日蘭辭典+

5 resultaten voor 「自ら」
日蘭辭典 (trefwoord)
itasu致す
t.w. (1) [行ふ] doen; verrichten. (2) [招來] te weeg brengen; veroorzaken. (3) [輸送] vervoeren; transporteeren. ¶ どう致しまして niet te danken. ¶ 失禮いたしました neem mij niet kwalijk. ¶ 致す een dienst bewijzen; zijn best doen voor. ¶ 致す zijn leven opofferen. ¶ は自ら禍を致したのだ hij heeft het aan zichzelf te wijten; het is zijn eigen schuld. ¶ 富を致す rijkdom vergaren.
wazawai
(災い) zn. ramp v.; onheil o.; bezoeking v.; beproeving v. ¶ に遭ふ door een ramp bezocht worden; geteisterd worden. ¶ 自らを招く zich ongeluk op den hals halen. ¶ なる哉 wee hem! ¶ 轉じて福となる geluk komt uit het onheil voort.
hazukashime辱め
zn. (1) [恥辱] schande v. (2) [侮辱] beleediging v. ¶ 自ら辱めを招く schande over zichzelf brengen. ¶ 辱めを忍ぶ beleediging dulden.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <自ら>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
自らonozukara (1) vanzelf; automatisch; uit zichzelf; uit eigen beweging; proprio motu; (2) van nature; natuurlijk; vanzelfsprekend; (3) een enkele keer; (4) voor je het weet; zonder er erg in te hebben; ineens; eensklaps; (5) toevallig; toevalligerwijs; zoals het nu eenmaal gaat; (6) mogelijkerwijs; mogelijk; misschien; wellicht; (7) zeker; stellig; gegarandeerd
自らmizukara (1) het zelf; de eigen persoon; (2) persoonlijk; zelf; in eigen persoon; zichzelf; eigen; bij zichzelf; op zijn eigen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.31 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 2 treffers (zoekopdracht: '自ら', strategie: exact). 
2005-2022