日蘭辭典+

13 resultaten voor 「出る」
日蘭辭典 (trefwoord)
akarumi明るみ
zn. (1) [公明] licht o. (2) [公開] openbaarheid v. ¶ 明るみに出す aan het licht brengen; openbaar maken; publiek maken. ¶ 明るみに出る aan het licht komen; bekend worden.
mizu
zn. water o.; koud water (冷) o.; overstrooming (洪) v. ¶ 流す in de doofpot doen. ¶ にする doen mislukken. ¶ の漏らない waterdicht. ¶ 道へ撒く de straat besproeien. ¶ をさす oneeningheid verwekken; kwaad bloed zetten. ¶ を堰く afdammen. ¶ 出る gezwollen zijn; overstroomen.
soto
zn. buitenkant m. ¶ buiten; buitenshuis. ¶ より見る door het raam naar buiten kijken. ¶ 食事する buitenshuis eten. ¶ 出る naar buiten gaan.
yūrei幽靈
(幽霊) zn. geestverschijning v.; geest m.; spook o. ¶ 幽靈の如き spookachtig. ¶ 幽靈火 dwaallichtje. ¶ 幽靈株 verwaterde aandeelen; overkapitalisatie; fictieve aandelen. ¶ 幽靈が出る spoken.
zn. geweld o. ¶ 暴に出る geweld gebruiken. ¶ 暴な gewelddadig; woest.
yoriより
vz. (1) [から] van; sedert; sinds. vw. (2) [比較] dan. ¶ より van nu af aan. ¶ より買ふ iets van iemand koopen. ¶ より二十まで van tien tot en met twintig. ¶ を出てより sinds wij uit het vaderland zijn weggegaan. ¶ よりビール好む meer van bier houden dan van ‘‘sake.’’ ¶ これより入るからず verboden toegang.
sensō戰爭
(戦争) zn. (1) [戰亂] oorlog m.; strijd m. (2) [戰鬪] slag m.; gevecht o. ¶ 戰爭する oorlog voeren; strijden; vechten; slag leveren. ¶ 戰爭中に in den oorlog; gedurende den strijd; al vechtende. ¶ 戰爭準備 toerusting tot den strijd; bewapening; voorbereiding tot den oorlog. ¶ 戰爭利益 oorlogswinst. ¶ 戰爭出る ten strijde trekken. ¶ 戰爭狂 oorlogspsychose. ¶ 戰爭好き oorlogszuchtig; krijgslustig.
uri
(売り) zn. verkoop m. ¶ 魚賣 vischboer. ¶ 玉子賣 eierboer. ¶ 賣に出す te koop zetten. ¶ 賣に出てゐる te koop zijn.
suke
SUPPLEMENT (trefwoord)
kanojo彼女
(1) zij; ze. ¶ 彼女kanojo no haar. ¶ 「あので考え事ができないわ」と、彼女はタイプライターを見つめながら言った。 ‘Ano oto de kangaegoto ga dekinai wa’ to, kanojo wa taipuraitā wo mitsumenagara itta. [het Japans is gebruikt als in een roman] ‘Ik kan niet nadenken met dat geluid’♀ zei ze terwijl ze naar de schrijfmachine staarde. (TTC)
(2) vriendin (persoon waarmee een man gaat of verkering heeft). ¶ 元カノ moto kano (spreektaal, afko.) ex-vriendin; z’n ex; m’n ex. ¶ 前カノ mae kano idem 元カノ. ¶ 今カノ ima kano (spreektaal, afko.) huidige vriendin; m’n huidige vriendin; z’n huidige vriendin. ¶ 彼女はカナダへいってしまった。 Boku no kanojo wa Kanada e itte shimatta. Mijn vriendin is naar Canada gegaan. ♂ (TTC) ¶

NB Gebruik van woord 彼女 kanojo begon in de Meiji periode (1868-1912) als equivalent voor het Engels ‘she’ (‘zij’). Het was een nieuw gevormde samenstelling van かの kano ‘die’ en 女 jo (vgl. 女子 joshi ‘vrouw; meisje’). Lange tijd bleef het gebruik ervan beperkt tot de schrijftaal. Hoewel het 彼女 kanojo tegenwoordig (1980-2009) ook voorkomt in de spreektaal is het nog steeds gebruikelijker om te verwijzen naar anderen met hun naam of titel (Miura:100). Het wordt niet gebruikt wanneer beleefdheid vereist is en heeft vaak een speciale (bijvoorbeeld seksuele) connotatie. Het navolgende is een voorbeeld van het herhalen van een naam of een titel op de plaats waar het Nederlands een persoonlijk voornaamwoord zou gebruiken: 母は教師です。母は毎朝8を出て、5に帰宅します。 Haha wa kyōshi desu. Haha wa maiasa hachiji ni ie wo dete, goji ni kitakushimasu. Mijn moeder is lerares. Ze vertrekt iedere ochtend om acht uur, en komt om vijf uur weer thuis. (lang-8) Zie ook kare.
-saseru, -seruさせる、せる
(achtervoegsel of hulpwerkwoord) Het achtervoegsel heeft de vorm van -sase na werkwoorden met een klinkeruitgang (dat zijn werkwoorden als 食べる tabe(ru), 見る mi(ru), 出る de(ru)) en de vorm van -ase na werkwoorden werkwoorden met een medeklinkeruitgang (werkwoorden als 呼ぶ yob(u), 知る shir(u)). Onregelmatige vormen: 来る kuru (wordt kosaseru) en する suru (wordt saseru). (Martin:287) (1) (causatief) Iets of iemand maken, dwingen, laten doen. ¶ みんな、も全力でフォローするこのイベントかならず成功させるぞ。 Minna, boku mo zenryoku de forōsuru. Kono ibento kanarazu seikōsaseru zo. Mensen, ik sta volledig achter jullie. We zullen dit evenement beslist tot een succes maken! (TTC) ¶ は冷蔵庫でミルクを凍らせた。 Watashi wa reizōko de miruku wo kooraseta. Ik heb melk in de koelkast laten bevriezen. (ADOBJG) (2) Toestaan te doen; laten doen. ¶ 子供遅くまでで遊ばせておくのはよくないですKodomo wo yoru osoku made soto de asobasete oku no wa yoku nai desu. Het is niet goed om de kinderen tot 's avonds laat buiten te laten spelen. (BJED)
mukeikaku無計画
(zn., -na adj.) zonder plan; klakkeloos; ondoordacht; willekeurig. ¶ 自分の無計画さに腹立ててる Jibun no mukeikakusa ni haradatete’ru Ik wordt boos om m’n ondoordachtheid. (twitter) ¶ 無計画で描いた。 なんだこりゃ Mukeikaku de egaita. Nan da korya Zonder plan getekend. Wat is dit? (twitter) ¶ 遠くにに出てみよう!あえて無計画に! Tōku ni tabi ni dete miyō! Aete mukeikaku na tabi ni! Laten we een verre reis maken! Gewaagd zonder plan op reis! (twitter)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <出る>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
出る deru (1) naar buiten gaan; naar buiten komen; zich vertonen; uitbreken; uitgaan; uitkomen; verlaten; vandaan gaan (bij); vertrekken; [m.b.t. boot] afvaren; [i.h.b.] afstuderen (aan); [i.h.b.] aftrek vinden; weggaan; (2) verschijnen; opkomen; voor de dag komen; opduiken; te voorschijn komen; zich voordoen; rijzen; voorkomen; [aan de telefoon enz.] komen; [m.b.t. zon] opgaan; rijzen; doorkomen; [m.b.t. bloemknoppen enz.] uitkomen; uitlopen; [i.h.b.] ontdekt worden; [m.b.t. geesten, spoken] waren; (3) uitsteken; naar buiten steken; opsteken; uitspringen; oprijzen; (4) bijwonen; aanwezig zijn bij; gaan naar; deelnemen aan; meedoen aan; [voor het gerecht enz.] verschijnen; in [zaken; het bedrijfsleven; de politiek enz.] gaan; (5) [m.b.t. wegen] leiden naar; voeren naar; uitkomen op; tegenkomen; bereiken; aantreffen; vinden; stuiten op; (6) te buiten gaan; overschrijden; gaan over; passeren; (7) ontspruiten (aan); komen uit; voortkomen (uit); voortspringen uit; ontstaan uit; beginnen; ontspringen; ontsnappen; [fig.] opwellen; [lit.t.] ontwellen; zijn oorsprong ontlenen aan; zijn oorsprong vinden in; teruggaan op; afstammen van; afkomen van; stammen uit; voortspruiten uit; (8) verschijnen; uitkomen; uitgegeven worden; gepubliceerd worden; [i.h.b. de pers enz.] halen; (9) krijgen; verkrijgen; [arch.] bekomen; [m.b.t. gerecht] opgediend worden; geserveerd worden; [m.b.t. bedrag, premie] uitgekeerd worden; (10) 10. toenemen; rijzen; [m.b.t. wind] opsteken; aanwakkeren; [m.b.t. snelheid] optrekken; (11) 11. zich … gedragen; een … houding nemen; (12) 12. [m.b.t. thee] trekken
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.4 sec. jiten.nl: 12 treffers, warandict: 1 treffer (zoekopdracht: '出る', strategie: exact). 
2005-2019