日蘭辭典+

148 resultaten voor 「足」
日蘭辭典 (titelwoord)
ashi
zn. (1) [] voet m. (2) [脚] been o. (3) [動物の] poot m. (4) [器物の支へ] voet m.; poot m.; voetstuk. (5) [步調] stap m.; pas m. (6) [不金] tekort o. ¶ が出る het geld is niet voldoende. ¶ を出す tekort komen. ¶ を揃へる in den pas loopen;
日蘭辭典 (trefwoord)
hayai早い
(速い、疾い、捷い) bn. snel; vlug; spoedig; prompt; vroeg. ¶ 早いが in ’t kort gezegd. ¶ 仕事が早い vlug zijn werk doen. ¶ が早い hard kunnen loopen. ¶ 進步が早い snelle vorderingen maken; vlug vooruitkomen. ¶ 一刻も早いがよい hoe eerder hoe beter. ¶ 東京火事早い in Tokyo komt dikwijls brand voor. ¶ 君は朝は早いか sta je gewoonlijk vroeg op? ¶ 林檎もいでは早過ぎる het is nog te vroeg om appels te plukken.
SUPPLEMENT (trefwoord)
zenkutsu前屈
zn., suru-ww. voorovergebogen; een voorovergebogen positie; vooroverbuigen. ¶ を開いて前屈のポーズ Ashi wo hiraite zenkutsu no pōzu Een voorovergebogen [positie, houding, pose] met de benen gespreid. ¶ そして膝を曲げずに前屈 Soshite hiza wo magezu ni zenkutsu. Vervolgens vooroverbuigen zonder de knieën te buigen. (blog) NB antoniem: kōkutsu 後屈
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <足>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
足が付くashigatsuku (1) op het spoor komen; aanwijzingen vinden; erachter komen; kunnen vinden; ontdekt worden; (2) verkering krijgen met een kwaadaardig lief
足が出るashigaderu (1) in de rode cijfers komen; verlies lijden; een tekort boeken; niet kostendekkend zijn; de begroting overschrijden; (2) [隠し事が] uitkomen; aan het licht komen; uitlekken; ontdekt worden
足が地に着かないashigachinitsukanai (1) z'n kalmte verliezen; z'n aplomb verliezen; niet rustig kunnen blijven staan; op hete kolen zitten; (2) realiteitszin verliezen; zweven; onrealistisch zijn
足が弱いashigayowai (1) slecht ter been; zwak op z'n benen; (2) [車輪は] krakkemikkig; krakemikkig; krikkemikkig; gammel; (3) [船は] log; traag; (4) [船は] wankel; schommelig; zwalpend; (5) [食物は] bederfelijk; erg vatbaar voor bederf; snel bedervend
足が早いashigahayai (1) snelvoetig; vlug ter been; (2) [食物は] bederfelijk; erg vatbaar voor bederf; snel bedervend; (3) [商品は] verkopen als warme broodjes; als warme broodjes over de toonbank gaan; grif verkocht worden; vlot van de hand gaan; gerede aftrek vinden
足しになるtashininaru van pas komen; te baat komen; nuttig zijn; dienen; in een behoefte voorzien
足し算tashizan [rekenk.] optelling; additie; [w.g.] samentelling; [meton.] sommen
足すtasu (1) optellen; een optelling maken; (2) toevoegen; bijvoegen; erbij doen; (3) aanvullen; volledig maken; [form.] suppleren; [m.b.t. tekort] bijleggen; (4) zich kwijten van; doen; verrichten; uitvoeren; vervullen; volbrengen
足の指ashinoyubi [anat.] teen
足の爪ashinotsume [anat.] teennagel
足の甲ashinokou [anat.] wreef
足の置き場ashinookiba beenruimte
足の裏ashinoura (1) voetzool; zool; ondervlak van de voet; (2) gebrek; tekortkoming; zwak punt
足の踏み場もないashinofumibamonai er is geen plaats om te staan
足の速い人ashinohayaihito (1) doorstapper; (2) snelle loper
足の遅い人ashinoosoihito trage stapper; trage loper
足らずtarazu minder dan; nog geen
足りないtarinai (1) te kort komen; onvoldoende zijn; niet genoeg zijn; ontbreken; (2) dom; stom; stompzinnig; traag (van begrip)
足りるtariru (1) voldoende zijn; genoeg zijn; volstaan; voldoen; toereikend zijn; (2) (het) waard zijn [~ te worden]; verdienen [~ te worden]; -waardig zijn
足るtaru (1) genoeg zijn; voldoende zijn; volstaan; voldoen; toereikend zijn; (2) (het) waard zijn [~ te worden]; verdienen [~ te worden]; -waardig zijn; (3) tevreden zijn; content zijn; voldaan zijn; vergenoegd zijn [schrijftalige variant van tariru 足りる]
足をさらうashiwosarau beentje lichten; onderuithalen; vloeren; ten val brengen
足を出すashiwodasu (1) met z'n betalingen falen; in gebreke blijven; (2) de begroting overschrijden; een tekort boeken; een gat in de begroting slaan; (3) een onverwacht resultaat opleveren; een staartje hebben; (4) door de mand vallen; tegen de lamp lopen; (5) een stuitbevalling doen
足を奪われるashiwoubawareru zonder vervoer vallen; z'n mobiliteit ontnomen worden; z'n reis niet kunnen voortzetten; gestrand raken
足を引っ張るashiwohipparu (1) iem. het voortgaan beletten; iem. ophouden; (2) iem. afremmen; iem. beletten succes te hebben; tegenwerken; dwarsbomen; iem. een stok in het wiel steken; [Belg.N.] iem. stokken in de wielen steken; iem. een stok tussen de spaken steken; iem. een stok tussen de benen gooien; iem. de voet dwars zetten; (3) een blok aan het been zijn; de vooruitgang van de hele groep belemmeren
足を揃えるashiwosoroeru gelijke tred houden; hetzelfde ritme aanhouden; het tempo bijhouden; in de maat lopen; in de pas blijven; bijblijven; bijbenen; meekomen
足を攫われるashiwosarawareru de voet gelicht worden; beentje gelicht worden; meegesleurd worden; onderuitgaan
足を早めるashiwohayameru z'n pas versnellen; z'n tred verhaasten; bespoedigen; wat harder; sneller lopen; sneller voortstappen; aanbenen; aanstappen; er nog een stapje opleggen
足を棒にするashiwobounisuru ± zich de benen van het lijf lopen; z'n benen aflopen; z'n benen niet meer voelen
足を止める ; 足を留めるashiwotomeru (1) halt houden; halt maken; stilstaan; stoppen; blijven staan; [gew.] arrêteren; (2) pauzeren; pauze; rust houden
足を洗うashiwoarau (1) [卑しい仕事; 悪事から] breken met; stoppen met; z'n handen aftrekken van; (2) [娼妓; 芸人が] het rosse leven opgeven; een keurig mens worden
足を踏み外すashiwofumihazusu misstappen; zich verstappen; over z'n eigen benen vallen; uitglijden; wegglijden; struikelen
足下が危ない ; 足元が危ない ; 足許が危ないashimotogaabunai onvast; wankel op de benen staan; niet meer vast op z'n benen kunnen staan; met onvaste pasjes lopen; wankelend lopen
足下にashimotoni aan iemands voeten; vlak voor iemands neus
足下にも及ばないashimotonimooyobanai niet te vergelijken zijn met; het niet halen bij; niet kunnen tippen aan; niet in iems. schaduw kunnen staan; verreweg de mindere zijn van; iemands maat niet kunnen halen; zich niet kunnen meten met; het afleggen tegen; onderdoen voor; niet opgewassen zijn tegen; niet opwegen tegen; geen partuur zijn voor
足下に付け込むashimotonitsukekomu oneerlijk voordeel trekken van; profiteren van; uitbuiten; misbruik maken van
足下に気をつける ; 足元に気をつける ; 足許に気をつけるashimotonikiwotsukeru voorzichtig zijn; opletten; uitkijken waar men loopt; om het afstapje denken; op het afstapje passen; voor zich kijken
足下に気を付けなさいashimotonikiwotsukenasai wees voorzichtig waar je loopt; pas op waar je gaat staan; kijk uit voor het opstapje
足下のashimotono aan iemands voeten; vlak voor iemands neus
足下の明るい中にashimotonoakaruiuchini (1) terwijl het nog licht is; bij dag; voor het donker; voor donker; (2) [fig.] nu de voorwaarden nog gunstig zijn; nu het nog goed gaat; nu het nog kan; voor het te laat is
足下を見るashimotowomiru van iemands zwakheid profiteren; iemands zwakte afstraffen
足下ashimoto (1) [meton.] voet; plek waar iem. staat; loopt; wat voor de voeten ligt; (2) onderbeen; (3) iems. onmiddellijke omgeving; iems. toestand; iems. situatie; (4) manier van lopen; gang; tred; (5) kwetsbare punt; zwakke plek; (6) vaste voet; basis; steun; (7) onderbouw van een huis; grondslag; (8) recent; nabij; (9) [ton.] schoeisel; voetbekleding; (10) [ton.] voetlicht; (11) [landb.] graan dat bij het dorsen voor de voeten valt; (12) [Jap.bouwk.] decoratieve dakpan onderaan aan weerszijden van de onigawara 鬼瓦
足並みashinami (1) pas; gang; stap; tred; maat; wandeltempo; (2) eendracht; eensgezindheid; eenstemmigheid; gelijkgestemdheid
足並みにashinamini bij elke voetstap; stapsgewijs; stap voor stap; gaandeweg
足並みを乱すashinamiwomidasu (1) uit de pas; maat gaan; uit de pas raken; lopen; (2) [fig.] de eensgezindheid verstoren; het gesloten front breken; niet met de ander meedoen; zijn eigen gang gaan
足並みを揃えるashinamiwosoroeru bijblijven; gelijk blijven; gelijke tred houden; in de pas lopen met; instemmen met; het eens zijn met; gemeenschappelijke actie ondernemen
足付きashitsuki (1) tred; manier van lopen; gang; pas; (2) meubel op poten; (3) kosten; geld; centen
足代ashishiro (1) steun; steunpunt voor de voet; plaats om te staan; vaste voet; houvast; (2) bouwsteiger; steiger; stellage; stelling; steigerwerk; (3) ondersteuning; basis; fundament; grondslag; standpunt
足代ashidai (1) transportkosten; vervoerkosten; vervoerloon; vervoerprijs; ritprijs; passagegeld; tarief; vrachtloon; [pregn.] transport; (2) reisgeld; reiskosten
足元から鳥が立つashimotokaratorigatatsu (1) [~ように] plotseling; plots; abrupt; (2) ± daar men 't minst verwacht; springt de haas uit de gracht
足切りashikiri (1) ashikiri [kinderspel waarbij een duo een stok; touw van twee meter lang ter hoogte van de knieën bevestigt; en daarmee naar de groep medespelers toeloopt om hen uit te tikken]; (2) [onderw.] selectie; schifting van examinandi op basis van een cesuur; cesuurmethode; (3) [Chin.gesch.] knieschijfverwijdering [één van de vijf traditionele Chinese strafmiddelen]
足切りするashikirisuru [onderw.] selecteren; schiften op basis van een cesuur; een cesuur trekken
足切り点ashikiriten [onderw.] cesuurscore; cesuur; minimumcijfer om te slagen
足利ashikaga (1) Ashikaga; (2) Ashikaga
足利時代ashikagajidai [Jap.gesch.] Ashikaga-periode (of Muromachi-periode [1333 - 1568])
足取り表ashidorihyou koersgrafiek; chart
足取りashitori (1) het grijpen naar iems. been; (2) [sumō-jargon] beengreep [het onderuithalen of uit de ring stoten van de tegenstander na vastgrijpen van diens been]; (3) [worstelen] beengreep [het onderuithalen van de tegenstander na vastgrijpen van diens been]
足取りashidori (1) manier van lopen; gang; pas; tred; (2) [sumō-jargon] beengreep [het onderuithalen of uit de ring stoten van de tegenstander na vastgrijpen van diens been]; (3) [犯人の] gangen; spoor; [i.h.b.] vluchtroute; (4) traject; proces; vorderingen; evolutie; ontwikkeling; (5) [econ.] trend; tendens; koersbeweging; activiteit; conjunctuur; stemming; markt; (6) [econ.] koersgrafiek; chart; (7) [shamisen-muz.] tempoverandering in het midden van een stuk
足台ashidai (1) voetsteun; voetrust; beensteun; (2) voetbank; voetenbankje; schemel; [veroud.] voetschabel
足固めashigatame (1) oefenen; trainen van de wandelspieren; wandeloefening; (2) [judo; worstelen] beenklem; (3) voorbereiding; grondwerk; (4) horizontale vloerbalk; vloerligger; (5) opkikkertje geserveerd tijdens een partijtje kemari 蹴鞠
足固めをするashigatamewosuru (1) de wandelspieren oefenen; trainen; de benen; beenspieren trainen; (2) het grondwerk leggen; de voorbereidingen doen
足型ashigata (1) voetafdruk; voetstap; voetvorm; (2) leest; voeteling; schoenspanner
足場ashiba (1) steun voor de voet; plaats om te staan; vaste voet; (2) bouwsteiger; steiger; stellage; stelling; steigerwerk; (3) [fig.] vaste voet; [fig.] zekere positie; [fig.] steunpunt; (4) verkeersbereikbaarheid; ligging qua openbaar vervoer; bereikbaarheid met het openbaar vervoer
足場を得るashibawoeru vaste voet krijgen; een been aan de grond krijgen; een steunpunt krijgen
足場を掛けるashibawokakeru van een steiger; stellage; stelling voorzien; in de steigers zetten; een steiger oprichten
足弱ashiyowa (1) het slecht ter been zijn; loopzwakte; (2) slechte loper; (3) krakende; krakkemikkige wagen; gammele kar
足弱のashiyowano zwakbenig
足形ashigata voetafdruk; voetstap; voetvorm
足手纏いになるashitematoininaru de handen binden; belemmeren; hinderen; een blok aan het been worden; in de weg staan
足手纏いになるashitemadoininaru de handen binden; belemmeren; hinderen; een blok aan het been worden; in de weg staan
足手纏いになるashidematoininaru de handen binden; belemmeren; hinderen; een blok aan het been worden; in de weg staan
足手纏いashitematoi handenbinder; hinder; last; belemmering; blok aan het been; sta-in-de-weg
足手纏いashitemadoi handenbinder; hinder; last; belemmering; blok aan het been; sta-in-de-weg
足手纏いashidematoi handenbinder; hinder; last; belemmering; blok aan het been; sta-in-de-weg
足払いashibarai [judo] voetveeg
足技ashiwaza (1) [sportt.] voettechnieken; voetenwerk; voetwerk; (2) [judo] beenworp; beenworptechnieken; asji-waza; (3) voetkunstjes
足拍子ashibyoushi (1) maatslag met de voet; het trappen van de maat; (2) [nō-jargon] stoot met de hiel op de planken
足拍子を取るashibyoushiwotoru de maat trappen; de maat met voetgestamp aangeven; slaan
足拭きashifuki (1) doek waarmee men de voeten afdroogt; (2) voetveeg; voetmat; dweil; [風呂場の] badmat
足拵えashigoshirae (1) het zich schoeien; het zich voorzien van voetbekleding; (2) het zich klaarmaken voor vertrek
足拵えするashigoshiraesuru (1) zich schoeien; zich voorzien van voetbekleding; (2) zich klaarmaken voor vertrek; [Belg.N.] zich vertrekkensklaar maken
足指ashiyubi [anat.] teen
足捌きashisabaki [sportt.; dans] voetenwerk
足掛かりashigakari (1) steun; steunpunt voor de voet; voetsteun; houvast; vaste voet; plaats om te staan; (2) [fig.] vaste voet; zekere positie; steunpunt; springplank; gunstige startpositie; (3) aanwijzing; spoor; hint; aanzet; sleutel
足掛けashikake (1) steun; steunpunt voor de voet; voetsteun; [自転車; オルガンの] pedaal; [自転車の] trapper; [バイクの] stepje; [バス; 電車の] opstapje; afstapje; [ボートの] spoorstok; voetbord; voetenbord; (2) voetbank; voetenbankje; (3) plaatsing van de voet; [judo; sumō-jargon] beentje lichten; het over het been gooien van de tegenstander; (4) [gymn.] kniezwaai; (5) [~…年; 月; 日] bezig aan z'n …e jaar; maand; dag
足掛け上がりashikakeagari [gymn.] kniezwaai
足掻きagaki (1) [馬の] getrappel; gestampvoet; [w.g.] trappeling; (2) beweging met handen en voeten; sparteling; gespartel; gewriemel; gekronkel; (3) gewoel; drukte; (4) worsteling; gevecht; strijd
足掻きがつかないagakigatsukanai vastzitten; vastgelopen zijn; in de knel; klem zitten; ergens in blijven steken; ernstig in het nauw zitten; geen kant meer op kunnen; niet henneweg of denneweg meer kunnen; geen uitweg hebben
足掻きが取れないagakigatorenai vastzitten; vastgelopen zijn; in de knel; klem zitten; ergens in blijven steken; ernstig in het nauw zitten; geen kant meer op kunnen; niet henneweg of denneweg meer kunnen; geen uitweg hebben
足掻くagaku (1) [牛; 馬が] stampen; stampvoeten; [gew.] trampen; (2) worstelen; wriemelen; trappelen; spartelen; woelen; (3) streken uithalen; rommelen; (4) zwoegen; ploeteren; ploegen; hard in de weer zijn; (5) [jōruri-jargon] z'n mond roeren; vaktaal gebruiken
足搦みashigarami (1) [judo; sumō-jargon] schaargreep; schaar; beenklem; (2) kluwen om het been; (3) versteviging aan de basis van een draagconstructie; (4) [dierk.] paardehaarworm; Gordioidea
足搦ashigara [judo; sumō-jargon] schaargreep; schaar; beenklem
足摺りashizuri gestampvoet
足摺りするashizurisuru stampvoeten van frustratie
足早ashibaya (1) snel; rap; vlug ter been; snelvoetig; lichtvoetig; gezwind; (2) snel; rap; vlug in het varen; snelvarend
足早なashibayana (1) snelvoetig; lichtvoetig; gezwind; (2) snelvarend
足早にashibayani snelvoetig; lichtvoetig; snel; gezwind; haastig; met vederlichte; lichte; kwieke; verende; vaste tred; met rasse schreden; in een stevige draf; in een stevig tempo; met gezwinde pas; met een behoorlijke gang
足早のashibayano (1) snelvoetig; lichtvoetig; gezwind; (2) snelvarend
足枷を掛けるashikasewokakeru (1) boeien; ketenen; vastketenen; kluisteren; in het blok zetten; (2) belemmeren; hinderen
足枷ashikase (1) voetkluister; voetboei; voetbeugel; blok; kluisters; boeien; beugels om de voeten; (2) [fig.] last; rem; belemmering; blok aan het been; hinderpaal
足枷ashigashi (1) voetkluister; voetboei; voetbeugel; blok; kluisters; boeien; beugels om de voeten; (2) [fig.] last; rem; belemmering; blok aan het been; hinderpaal
足根骨sokkonkotsu [anat.] voetwortelbeentje; voetbeentje; ossa tarsalia
足止めashidome (1) beperking van de bewegingsvrijheid; omstandigheid die iem. ergens doet blijven; oponthoud; stranding; (2) ± blijfpremie; (3) fixatie; fixering; (4) fixeermiddel; fixatief; fixeerstof; (5) voethouder; antislip-latjes [op brug; hellend pad]
足止めする ; 足留めするashidomesuru in z'n bewegingsvrijheid beperken; iem. ergens doet blijven; ophouden; doen stranden; [飛行機を] aan de grond houden
足止めを食うashidomewokuu opgehouden worden; verhinderd zijn; stranden; niet uit de voeten kunnen; vastzitten
足湯ashiyu voetbad
足溜まりashidamari (1) uitvalsbasis; basiskamp; operatiebasis; (2) steunpunt; voetsteun; houvast
足留材ashidomezai [atlet.] stootbalk; balk; stootblok [= voorste begrenzing van de kogelstootcirkel]
足癖ashikuse (1) eigenaardige manier van lopen; zitten; (2) [sumō-jargon] voettechniek; voetwerk; voetenwerk
足立adachi Adachi
足立区adachiku Wijk Adachi
足繁くashishigeku herhaaldelijk; regelmatig; veelvuldig; frequent; heel vaak
足繁く通うashishigekukayou frequenteren; regelmatig aandoen; vaak bezoeken; er kind aan huis zijn; er de deur platlopen
足腰ashikoshi (1) benen en heup; benen en lendenen; het onderlijf met de benen; [scherts.] onderwerk; [scherts.] onderstel; (2) [fig.] motoriek; activiteit; (3) [fig.] draagkracht; prestatievermogen
足腰が立たないashikoshigatatanai niet bij machte zijn te gaan staan; te lopen; kreupel; mank; invalide zijn; moeilijk; slecht ter been zijn; [gew.] kwakkelig zijn; lendenlam zijn; niet uit de voeten kunnen
足袋 ; 単皮tabi tabi; tweetenige sok; [neol.] voetwant [Japanse ceremoniële of koudewerende sok met aparte sleuf voor de grote teen]
足裏 ; 蹠ashiura voetzool; zool; ondervlak van de voet
足跡を付けるashiatowotsukeru voetafdrukken; voetsporen; voeten maken; sporen achterlaten; nalaten
足跡ashiato (1) voetafdruk; voetstap; voetspoor; pootafdruk; spoor; [meton.] voet; [meton.] poot; [meton.] stap; [jachtt.] voetprent; [jachtt.] prent; [gew.] tred; (2) gangen; sporen; stappen; (3) prestaties; resultaten; wapenfeiten; [Belg.N.] palmares
足跡sokuseki (1) voetafdruk; voetspoor; voetstap; spoor; (2) [fig.] geschiedenis; (3) [fig.] prestatie; wapenfeit; roemrijke daad
足踏みashibumi (1) getrappel; gestamp; voetstamp; het pas op de plaats maken; het markeren van de pas; [w.g.] trappeling; (2) stilstand; immobilisme; impasse; gewatertrappel; [Belg.N.] getrappel ter plaatse; (3) [dans; no] voetbeweging; voetstand; voetplaatsing; (4) [boogschieterij] gespreide voetstand
足踏みするashibumisuru (1) treden; trappelen; met de voeten drukken; stampen; pas op de plaats maken; de pas markeren; [veroud.; gew.] trippelen; [gew.] trepelen; [gew.] trampelen; (2) tot stilstand komen; geen voortgang maken; geen vooruitgang boeken; watertrappelen; [Belg.N.] ter plaatse trappelen
足踏みブレーキashibumibureeki voetrem
足踏みミシンashibumimishin trapnaaimachine; trapmachine
足蹴ashige (1) schop; trap; [Belg.N.] stamp; (2) [fig.] slechte behandeling; mishandeling
足蹴にするashigenisuru (1) schoppen; trappen; stampen; een schop; trap; stamp geven; (2) [fig.] slecht behandelen; de vloer aanvegen met; mishandelen
足載せashinose voetbank; voetenbankje; voetsteun; voetrust
足載せ台ashinosedai voetbank; voetenbankje; voetsteun; voetrust
足遣ashizukai [m.b.t. bunraku] poppenspeler die beide benen van de pop bedient
足長おじさんashinagaojisan (1) [dierk.] langbeen; langpoot; langbenige bastaardspin; hooiwagen; veldspin; herdersspin; [gew.] koewachter; [gew.] horlogetikker; Opiliones; (2) Daddy-Long-Legs [Ned. vert.: Vadertje Langbeen; jeugdboek (1912) van Jean Webster (1876-1916)]
足長蜂ashinagabachi [dierk.] veldwesp; Polistes
足長蜘蛛ashinagagumo (1) [dierk.] Tetragnatha praedonia [= spinnensoort uit de familie strekspinnen (Tetragnathidae)]; (2) [dierk.] bananenspin; Heteropoda venatoria
足長ashinaga (1) langbenigheid; (2) langbeen; (3) uitgestrekt werkterrein; grote invloedssfeer; ruime armslag; (4) [plantk.] Adiantum monochlamys
足長sokuchou voetlengte; voetmaat
足音を立てずにashiotowotatezuni met gedempte voetstappen; stilletjes; op kousenvoeten
足音を立てるashiotowotateru luid stappen; luide voetstappen maken
足音aoto het geluid van stappen; [meton.] voetstappen; [meton.] stappen; [meton.] tred
足音ashioto (1) het geluid van stappen; [meton.] voetstappen; [meton.] stappen; [meton.] tred; [馬の] paardengetrappel; hoefslag; geklepper; (2) [fig.] aantocht
足音anoto het geluid van stappen; [meton.] voetstappen; [meton.] stappen; [meton.] tred; [馬の] paardengetrappel; hoefslag; geklepper
足音sokuon het geluid van stappen; [meton.] voetstappen; [meton.] stappen; [meton.] tred
足首ashikubi [anat.] enkel
足馴らしashinarashi (1) loopoefening; wandeloefening; (2) opwarming; voorbereiding; training
足高蜘蛛ashidakagumo [dierk.] bananenspin; Heteropoda venatoria
ashi (1) [anat.] been; poot; [inform.] stelt; [烏賊; 蛸の] arm; tentakel; (2) [anat.] voet; (3) mannelijk geslachtsdeel; derde been; (4) [fig.] poot; onderstel; stut; [山の] voet; [旗の] vlucht; (5) [wisk.] voet; voetpunt; (6) onderste gedeelte van een Chinees karakter; (7) ashikanamono [= metalen ringen aan een zwaardschede ter bevestiging van rijgsnoeren]; (8) stap; tred; schrede; pas; gang; loop; tempo; (9) [paardensport] [馬の] gang; snelheid; (10) [scheepv.] vaart; snelheid; (11) [scheepv.] levend werk [= deel van een schip dat zich in het water bevindt]; diepgang; (12) [scheepv.] stabiliteit; stijfheid; (13) [客の] bezoek; aanloop; opkomst; klandizie; (14) [犯人の] gangen; spoor; [i.h.b.] vluchtroute; (15) aanwijzing; spoor; aanknopingspunt; (16) [雨; 雲; 風の] drift; gesteldheid; (17) vervoer; transport; vervoermiddel; transportmiddel; [meton.] gelegenheid; (18) transportkosten; vervoerkosten; vervoerprijs; reiskosten; (19) geld; geldmiddelen; middelen; (20) [武士の] dotatie; apanage; toelage; (21) rente; interest; intrest; (22) verlies; derving; tekort; gebrek; [i.h.b.] schuld; (23) [beurst.] koers; marktbeweging; trend; tendens; (24) [食べ物の] houdbaarheid; (25) [餅の] kleverigheid; plakkerigheid; (26) [酒の] kwaliteit; karakter; (27) [網目の] maaswijdte; (28) [柿葺きで] overstek [= afstand waarmee de ene dakspaan over de andere uitsteekt]; (29) poppenspeler die het voetenwerk van een marionet bedient; (30) prostituee; liefje; (31) circa …; ongeveer …
a voet; been
soku (1) x paar ~ [kwantor voor bij paren geteld schoeisel]; (2) x stoelen [kwantor voor stoelen]; (3) x schoppen; x trappen; x (voet)ballen [kwantor voor het aantal trappen tegen een bal of het aantal voetballen]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.35 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 145 treffers (zoekopdracht: '足', strategie: exact). 
2005-2021