日蘭辭典+

176 resultaten voor 「下」
日蘭辭典 (titelwoord)
shita
zn. onderkant m.; onderste o.; bodem m.; (民) het volk o.; ondergeschikte (僚) m. ¶ 坂の de voet van een heuvel. ¶ 橋の通る onder een brug doorgaan. ¶ の onderste; beneden. ¶ に onderaan; beneden; onder; van onder. ¶ から van beneden.
日蘭辭典 (trefwoord)
sen
zn. lijn v. ¶ 引く lijn trekken; streep trekken. ¶ 幹 hoofdlijn. ¶ 支 zijlijn. ¶ 引く onderstrepen. ¶ を引いて消す doorhalen; doorstrepen.
SUPPLEMENT (trefwoord)
nani hitotsu何ひとつ
(frase) (niet, geen) een/één (in ontkennende zinnen). ¶ その政治家は公約を何ひとつ果たしていないSono seijija wa kōyaku wo nani hitotsu hatashite inai. De politicus heeft niet één van zijn verkiezingsbeloftes waargemaakt. ¶ この理論は何ひとつ理解できないKono riron wa nani hitotsu rikai dekinai. Ik snap niets van deze theorie. ¶ 細かいことは何ひとつ思い出せないKomakai koto wa nani hitotsu omoidasenai. Ik man me geen enkel detail herinneren. (yamasv) ¶ 太陽の新しいものは何ひとつないTaiyō no shita, atarashii mono wa nani hitotsu nai. Niets nieuws onder de zon. (TTC)
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Minami Hiroshi╱De psychologie van Japanners 〈61:3-4〉南博『日本人の心理』
から日本では、の支配者がこの我慢あるいは忍從を最高の美德として、人たちに説教してきた。いわば問答無用、直接の命令のように、ただ我慢しろというのである。

Mukashi kara Nippon de wa, toki no shihaisha ga kono gaman aruiwa ninjū wo saikō no bitoku to shite, shita no hitotachi ni sekkyōshite kita. Iwaba mondō muyō, chokusetsu no meirei no yō ni, tada gamanshiro to iu no de aru.

Sinds mensenheugenis maakten heersers in Japan deze volgzaamheid of lijdelijkheid tot de hoogste deugd. Geen discussie! Laat het je simpelweg welgevallen en neem het als een rechtstreeks bevel.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <下>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
下がるsagaru (1) dalen; zakken; naar beneden komen; [ズボン; 靴下が] afzakken; zinken; (2) neerhangen; omlaag hangen; afhangen; [カーテンが] vallen; (3) achteruitgaan; achterwaarts gaan; naar achteren wijken; achteruitwijken; (4) [段階; 程度; 数値が] dalen; naar beneden gaan; afnemen; zakken; minder worden; teruglopen; minderen
下げsage (1) verlaging; neerlating; (2) [beurst.] prijsdaling; koersval; baisse; (3) punchline; pointe; clou
下げる ; 提げるsageru (1) lager maken; doen zakken; neerlaten; laten zakken; [m.b.t. hoofd] buigen; (2) hangen; ophangen; neerhangen; laten hangen; [i.h.b.] uithangen; [m.b.t. wapen; zwaard e.d.] dragen; (3) [m.b.t. tafel] afruimen; afnemen; leegruimen; opruimen; vrijmaken; (4) meer naar achteren zetten; achteruitzetten; achteruit plaatsen; achteruit doen; [m.b.t. wagen] achteruitrijden; (5) [m.b.t. spaargeld enz.] opnemen; (laten) afschrijven; (6) [m.b.t. niveau; graad; waarde e.d.] verlagen; laten zakken; doen dalen; doen afnemen; verminderen; naar beneden halen; reduceren; neerhalen; [i.h.b.] depreciëren; [i.h.b.] degraderen; [i.h.b.] declasseren
下げ幅sagehaba reductiemarge; omvang; reikwijdte van de vermindering
下げ緒sageo zwaardkoord [= koord waarmee men het zwaard aan de obi bevestigt]
下さいkudasai (1) geef me alstublieft; (2) wees zo vriendelijk om te ~
下さるkudasaru (1) geven; schenken; (2) eten; drinken; (3) zo goed zijn te ~; zo vriendelijk zijn te ~; de welwillendheid hebben om ~
下されるkudasareru (1) geven; schenken; (2) eten; drinken; (3) zo goed zijn te ~; zo vriendelijk zijn te ~; de welwillendheid hebben te ~
下す ; 降すkudasu (1) neerlaten; laten zakken; strijken; (2) geven; schenken; verlenen; toekennen; (3) [命令を] uitvaardigen; [判決を] uitspreken; vellen; strijken; [結論を] trekken; (4) [自ら手を] doen; uitvoeren; verrichten; (5) [おなかを] buikloop; diarree hebben; [虫を] wormen hebben; (6) [敵を] verslaan; winnen van; overwinnen; kloppen
下っ端shitappa ondergeschikte; onderhorige; inferieur; bijfiguur
下っ端役人shitappayakunin lage; lagere ambtenaar; [Belg.N.] opsteller
下にshitani onder; eronder; hieronder; daaronder; onderaan; beneden; naar beneden; omlaag
下ねたshimoneta (1) onwelvoeglijk onderwerp; obsceen thema; [i.h.b.] gemene; platte; schunnige; vuile; vulgaire taal; kazernetaal; (2) onderbroekenlol; grove; scabreuze; obscene; schuine mop; gewaagde bak; [Belg.N.] aangebrande mop
下の下genoge (1) het laagste van het laagste; het allerslechtste; het allerergste; (2) het schuim der natie; de heffe des volks; uitschot
下の下のgenogeno allerslechtst; allerslechtste; allerergst; allerergste
下らないkudaranai (1) betekenisloos; zonder wezenlijke betekenis; triviaal; onbeduidend; banaal; (2) waardeloos; van geen waarde; (3) nutteloos; vruchteloos; vergeefs; (4) absurd; ongerijmd; stom; onzinnig; dwaas; ijdel; leeg
下りkudari (1) daling; neerdaling; afdaling; het naar beneden gaan; (2) helling; hellend vlak; aflopende schuinte; glooiing; (3) het stroomafwaarts varen van een rivier of stroom; het afvaren van een rivier of stroom; (4) komst vanuit de hoofdstad naar het binnenland; reis vanuit de hoofdstad; (5) acheruitgang; verval; teruggang; aftakeling; (6) diarree; buikloop
下りるoriru (1) afdalen; neerdalen; naar beneden komen; afgaan; zich naar beneden begeven; afklimmen; afklauteren; [馬から] van een paard stijgen; afkomen; afstijgen; afstappen; [幕が] vallen; (2) uit een voertuig stappen; uitstappen; uitstijgen; (3) [鳥が] na een vlucht zich neerzetten; neerstrijken; landen; (4) zich vormen; zich vertonen; [霜が] rijpen; [gew.] rijmen; [露が] dauwen; (5) een miskraam hebben; een abortus hebben; een expulsie hebben; (6) (uit het lichaam) afgescheiden worden; uitgescheiden worden; als excretie het lichaam verlaten; (7) (in het midden van iets) opgeven; ophouden; uitvallen; (8) [許可証が] verleend worden; uitgereikt worden; afgegeven worden; verstrekt worden; [Belg.N.] afgeleverd worden; [年金が] toegekend worden; toegestaan worden
下り線kudarisen verkeerslijn van beginstation naar eindstation; lijn die van een belangrijker plaats weggaat; [i.h.b.] spoorlijn uit de richting van Tokio
下るkudaru (1) afdalen; naar beneden gaan; afkomen; (2) vallen; neerkomen; neerdalen; (3) [川を〜] afvaren; afdrijven; stroomafwaarts varen; gaan; afgaan; (4) [都から地方へ〜] gaan; het land op gaan; naar het platteland gaan; (5) [命令が〜] afkomen; gegeven worden; afgekondigd worden; uitgevaardigd worden; (6) diarree hebben; buikloop hebben; (7) zich terugtrekken; ontslag nemen; (8) achterstaan bij …; minder zijn dan …; (9) zich overgeven; zich gewonnen geven; de strijd opgeven; (10) nederig zijn; deemoedig zijn; ootmoedig zijn; (11) achteruitgaan; vervallen; aftakelen
下ろし金oroshigane rasp; [veroud.] rasper; [gew.] raspel; [gew.] rijf
下ろす (bet. 1-8) ; 降ろす (bet. 9-12)orosu (1) neerlaten; naar beneden laten; naar beneden halen; naar beneden brengen; [wisk.] aanhalen; (2) [m.b.t. schip] te water laten; (3) [m.b.t. gordijn; blind voor een raam etc.] laten zakken; neerrollen; neerlaten; (4) [m.b.t. kleren; schoenen; handdoeken etc.] voor de eerste keer dragen; voor de eerste keer aantrekken; voor de eerste keer gebruiken; (5) raspen; met een rasp fijn wrijven; (6) snoeien; [takken van een boom of een heester] wegnemen; afknippen; (7) een abortus laten uitvoeren; een expulsie laten uitvoeren; een vrucht afdrijven; (8) [geld] afhalen; (9) uit laten stappen [uit een voertuig]; (10) afladen; uitladen; lossen; (11) [iemand uit een ambt; waardigheid etc.] ontzetten; [iemand een ambt; waardigheid etc.] ontnemen; (12) [een godheid] inroepen; oproepen; [een boze geest; een demon; etc.] uitdrijven; (iemand) bevrijden [van een kwade geest; van een demon etc.]
下ろせる (bet.1-8) ; 降ろせる (bet.9-12)oroseru (1) kunnen neerlaten; naar beneden kunnen laten; naar beneden kunnen halen; naar beneden kunnen brengen; (2) [m.b.t. schip] te water kunnen laten; (3) [m.b.t. gordijn; blind voor een raam etc.] kunnen laten zakken; kunnen neerrollen; kunnen neerlaten; (4) [m.b.t. kleren; schoenen; handdoeken etc.] voor de eerste keer kunnen dragen; voor de eerste keer kunnen aantrekken; voor de eerste keer kunnen gebruiken; (5) kunnen raspen; met een rasp fijn kunnen wrijven; (6) kunnen snoeien; [takken van een boom of een heester] kunnen wegnemen; kunnen snoeien; kunnen wegknippen; (7) een abortus kunnen laten uitvoeren; een vrucht kunnen afdrijven; (8) [geld] kunnen afhalen; (9) uit kunnen laten stappen; (10) kunnen afladen; kunnen uitladen; kunnen lossen; (11) [iemand uit een ambt; waardigheid etc.] kunnen ontzetten; [iemand een ambt; waardigheid etc.] kunnen ontnemen; (12) [een godheid] kunnen inroepen; kunnen oproepen; [een boze geest; een demon etc.] kunnen uitdrijven; (iemand) kunnen bevrijden [van een boze geest; een demon etc.]
下一段shimoichidan [Jap.spraakk.] lagere eentrapsflexie
下一段活用shimoichidankatsuyou [Jap.spraakk.] lagere eentrapsflexie
下二段shimonidan [Jap.spraakk.] lagere tweetrapsflexie
下二段活用shimonidankatsuyou [Jap.spraakk.] lagere tweetrapsflexie
下位kai (1) lage; lagere rang; ondergeschikte positie; ondergeschiktheid; subordinatie; (2) [log.] ondergeschikt begrip; (3) [geneesk.] hypostase; hypostasis; (4) ondergeschikt; lager; minder; sub-
下働きshitabataraki (1) klusjes; [i.h.b.] huishoudhulp; (2) ondergeschikte bediende; klusjesman; huishoudster; hulpje; dienaar; dienares; huisknecht; knecht; dienstmeid; huismeid; dienstbode; meid; werkster
下剋上gekokujou omgekeerde wereld; toestand waarbij de ondergeschikten de baas over de meerderen worden; ± daar is booi baas
下剤gezai laxeermiddel; purgeermiddel; laxatief; purgatief
下半kahan onderste helft
下半身kahanshin onderlijf; benedenlijf; onderlichaam; [scherts.] onderwerk
下取りshitadori inruil
下取りするshitadorisuru ter inruil aannemen
下向きshitamuki (1) het naar beneden richten; (2) [beurst.] daling; achteruitgang; teruggang; baisse
下向きになるshitamukininaru (1) naar beneden kijken; neerkijken; de ogen neerslaan; de blik neerwaarts slaan; (2) [beurst.] achteruitgaan; teruglopen; zich in dalende lijn bewegen; bergafwaarts gaan
下品gehin (1) vulgariteit; grofheid; platheid; laagheid; gemeenheid; ruwheid; vunzigheid; wansmakelijkheid; onsmakelijkheid; (2) vulgair; ordinair; grof; plat; laag; gemeen; ruw; vuns; beneden alle peil; wansmakelijk; onsmakelijk
下品なgehinna vulgair; ordinair; onverfijnd; grof; plat; laag; gemeen; ruw; vuns; wansmakelijk; onsmakelijk
下唇shitakuchibiru [anat.] onderlip
下回る ; 下廻るshitamawaru minder zijn dan; lager zijn dan; lager uitkomen dan; niet beantwoorden aan; niet halen; blijven beneden; onder; vallen onder
下地shitaji (1) grondslag; basis; fundering; fundament; grondwerk; grondslag; (2) aanleg; geneigdheid; neiging; hang; tendens; (3) grondslagen; grondbeginselen; basisvorming; elementaire kennis; basiskennis; (4) regeling vooraf; voorbereiding; voorafgaande schikkingen; (5) grondlaag; grondcouche; (6) shoyu; Japanse sojasaus
下垂kasui het afhangen; neerhangen; omlaaghangen
下垂するkasuisuru afhangen; neerhangen; omlaaghangen
下垂体kasuitai [anat.] hypofyse; hersenaanhangsel
下垂性kasuisei [plantk.] hangend; overhangend; buigend; neerbuigend
下垂症kasuishyou [geneesk.] ptosis; descensus; het afhangen
下垂腹kasuifuku [geneesk.] hangbuik
下塗りshitanuri grondlaag; grondverflaag; grondverf; eerste verflaag; eerste couche
下士官kashikan [mil.] onderofficier; [verzameln.] de kleine staf
下宿するgeshyukusuru als tijdelijke gast zijn intrek nemen bij ~; onderdak hebben bij ~; logies hebben bij ~; logeren bij ~; nachtverblijf gevonden hebben bij ~; een onderkomen hebben in ~
下宿人geshyukunin kamerhuurder; kamerbewoner; huisgenoot; inwonende; kostganger; pensiongast; betalende logé
下宿屋geshyukuya (1) kosthuis; pension; logement; huis waar men kamers verhuurt; (2) gehuurde kamer; studentenkamer; [studentent.] kast; hok; [Belg.N.] kot
下宿geshyuku (1) onderdak; logies; nachtverblijf; onderkomen; (2) goedkoop hotel; hotel van mindere kwaliteit; (3) kosthuis; pension; logement; huis waar men kamers verhuurt; (4) gehuurde kamer; studentenkamer; [studentent.] kast; hok; [Belg.N.] kot
下層kasou (1) onderlaag; substraat; (2) [soc.] lagere klasse; stand; mindere volk; onderklasse
下層階級kasoukaikyuu [soc.] lagere stand; standen; lagere klassen
下履きshitabaki schoeisel voor buitenshuis
下山gezan (1) afdaling van een berg; bergafdaling; (2) [rel.] terugkeer uit een bergascese; uittreding uit een bergtempel
下弦kagen (1) [astron.] laatste kwartier; [afk.] l.k.; (2) [bouwk.] ondergording
下弦の月kagennotsuki [astron.] afgaande; afnemende; krimpende maan
下役shitayaku ondergeschikte; bediende; beambte; onderhorige
下心shitagokoro geheim; heimelijk motief; geheime intentie; stille wens; onderliggende bedoeling; geheime beweegreden; bijbedoeling; bijgedachte; dessous
下戸geko niet-drinker
下手なhetana (1) onbedreven; onbehendig; ondeskundig; ongeoefend; onvakkundig; onbekwaam; onvaardig; ~ van de koude grond; (2) onhandig; slecht (onderlegd) in; zwak (in); minder; mager; pover; ongelukkig; onbeholpen; (3) klungelig; krukkig; knullig; stuntelig
下手な嘘hetanauso onhandige leugen
下手な鉄砲数打ちゃ当るhetanateppoukazuuchaataru [lett.] een slecht geweer treft na vele schoten raak; ± een blinde schiet weleens een kraai
下手にhetani (1) oppervlakkig; vluchtig; onbevredigend; (2) slordig; onzorgvuldig; nonchalant; onverzorgd; (3) onhandig; stuntelig; onbeholpen
下手の横好きhetanoyokozuki fanatieke amateur; enthousiaste kruk; bevlogen dilettant
下手の考え休むに似たりhetanokangaeyasumuninitari [lett.] de ideeën van een knoeier en je lijkt vrijaf te nemen [= het is tijdverlies naar de mening van een amateur te luisteren]
下手の長談議hetanonagadangi langdradig relaas van een povere verteller
下手をするhetawosuru er niet veel van maken; z'n werk slecht doen; slecht werk (af)leveren; het er slecht afbrengen; het lelijk laten liggen; knoeien; beunhazen; broddelen; het verknallen; verknoeien; verprutsen; er een puinhoop van maken; er niets van terechtbrengen; op knoeierige wijze te werk gaan; aanmodderen; aanrommelen; klooien; stuntelen; prutsen; klungelen; klunzen; krukken; roffelen; verbruien; verkankelemienen; verknollen; verbroddelen; [Belg.N.] verbrodden
下手人geshyunin (1) moordenaar; (2) aanstichter; veroorzaker; auctor intellectualis; kwade genius; intellectuele dader; (3) [Jap.gesch.] doodstraf zonder proefnemingen op het lijk of confiscatie van woning en erf
下手投げshitatenage (1) [sumō-jargon] onderarmse worp; (2) [honkb.] onderarmse worp
下手物getemono (1) primitief werk; volkskunst; prul; prulletje; prullaria; [i.h.b.] kitsch; (2) curiosum; rariteit; curiositeit; merkwaardigheid; (3) bizarre kost; vreemde etenswaar
下手物趣味getemonoshyumi bizarre smaak; zonderlinge voorkeur
下手糞hetakuso (1) enorme knoeier; volslagen prutser; absolute klungelaar; grote nul; (2) superslecht; megazwak; kei-onbekwaam; extreem onhandig; allerberoerdst; allerbelabberdst; hopeloos
下手shitate (1) afwaartse richting; stroomafwaartse; benedenwindse kant; (2) lagere status; mindere positie; (3) [sumō-jargon] onderarms manoeuvre; (4) go- of shōgi-speler van mindere rang; (5) nederig; onderdanig
下手shimote (1) benedenloop; (2) linkerkant van het toneel (gezien vanuit de zaal); [ton.; theat.] jardin; (3) lagereinde; benedeneinde; minder eervolle plaats; (4) rechtertouw van een visnet
下手heta (1) ondeskundigheid; onvakkundigheid; onbedrevenheid; onbehendigheid; ongeoefendheid; onvaardigheid; (2) onhandigheid; onbeholpenheid; (3) slecht werk; geknoei; geklungel; prutswerk; knoeiwerk; lorrenwerk; (4) onbedreven; onbehendig; ondeskundig; ongeoefend; onvakkundig; onbekwaam; onvaardig; ~ van de koude grond; (5) onhandig; slecht (onderlegd) in; zwak (in); minder; mager; pover; ongelukkig; onbeholpen; (6) klungelig; krukkig; knullig; stuntelig
下拵えshitagoshirae voorbereidingen; schikkingen; voorbereidselen; toebereidselen
下敷shitajiki (1) onderlegger; onderligger; (2) placemat; onderzetter; (3) ondertapijt; onderkleed; onderlaag; (4) sousmain; handlegger
下方kahou (1) onder; beneden; (2) benedenwaarts; afwaarts; naar beneden; naar omlaag
下旬gejun laatste tien dagen van de maand; laatste derde deel van de maand; laatste deel van de maand; einde van de maand; derde decade van de maand; laatste decade van de maand
下書き ; 下描きshitagaki (1) klad; ruwe; eerste schets; ruwe opzet; brouillon; ongecorrigeerde proef; (2) klad; schets; schetsontwerp; ontwerp; voorontwerp; concept; hoofdlijnen; grondtrekken
下書きする ; 下描きするshitagakisuru een kladje maken; een eerste ontwerp maken; een ruwe schets; opzetje maken; (in grote lijnen) schetsen; ontwerpen; opstellen
下村shimomura Shimomura
下校gekou het uit school komen; het uit school terug naar huis gaan
下校するgekousuru uit school komen; uit school naar huis gaan
下検分shitakenbun voorafgaande inspectie
下水処理場gesuishyorijou rioolwaterzuiveringsstation; rioolwaterzuiveringsinrichting; afvalwaterzuiveringsinstallatie; rioolwaterverwerkingsstation; [verk.] waterzuiveringsstation; [verk.; Belg.N.] zuiveringsstation
下水管gesuikan rioolbuis; rioolpijp; afwateringsbuis; draineerbuis; afvoerbuis; loospijp; vuilpersleiding; smeerpijp
下水設備gesuisetsubi riolering; rioolstelsel; afwatering
下水道gesuidou afvoerkanaal; riool; afvoer; riolering; afwatering; rioolstelsel
下水gesui (1) afvalwater; vuil water; afvalslijk; (2) afwatering; goot; riool; (3) afwateringskanaal; kanalisering; kanaal; greppel
下沓 ; 襪shitouzu ceremoniële sokken
下流階級karyuukaikyuu lagere klasse; klassen; lagere stand; standen; mindere volk
下流karyuu (1) benedenloop; (2) [~に] stroomaf; stroomafwaarts; lager aan de rivier; (3) lagere klasse; klassen; lagere stand; standen; mindere volk
下流shimoryuu Shimo-school [= school binnen de theeceremonie die teruggaat op theemeester Yabunouchi 藪内]
下準備shitajunbi regeling vooraf; voorbereiding; voorafgaande schikkingen; grondwerk; voorbereidende werkzaamheden
下火shitabi (1) afnemend vuur; dovend vuur; (2) afname; vermindering; terugloop; het tanen; achteruitgang; teruggang; (3) ondervuur
下田町shimotamachi district Shimota [= voormalige wijk in de stad Nagahama 長浜; pref. Shiga]
下田町shimodamachi (1) district Shimoda [= wijk in de stad Shimoda; pref. Shizuoka]; (2) gemeente Shimoda [= voormalige gemeente in het kanton Kamikita 上北; pref. Aomori]
下田geden laagrenderend rijstveld
下田shimoda Shimoda
下町shitamachi (1) lagergelegen deel van een stad; benedenstad; [i.h.b.] zaken- en handelscentrum; [i.h.b.] volksbuurt; [i.h.b.] volkswijk; (2) [m.b.t. Edo; Tokio] Shitamachi [omvat de wijken Kyōbashi 京橋; Kanda 神田; Shitaya 下谷; Asakusa 浅草; Honjo 本所 en Fukagawa 深川]
下痢geri diarree; buikloop; loop; loslijvigheid; [spreekt.] dunne afgang; [volkst.] poeperij; [volkst.] schijterij; [vulg.] kakkerij; [vulg.] racekak; [vulg.] slingerschijt; [vulg.] spuit; [vulg.] spuitpoep; [gew.] treite
下痢するgerisuru diarree hebben; buikloop hebben; dun afgaan; aan de dunne zijn; [inform.] leeglopen; [vulg.] aan de kakkerij zijn; [vulg.] aan de schijt zijn; [vulg.] aan de schijterij zijn; [vulg.] aan de race zijn; [vulg.] aan de spuit zijn; [vulg.] aan de spuitpoep zijn; [volkst.] aan de poeperij zijn; [gew.] spellen
下相談shitasoudan vooroverleg; voorafgaand overleg; voorlopige; preliminaire besprekingen
下着shitagi ondergoed; onderkledingstuk; onderkleding; onderkleren; dessous; lijfgoed; [婦人用の] lingerie
下瞼shitamabuta [anat.] onderooglid; onderste ooglid; benedenste ooglid
下稽古shitageiko repetitie; proefoptreden; oefenvoorstelling
下稽古するshitageikosuru repeteren; oefenen; een repetitie houden
下積みshitazumi (1) onderste stapel; laag; onderlaag; bodem van een hoop; stapel; (2) onderklasse; lagere klasse; (3) de kleine man; mensen van de lagere klasse
下穿きshitabaki onderbroek; slip
下端katan (1) ondereind; ondereinde; benedeneind; benedeneinde; lagereind; lagereinde; onderkant; ondervlak; bodem; [ページ; 書物の] eind; onderrand; [帆柱の] hiel; hieling; voet; (2) [wisk.] ondergrens; minorante
下端shitaba ondereind; ondereinde; benedeneind; benedeneinde; lagereind; lagereinde
下等なkatouna inferieur; minderwaardig; laag; ordinair; gemeen; ~ van mindere kwaliteit
下等katou inferieur; minderwaardig; laag; ordinair; gemeen; van mindere kwaliteit
下級kakyuu lagere klasse; lagere rang
下級生kakyuusei student van een jonger jaar; jongerejaarsstudent; jongerejaars
下級裁判所kakyuusaibanshyo [jur.] lagere rechtbank
下線kasen onderstreping; streep
下腹shitahara (1) buik; [euf.] maag; [vulg.] pens; (2) onderlijf; onderbuik; (3) ingewanden; darmen
下船するgesensuru een schip verlaten; uit een schip gaan; debarkeren; van boord (van een schip) gaan; [Belg.N.] ontschepen
下草shitakusa (1) ondergroei; ondergewas; [i.h.b.] bodembedekker; (2) kreupelhout; (3) [fig.] onopvallende persoon; grijze muis; randfiguur
下落geraku val; daling; het zakken
下落するgerakusuru dalen; zakken; achteruitgaan; afnemen; minder worden; [価値が] in waarde verminderen; devalueren; depreciëren
下衆 ; 下種 ; 下主 ; 下司gesu (1) gemene; minne kerel; boer; kinkel; boerenkinkel; lomperd; lomperik; lummel; pummel; vlegel; [min.] proleet; [volkst.] hufter; [inform.] vlerk; [scheldw.] heikneuter; [veroud.] kleinhans; [gew.] kalf; [gew.] kneukel; (2) [verzameln.] lieden van laag allooi; lagere volksklassen; slecht volk; klootjesvolk; tuig; gemeen; plebs; gepeupel; gespuis; grauw; schorem; canaille; gajes; gebroed; janhagel; racaille; rapaille; tinnef; [Belg.N.] crapuul; [inform.] falderappes; (3) gemeen; laag; ordinair; min; plat; vulgair; grof; onbehouwen; boers; lomp; plebejisch
下衆な ; 下種な ; 下主な ; 下司なgesuna gemeen; laag; ordinair; min; plat; vulgair; grof; onbehouwen; boers; lomp; plebejisch
下衆の勘繰りgesunokanguri bekrompen achterdocht; kleinzielig wantrouwen
下見shitami (1) kijkje vooraf; voorafgaande inspectie; preview; voorbeschouwing; (2) het doorbladeren; (3) vernissage; avant-première; voorpremière; (4) lesvoorbereiding; (5) beschot; houten buitenbekleding
下見するshitamisuru (1) vooraf inspecteren; van tevoren bekijken; in voorvertoning zien; (2) doorbladeren; (3) z'n les voorbereiden
下記kaki [~の] onderstaand; volgend; navolgend; hieronder genoemd; nagenoemd; [~のとおり] als volgt; zoals hieronder geschreven is
下読みshitayomi voorafgaande lezing; het doornemen; voorbereiding
下読みするshitayomisuru voorafgaandelijk; van tevoren lezen; ter voorbereiding lezen; doornemen
下調べshitashirabe (1) vooronderzoek; (2) voorbereiding
下調べするshitashirabesuru (1) op voorhand onderzoeken; nagaan; voorafgaandelijk bestuderen; (2) voorbereiden
下請けshitauke (1) onderaanneming; onderaanbesteding; toelevering; (2) onderaannemer; toeleveringsbedrijf; toeleverancier
下請けするshitaukesuru uitbesteden; onderaanbesteden; outsourcen
下請会社shitaukegaishya onderaannemingsbedrijf; toeleveringsbedrijf; toeleverancier
下車geshya het uitstappen (uit een voertuig); het afstappen (uit een voertuig); het uitstijgen (uit een voertuig)
下車するgeshyasuru uitstappen [uit een voertuig]; afstappen [uit een voertuig]; uitstijgen [uit een voertuig]
下郎gerou (1) knecht; dienstknecht; huisknecht; lijfknecht; dienaar; bediende; (2) [min.] pummel; lul; lomperd; hufter; kinkel; boer
下部構造kabukouzou [marxistische fil.] onderbouw
下部kabu benedendeel; benedeneinde; ondereinde
下部gebu (1) benedendeel; (2) laatste; derde boekdeel; laatste; derde volume; slotdeel
下部shimobe dienaar; bediende; knecht; dienstbode
下野するgeyasuru (1) het staatsambt; rijksambt verlaten; uit overheidsdienst treden; naar het buitenambtelijk leven terugkeren; (2) de regering verlaten; tot de oppositie toetreden; de portefeuille neerleggen
下野geya (1) verlating van het staatsambt; rijksambt; uittreding uit overheidsdienst; terugkeer naar het buitenambtelijk leven; (2) het verlaten van de regering; toetreding tot de oppositie
下関kakan Xiàguān
下関shimonoseki Shimonoseki
下降kakou val; achteruitgang; daling; ondergang
下降するkakousuru achteruitgaan; zinken; vallen; ondergaan; afdalen
下院kain [pol.] Lagerhuis; [Nl.pol.] Tweede Kamer; [Belg.pol.] Kamer van Volksvertegenwoordigers; [Am.pol.] Huis van Afgevaardigden; [Fr.pol.] Assemblee; [Eng.pol.] Huis der Gemeenten; House of Commons; [Du.pol.] Bondsdag; [Ierse pol.] Dáil (Éireann)
下院議長kaingichou kamervoorzitter; [Eng.; Jap.pol.] voorzitter van het Lagerhuis; [Am.pol.] voorzitter van het Huis van Afgevaardigden
下顎kagaku onderkaak
下顎shitaago onderkaak
下馬するgebasuru (1) van z'n rijdier stijgen; afstijgen; afstappen; [veroud.] afklimmen; (2) afstijgen als eerbiedige begroeting van een notabele
下馬先gebasaki verplichte stopplaats voor ruiters
下馬評gebahyou losse; ongecontroleerde geruchten; onbevestigde berichten; praatjes
下馬geba (1) het van een rijdier stijgen; het afstijgen; (2) het afstijgen van z'n paard als eerbiedige begroeting van een notabele; (3) verplichte stopplaats voor ruiters; (4) slecht paard; knol; rossinant; gladakker; [gew.] kreng
下馬shitauma (1) [Edo-Jap.gesch.] als onderkledingstuk gedragen sobere kimono; (2) pand; onderpand; inleg; inbreng; (3) opportunisme; meeloperij; (4) opportunist; meeloper
下駄geta geta [= traditionele Japanse houten sandalen; kleppers]
下駄の雪getanoyuki ± iem. volgen; vergezellen als zijn schaduw; ± aan het handje lopen van iem.
下駄を預けるgetawoazukeru (1) de verantwoordelijkheid afschuiven; iem. met de verantwoordelijkheid opzadelen; de beslissing; afhandeling aan een ander overlaten; (2) de hete aardappel doorschuiven; iem. de zwartepiet toespelen
下駄箱getabako schoenenkast; schoenenrek
下高音kakouon (1) [muz.] tenor; (2) [veroud.] alt
ka onder [iemands leiding enz.]; onder [die en die omstandigheden enz.]
ge (1) lagere klasse; lagere stand; lagere graad; ondergeschiktheid; (2) minderwaardigheid; inferioriteit; (3) laatste volume; deel; band (van een boek); [i.h.b.] tweede band; volume van een tweedelig boek
shita (1) [adv.; loc.] beneden; [adv.; loc.] omlaag; [adv.; loc.] neer; [loc.] onder (aan); [m.b.t. trap enz.] voet; (2) [m.b.t. leeftijd] jonger (dan); [m.b.t. studiejaren] lager; beneden [de achttien jaar enz.]; (3) [attr.] ondergeschikte; [attr.] lagergeplaatste; [attr.] mindere; [i.h.b.] basis; [i.h.b.] achterban; (4) [abl.] meteen (toen); (5) voorbereidend ~; voorafgaand ~; preliminair; voor-
shimo (1) benedenloop (van een rivier); [loc.] stroomafwaarts; [i.h.b.] lager aan de rivier; (2) tweede; laatste helft; [m.b.t. tanka] laatste; tweede vershelft; laatste twee versregels; (3) lager deel; ondergedeelte; onderstuk; (4) onderbuik; schaamstreek; [i.h.b.] schaamdelen; [i.h.b.] geslachtsdelen; [i.h.b.] geslachtsorganen; [i.h.b.] edele delen; [i.h.b.] genitaliën; onderlijf; onderlichaam; [form.] abdomen; anogenitale regio; [meton.] kleine en grote boodschap; [euf.] natuurlijke behoeften; (5) mindere zitplaats; plaats onder aan de tafel; (6) ondergeschikte; mindere; lagere in rang; onderdaan; (7) [m.b.t. Kioto] Shimogyō; (8) [ton.; theat.] linkerkant van het toneel (gezien vanuit de zaal); jardin
moto (1) onder; (2) bij; (3) […のもとに] met; door
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.42 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 172 treffers (zoekopdracht: '下', strategie: exact). 
2005-2021