日蘭辭典+

160 resultaten voor 「御」
日蘭辭典 (trefwoord)
shitagau從ふ
(従う) i.w. (1) [降服] gehoorzamen. t.w. (2) [追隨] volgen; i.w. meegaan met. t.w.(3) [隨行] vergezellen. (4) [從事] uitoefenen. ¶ 規則に從ふ voorschriften opvolgen; zich houden aan de regels. ¶ 大勢に從ふ met zijn tijd meegaan. ¶ 硏究從ふ onderzoek houden. ¶ の説に從へば volgens uwe meening. ¶ 決定に從ひます ik onderwerp me aan uwe beslissing.
dōmoどうも
bw. zeer; hoe zeer; hoe. ¶ どうも困った wat is dat onaangenaam! ¶ どうも親切 hoe vriendelijk van u! ¶ どうも吹くね wat waait het hard!
shusseki出席
zn. tegenwoordigheid v.; aanwezigheid v. ¶ 出席する bijwonen; tegenwoordig zijn; deelnemen. ¶ 出席簿 lijst der aanwezigen; presentielijst. ¶ 出席者 aanwezigen; deelnemers. ¶ 何卒出席被下度 ik verzoek u wel tegenwoordig te willen zijn.
TEKST EN UITLEG
over:o- en go-「御」について
(prefix) het voorvoegsel 御 kan uitgesproken worden als o of als go. In het eerste geval (o-) betreft het meestal woorden die van oorsprong Japans zijn (大和言葉 Yamato kotoba). o- kan voor de meeste zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden worden gebruikt. Belangrijke uitzonderingen waarvoor o- niet wordt gebruikt zijn (i) zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden die met o beginnen (ii) lange woorden als ほうれん草 hōrensō ‘spinazie’ (iii) de meeste buitenlandse woorden (maar weer wel onder andere: おビール o-biiru ‘bier’; おタバコ o-tabako ‘tabak; sigaretten’, おズボン o-zubon ‘broek’, d.w.z. woorden die al zeer lang deel zijn van de spreektaal). In het geval van go- gaat het meestal om zelfstandige naamwoorden die gevormd zijn naar het Chinees (漢語 kango, dikwijls gevolgd door する suru), maar dan weer niet wanneer die woorden te zeer spreektaal zijn (denk aan お肉 o-niku ‘vlees’; お電話 o-denwa ‘telefoon’, etc.). In modern Japans wordt het voorvoegsel vaak in kana geschreven. De betekenis wisselt afhankelijk van de context en de gebruikte werkwoordsvormen en constructies. (1) beleefdheid of respect. ¶ お早うございま。 o-hayō gozaimasu. Goedemorgen. ¶ お疲れさまです。 o-tsukaresama desu. [een groet naar werkenden, ook onder collega’s] (afhankelijk van de context) Werk ze; Werk ze nog. ¶ お手紙をありがとうございました。 o-tagami wo arigatō gozaimashita. Hartelijk dank voor uw brief. (2) eerbied of ondergeschiktheid tonen. (2) お待たせいたしました。 o-matase itashimashita. Dank u wel voor het wachten. 明日お電話をさしあげます。 myōnichi o-denwa wo sashiagemasu. Morgen zal ik u bellen. (3) vertrouwdheid, voor meisjesnamen.

NB bij sommige woorden is het voorvoegsel vrijwel verplicht geworden; bij andere is het deel van de betekenis.

(Drohan,ADOBJG)


SUPPLEMENT (trefwoord)
omedetō gozaimasuおめでとうございます
Deze uitdrukking is breed inzetbaar als ‘gefeliciteerd’. Je kunt het zelfstandig gebruiken of met verwijzing naar hetgeen waarmee je de ander feliciteert. Het is tegenwoordig (2008) gebruikelijk om de frase te spellen in hiragana (in plaats van met een of meer kanji; Vgl. お目出度う御座います). ¶ 誕生日おめでとう tanjōbi omedetō (informeel) gefeliciteerd met je verjaardag. ¶ お誕生日おめでとうございます otanjōbi omedetō gozaimasu (formeel) hartelijk gefeliciteerd; gefeliciteerd met uw verjaardag. ¶ 御結婚おめでとうございます gokekkon omedetō gozaimasu gefeliciteerd met uw trouwdag. ¶ 赤ちゃんがお生まれになって、おめでとうございます akachan ga o-umare ni natte, omedetō gozaimasu gefeliciteerd met de baby! ¶ 新年明けましておめでとうございます shinnen akemashite omedetō gozaimasu gelukkig nieuwjaar! 新年おめでとうございます shinnen omedetō gozaimasu gelukkig nieuwjaar!
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <御>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
御…になるo…ninaru [hon.] [tangconstructie; met RYK tussenin; die van het grondwoord een sonkeigo maakt]
御上様okamisama (1) zijn; uw echtgenote; zijn; uw vrouw; (2) mevrouw; [Belg.N.; spreekt.] madam
御下げosage (1) haarvlecht; vlecht; staartvlecht; staart; staartje; (2) osage-knoop [= knoop in een damesobi met afhangende uiteinden]
御下賜金担当官gokashikintantoukan grootaalmoezenier
御世話 ; お世話osewa (1) hulp; bijstand; steun; (2) dienst; bemiddeling; interventie; tussenkomst; (3) last; overlast; moeite; inspanning; zorg; beslommering; (4) het dagelijks leven; de dagelijkse beslommeringen in het leven
御世話する ; お世話するosewasuru (1) helpen; bijstaan; ondersteunen; een helpende hand bieden; (2) een dienst verlenen; een dienst bewijzen; bemiddelen; bemiddeling verlenen; interveniëren; (3) zorg dragen voor; zorgen voor; toezien op; moeite doen voor; onder zijn hoede hebben
御世辞oseji vleiende opmerking; woorden; compliment; vleierij; vleitaal; gevlei; beleefdheden
御中onchuu de heren
御主人 ; ご主人goshyujin (1) echtgenoot; man; huwelijkspartner; (2) gezinshoofd; het hoofd van een huishouden; huisvader; pater familias ; (3) gastheer; gastvrouw; heer des huizes; vrouw des huizes; (4) werkgever; persoon die werkkrachten in dienst heeft; baas; chef; meerdere; (5) uitbater; eigenaar; winkelier; winkelhouder; hotelhouder; waard; kastelein
御主oshyuu [hoff.] heer des huizes; meester
御主onushi jij; je
御主onoshi (1) jij; je; (2) zichzelf
御乳母日傘onbahikarakasa [lett.] zoogster en parasol [= een kind met de beste zorgen grootbrengen]; ± in de watten leggen
御仕舞いoshimai (1) [hoff.] einde; slot; afloop; afsluiter; (2) ondergang; verdoemenis; (3) afdoening; afhandeling; beslag; regeling
御代わりokawari tweede portie; nog een portie; bord; glas; kop enz.
御代わりするokawarisuru nog eens opscheppen; nog eens bijvullen
御休みなさいoyasuminasai slaap lekker; slaap zacht; goede nacht; welterusten; [inform.] trusten; [Belg.N.] slaapwel
御伽噺otogibanashi (1) bakersprookje; sprookje; vertelling; vertelsel; fabel; (2) verzinsel; sprookje
御供えosonae offergave; offer; offerande; offergift; [i.h.b.] rijstedeegballetje als offer
御供えするosonaesuru offeren; als offer brengen
御先にosakini (1) na u; jou; ga je gang maar; gaat u voor; (2) excuseer dat ik er even langs wil; neem me niet kwalijk dat ik het eerst ga; vertrek
御免 ; ご免gomen (1) (uw) vergiffenis; (uw) vergeving; (uw) pardon; (uw) kwijtschelding; (2) het weigeren; weigeren; het afwijzen; afwijzing; (3) (uw) permissie; (uw) verlof; (uw) toestemming; (uw) instemming; (4) (uw) licentie; (uw) vergunning; (uw) concessie
御免だgomenda (1) mij niet gezien!; dank je feestelijk!; uitgesloten!; geen sprake van!; geen denken aan!; daar komt niets van in!; daar wil ik niets mee te maken hebben!; daar pas ik voor!; dat gaat me te ver!; (2) het bevalt me niet; ik hoef het niet; het staat me niet aan; het lijkt me niets; ik heb er genoeg van; ik ben het spuugzat
御免なさい ; ご免なさいgomennasai Vergeef mij; Neem me niet kwalijk; Excuseer me; Pardon; Sorry; Het spijt me
御免下さいgomenkudasai (1) [wanneer men bij iem. aanklopt] hallo!; volk!; is hier iemand?; kan ik binnenkomen?; mag ik even storen?; (2) [bij het afbreken van een telefoongesprek] tot wederhorens; tot ziens; dáág; (3) [i.h.a.] sorry!; neem me niet kwalijk!; pardon!
御八つoyatsu hapje (tussendoor); tussendoortje; (iets) lekkers; snack [tussen middag- en avondmaal; na schooltijd]; versnapering; [i.h.b.; Belg.N.] vieruurtje; goûter
御出でoide (1) vertrek; (2) komst; bezoek; (3) aanwezigheid; verblijf; (4) [shintoïsme] overbrenging van het draagschrijn naar een tijdelijke bestemming; ± translatie; (5) ga; (6) kom; (7) blijf; (8) […ておいで] [drukt een honoratief bevel uit]
御出でなさるoidenasaru (1) [honoratieve variant van iku] gaan; vertrekken; zich begeven; (2) [honoratieve variant van kuru] komen; arriveren; (3) [honoratieve variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; blijven; (4) [honoratieve variant van …teiru]
御出でになるoideninaru (1) [尊敬語] gaan; vertrekken; zich begeven; heengaan; (2) [尊敬語] komen; aankomen; arriveren; (3) [尊敬語] zijn
御出掛け ; お出掛け ; お出かけodekake uw vertrek; uw afreis; uw uitgaan; uw naar buiten gaan [honorifieke term (sonkeigo 尊敬語)]
御刺身osashimi (1) [cul.] sashimi; (2) kus; zoen
御前 ; お前omae [spreekt.; inf.] jij; je; [gew.] gij; [gew.] ge
御前達omaetachi (1) hofdames; hofjonkvrouwen; hofjuffers; eredames; (2) u; jullie
御化けobake (1) geest; spook; (2) monster; gedrocht; (3) [fig.] monster; iets buitensporig groots; (4) lompen; kapotte kleding; (5) clandestien gedrukte almanak; [meton.] venter van clandestiene almanakken; (6) [dierk.] heremietkreeft; heremiet; kluizenaarskreeft; Pagurus; (7) haardracht van vrouwen uit de Keihan-streek met oudejaar; setsubun; [i.h.b.] Japanse haardracht; haarwrong bij jonge vrouwen
御名前onamae (1) naam; voornaam van een hooggeplaatst persoon; (2) uw naam
御呉れるokureru (1) geven; verlenen; (2) […ておくれ] [drukt een verzoek uit]
御喋りoshyaberi (1) gepraat; gekeuvel; gekout; gebabbel; geklets; kletspraatje; babbel; babbeltje; beuzelpraatje; geleuter; (2) praatziek persoon; prater; babbelkous; kletsmajoor; kletser; kletstante; kletsmeier; klapekster; kwek
御喋りするoshyaberisuru (gemoedelijk) praten; keuvelen; kouten; babbelen; kletsen; leuteren; kwekken; klessebessen
御回りomawari (1) [hofdamesjargon] bijgerecht; (2) [同心; 目明し; 医者の] ronde; rondgang; (3) groepsverkrachting; gangbang; (4) draai; [commando voor honden] draai!
御土産omiyage (1) souvenir; reissouvenir; herinnering (aan zijn verblijf); aandenken; gedachtenis; keepsake; (2) geschenk; cadeau; [i.h.b.; veroud.] welkomthuis
御坊さんobousan (1) [als aanspreekvorm] eerwaarde; weleerwaarde heer; mijnheer de bonze; (2) [als aanspreekvorm] jongeman; jongen; jongetje; kereltje; jochie; ventje; mannetje; ventje-lief; knul; (3) broekje; groentje; melkmuil; snotjongen
御坊gobou (1) [boeddh.] tempelvertrekken; [i.h.a.] tempel; (2) [boeddh.] geestelijke; eerwaarde; (3) Gobō [= stad in het westen van de pref. Wakayama]
御大事に ; お大事にodaijini pas goed op uw gezondheid; zorg goed voor uzelf; het beste (met uw verkoudheid enz.)
御夫妻gofusai [form.] de heer en mevrouw …; het echtpaar
御好焼okonomiyaki (1) [cul.] soort hartige pannenkoek gegarneerd met garnalen; inktvis; rundvlees; groenten e.d.; (2) restaurant gespecialiseerd in okonomiyaki
御姫様ohimesama (1) freule; lady; prinses; (2) onschuldig meisje; (3) rijststijfsel; rijstlijm
御婆さんobaasan oude vrouw; oudje; besje
御嬢様ojousama (1) juffrouw; miss; jongedame; signorina; señorita; [veroud.] mejuffer; [afk.] mej.; (2) uw dochter; (3) mejuffrouw; juffrouw; mylady
御子oko (1) [hon.] (uw) kind; (2) meisje (van plezier); (3) mens; persoon
御子miko (1) godenkind; kind van een god; (2) keizerskind; keizerlijke nazaat; kind van een keizer; (3) Keizerlijke Hoogheid; prins van den bloede; (4) [hon.] (uw) kind; (5) [chr.] Gods Zoon; Zoon van God [= Jezus Christus]
御存じ ; 御存知 ; ご存じ ; 御存gozonji (1) het weten; kennis; besef; bewustzijn; wetenschap; (2) bekende; kennis; relatie; iemand met wie men regelmatig omgaat; (3) het weten; het kennis hebben van; het kennis dragen van; het bekend zijn met; het op de hoogte zijn van; het kennen
御宅otaku (1) uw huis; uw thuis; uw woning; uw adres; (2) uw gezin; (3) uw echtgenoot; uw man; de heer des huizes; (4) u; jij; je; [Belg.N.] gij; [Belg.N.] ge
御守りomamori amulet; talisman; gelukaanbrenger
御家人gokenin (1) [Heian-periode] vazal; leenman; (2) [Kamakura-periode] directe shogunale vazal; (3) [Edo-periode] directe shogunale vazal van lagere rang
御宿りonyadori [form.] ontvangenis; conceptie
御巡りomawari politieman; politieagent; agent van politie; diender; [inform.] smeris; [inform.] flik; [gew.] tuut; [volkst.] kip
御帰館gokikan [scherts.] terugkeer naar huis en haard; terugkomst in eigen woning; thuiskomst in de schoot van het gezin
御幣†onbei witte strookjes papier die als shintoïstisch symbool aan boomtakjes of aan het altaar van een heiligdom bevestigd worden
御幣gohei witte strookjes papier die als shintoïstisch symbool aan boomtakjes of aan het altaar van een heiligdom bevestigd worden
御座いますgozaimasu (1) [werkwoordelijke hoffelijkheidsvariant van aru] zijn; zich bevinden; hebben; (2) [hulpwerkwoordelijke hoffelijkheidsvariant van aru]
御座しますowashimasu (1) [honoratieve variant van aru en iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (2) [honoratieve variant van aru] hebben; bezitten; beschikken over; disponeren over; (3) [honoratieve variant van iku] gaan; vertrekken; zich begeven; (4) [honoratieve variant van kuru] komen; arriveren; (5) [honoratieve variant van …てある en …ている
御座すowasu (1) [honoratieve variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (2) [honoratieve variant van aru] hebben; bezitten; beschikken over; disponeren over; (3) [honoratieve variant van iku] gaan; vertrekken; zich begeven; (4) [honoratieve variant van kuru] komen; arriveren; (5) […~] [honoratieve variant van dearu]; (6) […~] [honoratieve variant van aru (continuïteit) of van iku; kuru (verloop; overgang)]
御座るgozaru (1) [honoratieve variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (2) [honoratieve variant van aru] zijn; zich bevinden; bestaan; hebben; liggen; gelegen zijn; staan; (3) [honoratieve variant van iku en kuru] gaan; komen; zich begeven; (4) [hoffelijkheidsvariant van aru] zijn; hebben; (5) gaan houden van; verliefd worden; (6) bederven; slecht worden; rotten; (7) [腹が~] honger krijgen; trek krijgen; (8) [hoffelijkheidsvariant van aru; iru] zijn; hebben
御座所gozashyo privévertrek (van een keizer; edelman); particulier vertrek van een vorst; keizerlijke appartementen; vertrekken; zitkamer
御強請りonedari [hoff.] geschooi; gefleem; gebedel; flemerij; vleiend vragen; aftroggelarij
御弾きohajiki (1) soort knikkerspel voor meisjes; (2) soort knikker gemaakt van glas; porselein; steen; schelp of plastic
御御籤 ; 御神鬮 ; 御神籤omikuji voorspellingspapiertje; voorspellingsbriefje; orakelbriefje
御意gyoi (1) [hon.] (uw) gedachte; mening; inzicht; intentie; goeddunken; wil; wens; (2) [hon.] (uw) instructie; aanwijzing; bevel; (3) tot uw orders!; zoals u wenst; zoals u wil; (4) juist!; precies!; inderdaad; net wat u zegt; gelijk heeft u!
御所goshyo (1) keizerlijk paleis; keizerlijke residentie; [meton.] keizer; (2) paleis; residentie van een lid van de keizerlijke familie; [meton.] bewoner van voornoemd paleis; hofaristocratie; hofadel; (3) verblijf; paleis van een shogun of minister; [meton.] shogun; minister; (4) [Edo-periode] klooster; convent waar een keizerlijke prinses ingetreden is; (5) gosho-kleuring; (6) gosho-kapsel
御手前 ; 御点前 (bet. 3)otemae (1) kost; kostwinning; levensonderhoud; onderhoud; (2) talent; bekwaamheid; vaardigheid; capaciteit; (3) [m.b.t. theeceremonie] etiquette; protocol; ceremonieel; ceremoniële handelingen; procedure; (4) jij [gebruikt sedert de Muromachi-periode door samurai jegens een gelijke of iem. iets minder in rang]
御手洗い ; 御手洗 ; お手洗い ; お手洗otearai (1) het wassen van de handen [honorifieke term (sonkeigo 尊敬語)]; (2) water om de handen te wassen [honorifieke term (sonkeigo 尊敬語)]; (3) waskom; wasbak; wastafel [honorifieke term (sonkeigo 尊敬語)]; (4) toilet; wc; plee; privaat; retirade [honorifieke term (sonkeigo 尊敬語)]
御手玉otedama zakje met bonen [als meisjesspeelgoed gebruikt]
御握りonigiri rijstballetje
御新造goshinzou vrouw des huizes; meesteres; mevrouw; echtgenote
御昼 ; お昼ohiru (1) het ontwaken; het wakker worden; het uit de slaap bijkomen [honorifieke term (sonkeigo 尊敬語)]; (2) dag; daglicht [honorifieke term (sonkeigo 尊敬語)]; (3) middag; noen; het midden van de dag [honorifieke term (sonkeigo 尊敬語)]; (4) middagmaal; middageten; lunch [honorifieke term (sonkeigo 尊敬語)]
御時oontoki keizerlijk bewind; keizerlijke regeerperiode; regeringstijd
御業miwaza (1) [boeddh.] eredienst; dienst; (2) roemvolle daden
御機嫌gokigen humeur; stemming; temperament; gemoedsgesteldheid
御機嫌伺いgokigenukagai (1) beleefdheidsbezoek; vormelijk bezoek; opwachting; (2) vleierij; pluimstrijkerij; stroopsmeerderij
御欠okaki [cul.] gedroogd dun rijstedeegplakje
御歳暮oseibo eindejaarscadeau; eindejaarsgeschenk
御殿場gotenba (1) [kabuki; jōruri] paleisscène; hofscène; (2) Gotenba
御殿goten (1) paleis; kasteel; villa; (2) Seiryōden; woonpaleis [= paleis op het keizerlijk domein te Kioto met de privévertrekken van de keizer]; (3) hoofdhal van een shintoïstisch heiligdom; (4) kamenier; staatjuffer
御殿miaraka [hon.] paleis
御母様 ; お母様 ; お母さまokaasama moeder [honorifieke term]
御消息goshyousoku (1) nieuws; tijding; bericht; brief; (2) [jōdoshinshū-boeddh.] patriarchale brief
御湿oshime luier; luur; doek; windel; windsel; [i.h.b.] pamper
御無沙汰 ; ご無沙汰gobusata nalatigheid om te schrijven; nalatigheid om te bezoeken; nalatigheid om een bezoek te brengen
御無沙汰する ; ご無沙汰するgobusatasuru nalaten om te schrijven; nalaten om te bezoeken; nalaten om een bezoek te brengen
御父様 ; お父様 ; お父さまotousama vader; pa; papa [honorifieke term (sonkeigo 尊敬語)]
御玉杓子otamajakushi (1) scheplepel; opscheplepel; pollepel; (2) [dierk.] dikkopje; kikkervisje; kikvorslarve; donderkop; donderpad; [inform.] kwakbol; [gew.] puihoofd; (3) [muz.] noot op partituur
御用goyou (1) [hoff.] iemands zaken; zaak; het benodigde; bestelling; wat iemand nodig heeft; (2) officiële zaken; opdracht; overheidsopdracht; [Jap.gesch.] hofzaken; (3) [Edo-periode] arrestatie; arrest; [als uitroep] u staat onder arrest!; halt in de naam der wet!; (4) dienst; het ten dienste staan van het regime; de overheid; (5) [hand.] loopjongen (die bij klanten bestellingen opneemt); loopknecht; bezorger; commis-voyageur
御用始めgoyouhajime de eerste werkdag; kantoordag van het nieuwe jaar; werkhervatting na de nieuwjaarsvakantie
御用掛goyougakari hofdignitaris; hofmedewerker; kroonbeambte
御用納めgoyouosame de laatste werkdag; kantoordag van het jaar; afronding van de werkzaamheden van het oude jaar [ca. 28 december]
御田oden [cul.] oden [traditioneel in de winter gegeten stoofpot; hutsepot van tofoe; aardappelen; hardgekookte eieren; visworst; konjak en daikon; bereid in een bouillon van sojasaus; suiker en zoete sake]
御田mita (1) [Jap.gesch.] rijstveld dat een heiligdom toebehoort; (2) [pre-Taika] keizerlijk rijstveld; (3) [ritsuryō] staatsveld; rijstveld in overheidsbeheer
御目出度omedeta heuglijke; grote; blijde gebeurtenis; [i.h.b.] huwelijk; zwangerschap; geboorte; bevalling
御目玉omedama uitbrander; standje; schrobbering; reprimande; douw; terechtwijzing; berisping; hartig woordje; oorwassing; [Belg.N.] bolwassing; roffeling; roffel; brommer; [volkst.] rapplement; [volkst.] verschutting; [volkst.] sjar; sjars; sjas; [fig.] mussenverschrikker; [veroud.] uitpitter; [niet alg.] aflakker; [vulg.] uitschijter; [Barg.] bekattering; [gew.] schrob; [gew.] zwanenei
御目玉を食うomedamawokuu een uitbrander; standje; douw krijgen; de wind van voren krijgen; z'n vet krijgen; ervanlangs krijgen; berispt worden; op het matje komen; op z'n kap; kas krijgen; [scherts.] voor de billen krijgen; het op de kneukels; vingers krijgen; [scherts.] voor z'n gat krijgen; [Belg.N.] onder z'n voeten krijgen; [Belg.N.] een sigaar krijgen; [Ind.N.] op ’t stoepje moeten komen; [Ind.N.] op ’t stoepje geroepen worden; een katje krijgen; op z'n lazer; duvel; lever krijgen; knorren krijgen; een brommer krijgen; [volkst.] voor zeven stuivers krijgen; [gew.] brommes krijgen; [gew.] een pof krijgen; [gew.] over z'n schalen krijgen
御目見得omemie (1) audiëntie; onderhoud; (2) debuut; eerste optreden; (3) proef
御礼 ; お礼orei (1) groet; begroeting; buiging; (2) beleefdheid; etiquette; hoffelijkheid; goede manieren; goede omgangsvormen; (3) ceremonie; rite; ritus; (4) dankbetuiging; dankwoord; bewijs van erkentelijkheid; uiting van dankbaarheid; (5) vergoeding; beloning; honorarium; betaling; (6) tegengeschenk; contrabeleefdheid; beantwoording van een beleefdheid; (7) tegenbezoek; contravisite; contrabezoek
御祓いoharai shintoïstisch zuiveringsritueel
御祖母さんobaasan grootmoeder; grootmoe; grootmama; grootma; oma; [inform.] grootje
御神輿omikoshi (1) keizerlijke draagstoel; palankijn; (2) [rel.] shintoïstisch draagschrijn; ± ark; (3) lende; heup; achterste; gat
御神酒 ; 大御酒omiki (1) offersake; (2) [scherts.] sake
御箸ohashi hashi; Japanse eetstokjes
御節介osekkai (1) bemoeizucht; bedilzucht; regelneverij; regelzucht; overgedienstigheid; (2) bemoeial; moeial; bedilal; albedil; bediller; bedilgeest; regelneef; (3) bemoeiziek; bedilziek; bedillerig; indringerig; opdringerig; overgedienstig
御節介屋 ; お節介屋 ; おせっかい屋osekkaiya nieuwsgierig aagje; snuffelaar; bemoeial
御簾misu bamboejaloezie
御粧omekashi (1) het zich opkleden; uitdossen; optooien; (2) opgekleed; uitgedost; opgetooid; opgeprikt iemand
御粧するomekashisuru zich opkleden; zich uitdossen; zich optooien; zich optuigen
御絞りoshibori heet vochtig doekje
御者gyoshya koetsier; voerman; wagenmenner; menner
御者座gyoshyaza [astron.] Voerman; Wagenman; Auriga
御自分gojibun (1) zelf; in hoogsteigen persoon; hoogstpersoonlijk; (2) [veroud.] u; gij; jij
御苦労様gokurousama (1) bedankt voor de moeite; dank voor uw moeite; dank je voor de moeite [uitdrukking om ondergeschikten of professionele dienstverleners te bedanken]; (2) dat was hard werk; dat was lastig werk; goed gewerkt [compliment waarmee het werk van anderen; inclusief superieuren; welwillend bejegend wordt]
御茶 ; お茶ocha (1) thee; (2) groene thee; (3) theeceremonie
御茶を濁すochawonigosu (1) zich behelpen; z'n plan trekken; (2) een slag om de arm houden; zich op de vlakte houden; (3) tijd rekken; proberen tijd te winnen; talmen; temporiseren; uitvluchten zoeken
御菓子 ; お菓子okashi (1) zoetigheid; snoep(je); snoepgoed; zoete lekkernij; lekkers; bonbon; (2) gebak; banket; taart; cake; taartje; gebakje; pasteitje; [Belg.N.; spreekt.] pateeke; (3) koekje; koek; biscuit; kaakje
御虎子omaru (1) ondersteek; steek; steekbekken; [gew.] beddenpan; bedpan; [gew.] steekpan; slof; kamerpot; kamerpo; pot de chambre; nachtpot; nachtpo; nachtspiegel; vase de nuit; [Belg.N.] nachtemmer; piespot; pispot; miegpot; waterpot; po; pot; (2) [hofdamesjargon] middel; taille; lende; heup; (3) [hofdamesjargon] knoedel; meelballetje
御袋ofukuro (1) moeder; mamma; mama; mam; (2) oude vrouw; oudje
御襁褓omutsu luier; luur; doek; windel; windsel; [i.h.b.] pamper
御見舞 ; お見舞omimai (1) inspectie; keuring; controle; inspectieronde; ronde; rondgang; (2) bezoek; visite; (3) vriendelijke vraag; vriendelijke informatie naar de toestand van een persoon die ziek is of van een persoon die een verlies of een tegenslag geleden heeft; (4) ziekenbezoek; sympathiebetuiging; opbeurend bezoek; bezoek; visite aan een persoon die ziek is of aan een persoon die een verlies of een tegenslag geleden heeft; (5) sympathiebetuigende brief; sympathiebetuigende wenskaart; sympathieke; opbeurende brief of wenskaart aan een persoon die ziek is of aan een persoon die een verlies of een tegenslag geleden heeft
御覧goran (1) [hon.] kijkje; bezichtiging; bekijken; kijken; lezen; doornemen; zien; (2) kijk!; zie!; (3) [hon.] […て御覧] probeer eens …
御覧なさいgorannasai (1) kijk!; zie!; (2) [drukt een beleefd bevel uit wanneer aangesloten op de constructie ren'yōkei + te て]
御覧になる ; ご覧になるgoranninaru (1) zien; aankijken [Dit werkwoord is de honorifieke vorm (sonkeigo 尊敬語) van miru 見る.]; (2) bekijken; aanschouwen [Dit werkwoord is de honorifieke vorm (sonkeigo 尊敬語) van miru 見る.]
御託gotaku (1) zelfingenomen geleuter; opschepperij; gewichtigdoenerij; wichtigmacherei; dikdoenerij; drukdoenerij; windmakerij; gezwets; gelul; gezever; gezwam; woordenkramerij; woordenkraam; pretentieus gepraat; (2) gezeur; gezanik; gemekker; gemopper; gekanker
御負けomake (1) aanbieding; promotie; iets extra's; extraatje; bonus; douceurtje; toegift; [Belg.N.] toemaatje; (2) prijsreductie; prijsvermindering; korting; afslag; reductie; (3) overdrijving; grootspraak; hoogdravendheid; bombast; bluf; gepoch; ophakkerij; ostentatie; (4) vleierij; gevlei
御負けにomakeni en bovendien; daarenboven nog; en; met daarbij nog; op de koop toe; en wat nog belangrijker is; en daarbij; daarboven komt nog (dat); daar komt nog bij (dat); tot overmaat van ramp
御足oashi geld; centen; duiten; [i.h.b.] muntgeld
御転婆otenba vrijpostige; vrijgevochten; brutale; stoute; onbesuisde; ontembare meid; brutaaltje; ondeugd; nest; katje; wildebras; robbedoes; spring-in-'t-veld; wildzang; wilde kraai van een meid
御転婆するotenbasuru [m.b.t. meisje] zich misdragen; wild zijn; onstuimig zijn; vrijpostig zijn; vrijgevochten zijn; brutaal zijn; stout zijn; ondeugend zijn; uitgelaten zijn; onbesuisd zijn
御転婆なotenbana [m.b.t. meisje] vrijpostig; vrijgevochten; brutaal; stout; ondeugend; wild; uitgelaten; onstuimig; onbesuisd
御辞儀ojigi (1) buiging; diepe buiging; groet; begroeting; beleefdheid; (2) het niet aannemen; verontschuldiging; weigering; afwijzing
御辞儀する ; お辞儀するojigisuru (1) buigen; diep buigen; groeten; begroeten; (2) niet aannemen; zich verontschuldigen; van de hand wijzen; afwijzen; weigeren
御造作 ; 御雑作gozousa (1) bedankt voor het onthaal; bedankt voor de gastvrijheid; bedankt voor het lekkere eten; (2) bedankt voor de (genomen) moeite
御針ohari (1) naaiwerk; naaldwerk; het naaien; stikwerk; (2) naaister; stikster; coupeuse; [i.h.b.] modinette; midinette; [gew.] naaisteregge
御針子ohariko naaister; stikster; coupeuse; [i.h.b.] modinette; midinette; [gew.] naaisteregge
御門mikado mikado; Japanse keizer
御陰でokagede dankzij; te danken aan; te wijten aan; toe te schrijven aan; door (toedoen van); wegens; vanwege
御陰様 ; お陰様okagesama door uw toedoen; dankzij u; dankzij uw hulp; dankzij uw gunst [honorifieke term]
御陰様でokagesamade dankzij u ~; bedankt dat ~; gelukkigerwijs ~
御雪miyuki (1) [form.] sneeuw; (2) [i.h.b.] dik pak sneeuw
御飯gohan (1) gekookte rijst; gestoomde rijst; (2) maaltijd; maal
御飾りokazari (1) [正月の] nieuwjaarsversiering; [i.h.a.] versiering; (2) [rel.] offerande; offer; gave; [i.h.b.] kagamimochi
御馳走 ; ご馳走gochisou (1) traktatie; het trakteren; (2) feestmaal; banket; diner; feestelijke maaltijd; festijn; feest; (3) gastvrijheid; gastvrij onthaal; gul onthaal; (4) lekker eten; heerlijk eten; delicatesse; lekkernij; verfijnde spijzen
御馳走する ; ご馳走するgochisousuru (1) trakteren; (2) een feestmaal aanbieden; een banket organiseren voor; een feest op poten zetten voor; (3) gastvrij ontvangen; gastvrij onthalen; gul onthalen
御馳走様 ; ご馳走様gochisousama Dank u zeer voor uw gastvrij onthaal; Dank u zeer voor uw gastvrijheid; Dank u zeer voor het lekkere eten; Alles was heerlijk!; Het eten was zeer lekker!
御馳走様でした ; ご馳走様でしたgochisousamadeshita Dank u zeer voor uw gastvrij onthaal; Dank u zeer voor uw gastvrijheid; Dank u zeer voor het lekkere eten; Alles was heerlijk!; Het eten was zeer lekker!; [oneig.] wel bekome het u!
御髪migushi (1) uw; zijn; haar haar; (2) uw; zijn; haar hoofd
御髭の塵を払うohigenochiriwoharau ± een meerdere vleien; stroopsmeren; strooplikken; [inform.] gatlikken
on [honorifiek prefix]
o [honoratief voorvoegsel]
go [beleefdheidsprefix ; honorifiek voorvoegsel]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.35 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 155 treffers (zoekopdracht: '御', strategie: exact). 
2005-2021