand; opgeslagen; (2) positief; optimistisch
上向きuwamuki (1) opleving; opbloei; uptrend; [i.h.b.] opgaande conjunctuur; [Belg.N.] relance; (2) naar boven gekeerd
上向くuwamuku (1) opkijken; de ogen opslaan; (2) [調子が] vooruitgaan; beter worden; zich ten goede keren; ten goede veranderen; [econ.] opleven; aantrekken
上告joukoku [jur.] hoogste beroep; beroep in cassatie; cassatieberoep; voorziening in cassatie
上告するjoukokusuru beroep in cassatie instellen; cassatieberoep aantekenen; in cassatie gaan; cassatie aantekenen; zich in cassatie voorzien
上品なjouhinna verfijnd; elegant; geraffineerd; verzorgd; fijn; beschaafd; deftig; voornaam; gedistingeerd; gecultiveerd; gracieus; bevallig; stijlvol; chic; smaakvol; [Belg.N.] gesofistikeerd; [Eng.] sophisticated; [i.h.b.; Eng.] ladylike; [i.h.b.; Eng.] gentlemanlike; [~料理] delicaat
上品jouhin verfijnd; elegant; geraffineerd; verzorgd; fijn; beschaafd; deftig; voornaam; gedistingeerd; gecultiveerd; gracieus; bevallig; stijlvol; chic; smaakvol; [Belg.N.] gesofistikeerd; [Eng.] sophisticated; [i.h.b.; Eng.] ladylike; [i.h.b.; Eng.] gentlemanlike; [m.b.t. spijzen] delicaat
上唇uwakuchibiru bovenlip; bovenste lip
上唇joushin (1) bovenlip; bovenste lip; (2) labrum [= bovenlip van een insect]; (3) [plantk.] bovenlip
上回るuwamawaru overtreffen; te boven gaan; beter; groter; hoger; meer; -er zijn dan; uitstijgen boven; overstijgen; meer bedragen dan; bovenliggen; de overhand hebben
上場するjoujousuru (1) [beurst.] ter beurze noteren; ter beurze introduceren; (2) opvoeren; vertonen; voorstellen
上場株joujoukabu beursgenoteerd aandeel
上場joujou (1) [beurst.] notering ter beurze; beursgang; beursintroductie; (2) opvoering; vertoning; voorstelling
上塗りuwanuri (1) deklaag; laatste laag; couche; afwerking; appretuur; (2) [損; 恥の] het nogmaals toevoegen van …; het nog -er maken
上塗りするuwanurisuru finaal met een laag; laagje … bedekken; een laatste laag; couche … aanbrengen
上奏jousou (1) adres; betoog aan de Kroon; (2) [Jap.gesch.] staatsstuk door het Parlement; Rekenkamer enz. tot de tennō gericht
上奏するjousousuru adresseren; rapporteren aan de Kroon; een adres inzenden aan de Kroon; een adres richten tot Kroon; een rapport uitbrengen aan de Kroon
上奏文jousoubun adres aan de Kroon; Keizer; Koning
上官joukan meerdere; superieur; ambtenaar; functionaris; officier die hoger in rang is
上尾ageo Ageo
上層jousou (1) bovenlaag; superstraat; (2) [soc.] hogere klasse; stand; bovenklasse; betere kringen; upper class; de chic; (3) [bouwk.] bovenverdiepingen
上層階級jousoukaikyuu [soc.] hogere stand; toplaag; bovenlaag; deftige stand; hoogste kringen
上履きuwabaki schoeisel voor in huis [pantoffels; sloffen; muiltjes e.d.]
上山kaminoyama Kaminoyama
上川kamikawa Kamikawa
上座kamiza (1) beste plaats; ereplaats; eregestoelte; erestoel; gestoelte der ere; (2) [meton.] hoofd van de tafel; boveneinde van de tafel; hogereinde; hogerhand; (3) [ton.; theat.] rechterkant van het toneel (gezien vanuit de zaal); [Fr.] côté cour
上弦jougen (1) [astron.] eerste kwartier; [afk.] e.k.; (2) [bouwk.] spruit
上弦の月jougennotsuki wassende maan
上役uwayaku meerdere; hogere in rang; chef; superieur; baas
上手なjouzuna goed (in); vaardig; bedreven; behendig; kundig; knap; meesterlijk; deskundig; vakkundig; bekwaam; sterk; ervaren; habiel; handig; geverseerd; onderlegd; [Belg.N.; niet alg.] beslagen
上手に出るuwatenideru […の~] de overhand krijgen; nemen op; een voorsprong behalen op; overtreffen; de loef afsteken
上手のuwateno beter dan; verheven boven
上手の手から水が漏れるjouzunotekaramizugamoreru ± het beste paard struikelt wel eens; ± de beste breister laat wel eens een steek vallen; ± dat kan de beste overkomen; ± ook Homerus slaapt wel eens
上手回しuwatemawashi [scheepv.] het loeven; het overstag gaan
上手回しにするuwatemawashinisuru [scheepv.] [船を~] loeven; overstag gaan; laveren; wenden; over een andere boeg gaan
上手投げuwatenage (1) [honkb.] bovenhandse; overhandse worp; (2) [sumō-jargon] overarmse worp
上手uwate (1) bovengedeelte; het bovenste; bovenstel; bovenstuk; (2) bovenloop; (3) loefzijde; loef; windzijde; (4) overhand; meerdere; superieur; (5) [sumō-jargon] bovenarmse greep
上手kamite (1) bovenloop; bovengedeelte (van een rivier); (2) hogereinde; plek nabij de ereplaats; (3) [ton.; theat.] rechterkant van het toneel (gezien vanuit de zaal); [Fr.] côté cour; (4) linkertouw van een visnet
上手koute linkertouw van een visnet
上手jouzu (1) expert (in); deskundige; meester; vakkundige; kenner; baas; piet; [inform.] kei; [inform.] kraan; (2) vleierij; mooipraterij; flemerij; (3) goed (in); vaardig; bedreven; behendig; kundig; knap; meesterlijk; deskundig; vakkundig; bekwaam; sterk; ervaren; habiel; handig; geverseerd; onderlegd; [Belg.N.; niet alg.] beslagen
上掛けuwagake (1) bovenkleed; overkleed; overall; (2) oversprei; (3) het opbrengen van de dekverf
上擦った声uwazuttakoe (1) schelle stem; schetterstem; (2) opgewonden stem
上擦るuwazuru (1) [精神; 感情が~] onrustig; ongedurig; zenuwachtig worden; (2)[声が~] vals klinken; krassen; (3) [honkb.] (te) hoog gegooid worden,(te) hoog binnenkomen
上敷きuwashiki (1) oplegsel; kleed; [i.h.b.] tapijt; mat; laken; (2) zadeldek; dekkleed; paardendekkleed; sjabrak
上方にjouhouni naar omhoog; naar boven; opwaarts
上方絵kamigatae Kamigata-prent [in de streek van Kioto-Osaka sedert de Bunka (1804-1818)- en Bunsei (1818-1830)-periodes populair geworden ukiyo-e-prenten]
上方kamigata Kioto en omstreken; de streek van Kioto-Osaka; Kansai
上方jouhou (1) bovengedeelte; bovenstuk; (2) [boeddh.] bergtempel; (3) [boeddh.] tempeloverste
上旬joujun eerste decade; tien dagen van een maand; begin van een maand; eerste deel van een maand
上昇 ; 上升joushyou stijging; klim; rijzing; verhoging; opgang; opkomst
上昇させる ; 上升させるjoushyousaseru escaleren; opdrijven; omhoogdrijven; laten; doen stijgen; omhoog doen gaan; doen klimmen; doen opgaan
上昇する ; 上升するjoushyousuru stijgen; omhooggaan; klimmen; rijzen; opgaan; opkomen
上昇気流joushyoukiryuu opwaartse; opstijgende luchtstroom; thermiek; thermiekbel
上映jouei vertoning; het op het scherm brengen; het draaien; projectie
上映するjoueisuru vertonen; draaien; afdraaien; op het scherm brengen; projecteren
上書きuwagaki (1) opschrift; superscriptie; adres; adressering; (2) [comp.] het overschrijven; (3) [beurst.] hogere notering
上書きするuwagakisuru [comp.] overschrijven
上杉uesugi Uesugi
上村uemura Uemura
上村kamimura Kamimura
上水道jousuidou waterleiding
上水uwamizu (1) bovenwater; (2) marktmeester; marktopzichter
上水jousui leidingwater; tapwater; kraanwater; kraantjeswater
上洛jouraku gang naar de hoofdstad; Kioto
上洛するjourakusuru naar de hoofdstad; Kioto gaan
上流階級jouryuukaikyuu hogere; deftige stand; hogere kringen; toplaag; bovenlaag; bovenkant van de samenleving; aristocratie; elite; bovenklasse; upper class
上流jouryuu (1) bovenloop; bovengedeelte van een rivier; (2) bovenklasse; upper class
上海 ; シャンハイshyanhai (1) Sjanghai; Shànghǎi; (2) Shanghai [feuilletonroman (1928-1931) van Yokomitsu Riichi 横光利一 (1898-1947)]
上滑りuwasuberi (1) oppervlakkig; niet diepgaand; lichtvaardig; (2) wuft; lichtzinnig; frivool; onberaden; onbezonnen
上演jouen opvoering; vertoning; voorstelling; uitvoering; vertolking
上演するjouensuru opvoeren; vertonen; voorstellen; uitvoeren; vertolken; spelen; (ten tonele) brengen; presenteren; tonen; een voorstelling geven van; op de planken brengen
上澄みuwazumi bovendrijvende laag; substantie
上澄みを取るuwazumiwotoru afschuimen; afscheppen
上澄みを掬うuwazumiwosukuu afschuimen; afscheppen
上玉joudama (1) topgeisha; [i.h.a.] oogverblindende schoonheid; [inform.] stoot; stuk; spetter; kanjer; (2) klasseproduct; eersteklaswaar; prima spul; prachtexemplaar; topkwaliteit; (3) klassejuweel
上田ueda Ueda
上田jouden eersteklas; hoogrenderend rijstveld
上皇joukou afgetreden keizer; keizer emeritus
上皮uwakawa (1) opperhuid; epidermis; cuticula; (2) schors; bast; (3) vlies; vel; (4) korst
上皮jouhi (1) [biol.] epitheel; epithelium; (2) [anat.] opperhuid; epidermis
上目を使うuwamewotsukau de ogen opslaan; een opwaartse blik werpen
上目遣いuwamezukai opwaartse oogopslag
上目uwame opgeslagen ogen; opwaartse blik; oogopslag
上着uwagi (1) bovenkleren; bovenkleding; (2) jas; jasje; colbertjas; colbert; veston; jekker; jak; [gew.] baadje; [Belg.N.] vest; [軍服の] tuniek
上瞼uwamabuta bovenooglid; bovenste ooglid
上知agechi [Edo-gesch.] naasting; [i.h.b.] genaast gebied
上知jouchi (1) eminente wijsheid; (2) eminente wijze; (3) [chr.] sophia; wijsheid; (4) [Edo-gesch.] naasting; [i.h.b.] genaast gebied
上積みuwazumi (1) bovenliggende lading; (2) [scheepv.] deklading; deklast; (3) toename; vermeerdering; [Belg.N.] opleg
上積みするuwazumisuru erbovenop laden; stapelen; opleggen; bijleggen
上空joukuu hoog in de lucht; hemel; luchtruim; [verk.] ruim; [w.g.] luchtruimte
上等joutou (1) superioriteit; uitstekendheid; (superieure) kwaliteit; voortreffelijkheid; uitmuntendheid; uitnemendheid; excellentie; (2) uitstekend; superieur; voortreffelijk; uitmuntend; uitnemend; excellent; prima; uitgelezen; uitgezocht; superbe; van de bovenste plank; [attr.] eersteklas-; [attr.] top-; [attr.] klasse-; [attr.] eersterangs-; [attr.] kwaliteits-
上等なjoutouna uitstekend; superieur; voortreffelijk; uitmuntend; uitnemend; excellent; prima; uitgelezen; uitgezocht; superbe; van de bovenste plank; eersteklas-; top-; klasse-; eersterangs-; kwaliteits-
上級joukyuu (1) [onderw.] hogere jaren; leerjaren; klassen; gevorderde jaren; hoger niveau; [i.h.b.] bovenbouw; [i.h.b.] abituriëntenniveau; [onderw.; Belg.N.] hogere graad; [onderw.; Belg.N.; i.h.b.] derde graad; (2) hoog; hooggeplaatst; hogere [rechtbank; instantie enz.]; … voor gevorderden
上級生joukyuusei student van een ouder jaar; ouderejaarsstudent; ouderejaars
上絵uwae (1) illustratieve retouche; (2) schildering op de glazuurlaag; (3) overschildering
上絵をかくuwaewokaku (1) artistiek retoucheren; (2) schilderen op de glazuurlaag; (3) overschilderen
上背uwazei lengte; lichaamslengte; gestalte; postuur; statuur
上背があるuwazeigaaru groot; rijzig van gestalte zijn
上背がないuwazeiganai klein van stuk; gestalte zijn; klein gebouwd zijn
上腕jouwan [anat.] bovenarm; opperarm
上腕骨jouwankotsu [anat.] opperarmbeen; bovenarmbeen; humerus
上衣joui (1) jas; overjas; mantel; (2) [anat.] ependyma
上表紙uwabyoushi schutblad; stofomslag; kaft; spaarsel; jacket
上記jouki (1) superscriptie; het bovengenoemde; het hogervermelde; (2) [~の] bovengenoemd; bovenvermeld; bovenstaand; hogervermeld; voornoemd; voormeld; voorgemeld; eerder vermeld; genoemd; hierboven vermeld; genoemd
上訴jouso [jur.] (hoger) beroep; appel
上訴するjousosuru [jur.] in (hoger) beroep gaan; appelleren; appel aantekenen; (hoger) beroep aantekenen; het hogerop zoeken
上訴人jousonin [jur.] appellant
上調子uwachoushi frivool; wispelturig; onstandvastig; lichtzinnig; wuft; grillig; onberekenbaar; lichtvaardig; loszinnig
上質joushitsu van grote kwaliteit; van hoog gehalte; hoogwaardig; van hoog niveau; edel; klasse-; kwaliteits-; keur-
上質のjoushitsuno van grote kwaliteit; van hoog gehalte; hoogwaardig; van hoog niveau; edel; klasse-; kwaliteits-; keur-
上越jouetsu (1) [Jap.gesch.] de provincies Kōzuke en Echigo; (2) de stad Jōetsu
上辺uwabe voorkomen; schijn; uitzicht; uiterlijk; aanzien
上辺のuwabeno uitwendig; uiterlijk; schijnbaar; ogenschijnlijk; oppervlakkig; superficieel; schoonschijnend; cosmetisch
上辺はuwabeha op het eerste gezicht; aan de buitenkant; aan de oppervlakte; oppervlakkig; uiterlijk; ogenschijnlijk; schijnbaar
上述joujutsu het bovengenoemde; het hiervoor gestelde; [~の] bovenstaand; hierboven vermeld; bovenvermeld; bovengenoemd; hogervermeld; gemeld; genoemd; voorgemeld; voormeld; voornoemd; hoger; eerder; supra
上達joutatsu (1) vordering; vooruitgang; verbetering; voortgang; (2) doordringing tot een hogere instantie; bekendwording bij iems. meerdere
上達するjoutatsusuru (1) vooruitgang boeken; maken (met); vooruitgaan; vorderen; vorderingen maken; beter worden; verbeteren; vaardig; kundig; behendig; bedreven worden; (2) tot een hogere instantie doordringen; bij iems. meerdere bekend worden
上部構造joubukouzou [fil.] bovenbouw
上野ueno (1) Ueno; (2) Ueno
上野kouzuke Kōzuke
上限jougen bovengrens; plafond
上院jouin [pol.] Hogerhuis; Senaat; Eerste Kamer; [Eng.pol.] Huis der Lords; House of Lords; [Du.pol.] Bondsraad
上院議員jouingiin [pol.] Hogerhuislid; Eerste-Kamerlid; senator; Senaatslid; [Eng.pol.] Lord; [Du.pol.] Bondsraadslid; [verk.] sen.
上陸jouriku landing; ontscheping
上陸するjourikusuru landen; aanlanden; een landing maken; aan land gaan; aan land komen; aan wal gaan; voor de wal komen; van boord gaan; zich ontschepen
上面uwatsura (1) uitwendige; buitenzijde; exterieur; (2) schijn; voorkomen; façade
上面joumen (1) bovenvlak; (2) buitenkant; buitenzijde; buitenste; dagzijde
上顎uwaago (1) [anat.] bovenkaak; (2) [anat.] gehemelte; verhemelte
上顎jougaku [anat.] bovenkaak
ue (1) bovenste gedeelte; bovenkant; bovendeel; (2) gebied boven iets; (3) top van een berg; bovenverdieping van een huis; (4) superioriteit; summum; het beter zijn in iets; het meer getalenteerd zijn in iets; het meer begaafd zijn in iets; het kundiger zijn in iets; autoriteit; (5) superieure positie; hoge(re) rang; betere stand; betere maatschappelijke positie; (6) keizer; vorst; soeverein; (7) hoger; (8) in leeftijd ouder; (9) superieur; hoger in rang; hoger qua maatschappelijke positie; (10) goed; beter; kundig(er); begaafd(er); (meer) getalenteerd; bekwaam; bedreven; capabel; (11) bovenop; als klap op de vuurpijl; op de koop toe; behalve; (12) na; achter; als resultaat van; ten gevolge van; als uitkomst van; (13) wat betreft; (14) nu dat; nadat; (15) aangezien
uwa boven-; hoogste; bovenste
kami (1) top; bovenste gedeelte; (2) begin; (3) stroomopwaarts; (4) opperste; zijne; hare majesteit; (5) regering; autoriteiten
jou (1) topkwaliteit; eerste soort; (2) eerste boekdeel; volume I; (3) Z.M. de Keizer; (4) met hartelijke groet; met de complimenten (van); graag aangeboden (door) [opschrift op verpakking van geschenk]; (5) eersteklas; eersterangs; puikbest; piekfijn; pico bello; uitstekend; superieur; (6) qua …; -(i)eel; -isch gezien; uit … oogpunt; als je naar … kijkt; in … opzicht; in het licht van …; … gezien; -halve; betreffende; met betrekking tot …; wat … aangaat; op het stuk van …; wanneer het … betreft; aangaande …; inzake …; … gesproken
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.34 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 212 treffers (zoekopdracht: '上', strategie: exact). 
2005-2021