日蘭辭典+

53 resultaten voor 「間」
日蘭辭典 (titelwoord)
aida
zn. (1) [隔] ruimte v.; tusschenruimte v.; afstand m. (2) [時間] verloop o. ¶ をあける ruimte openlaten. (3) [の] vz. gedurende; vw. terwijl; onderwijl. ¶ 其intusschen. ¶ に立つ tusschenin staan. ¶ 七人のに分ける tusschen (又は onder) zeven menschen verdeelen. ¶ のは zoo lang als. ¶ 留守gedurende mijn afwezigheid; terwijl ik uit was. ¶ 君と僕の tusschen ons beiden. ¶ 此 kort geleden; onlangs. ¶ 御座候 aangezien.
awai
zn. (1) [時] pauze v.; tusschenpoos v. (2) [空間] ruimte v.; tusschenruimte v.
kan
zn. (1) [時間] tijdruimte v. (2) [距離] afstand m. vz. (3) [中] tusschen; onder. ¶ in vijf dagen. ¶ 東京橫濱の鐵道線路 de spoorweg tusschen Tokyo en Yokohama.
日蘭辭典 (trefwoord)
sono其の
vnw. dat; zijn; haar; hun. ¶ 其の翌日 den volgenden dag. ¶ 其の inmiddels; intusschen; onderwijl.
hikaeru控へる
(控える) t.w. (1) [書き留める] noteeren; aanteekenen. (2) [抑制] beperken; bedwingen.; i.w. zich onthouden van. i.w. (3) [待つ] wachten. ¶ 食物を控へる matig zijn inhet eten. ¶ そのこと今日控へて居た ik het er tot dusverre over gezwegen. ¶ 控へろ houd je mond!; zwijg! ¶ は急ぎの用事を控へて居る ik heb dringende bezigheden. ¶ に控へて居る in de kamer ernaast wachten. ¶ 手編を控へる de teugels inhouden.
naka

zn. (1) [奧、底] binnenste o. ¶ に in binnenin. vz. (2) [] tusschen. (3) [多數の] onder; bw. te midden van. ¶ で in de straat; op straat. ¶ に in de doos. ¶ には蘭語やるものある er zijn onder hen ook, die Hollandsch leeren. ¶ 三つこれが一番上等だ dit is het beste van de drie.

SUPPLEMENT (trefwoord)
zanzō残像

(殘像) znw. nabeeld. ¶ が全く消えても、少しは残像がを導いた Hi ga mattaku kiete mo, sukoshi no aida wa zanzō ga kare wo michibiita Zelfs nadat de vlam helemaal was uitgedoofd toonde het nabeeld hem nog eventjes de weg. (Motojirō Kajii)

TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Aozora Bunko╱Mori Ōgai╱De wilde gans 〈11:4〉〈青空文庫〉森鴎外『雁』
肱掛からを見れば、高野槙から、爽かな朝風に、微か揺れていると、その向うの一面に茂っているとが見える

Hijikakemado kara soto wo mireba, kōyamaki no eda no aida kara, sawayaka na asakaze ni, kasuka ni yurete iru yanagi no ito to, sono mukō no ike ichimen ni shigette iru hasu no ha to ga mieru.

Wanneer hij door het raam naar buiten keek, kon hij tussen de takken van de parasolden door de zachtjes in de frisse ochtendwind bewegende afhangende takken van de treurwilg, en daarachter een dikke laag lotusbladeren op de vijver zien.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <間>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
間にaidani tussen; ertussen; onder; in het midden
間に合うmaniau (1) op tijd zijn; op tijd komen; halen; (2) voldoen; volstaan; genoeg zijn; voldoende zijn; van pas komen; zijn dienst doen; bruikbaar zijn; (3) het redden; het rooien; zich kunnen behelpen
間に合わせるmaniawaseru zich behelpen; het moeten doen; stellen met; [締切りに] op tijd rondkrijgen
間も無いmamonai onmiddellijk; direct; dadelijk; [arch.] fluks; [生まれて~] pasgeboren
間も無く; 間もなくmamonaku weldra; dra; gauw; spoedig; binnen korte tijd; dadelijk; binnenkort; eerlang; over enkele ogenblikken; aanstonds; zo; zo meteen; aldra; alras
間を置いてaidawooite met tussenruimtes
間一髪kanippatsu haarbreed; haarbreedte; [~で] op een haar; op het nippertje; rakelings; met de hakken over de sloot; maar net; ternauwernood; door het oog van de naald
間主観的kanshyukanteki intersubjectief
間夫mabu (1) minnaar; paramour; vrijer; [arch.] amant; (2) buitenechtelijke liefdespartner; (3) [i.h.b.] minnaar van een prostituee
間引きmabiki (1) [landb.] uitdunning; het uitdieven; [fig.] het snoeien; besnoeiing; vermindering; (2) [m.b.t. zwakke dieren] selectie; uitschifting; [i.h.b.] het afschieten; (3) [Jap.gesch.] infanticide; kindermoord; kinderdoding
間引きするmabikisuru (1) [landb.] uitdunnen; dunnen; uitdieven; dieven; ruimen; [gew.] reien; [gew.] verdunnen; [ook fig.] snoeien; besnoeien; verminderen; doen afnemen in aantal; (2) [m.b.t. zwakke dieren] selecteren; uitschiften; [i.h.b.] afschieten; (3) [Jap.gesch.; m.b.t. pasgeborenen] doden; vermoorden
間引き運転mabikiunten uitgedunde dienstregeling; dienst; verkorte dienstregeling; dienst; beperkte dienstregeling; dienst
間引くmabiku (1) [landb.] uitdunnen; dunnen; uitdieven; dieven; ruimen; [gew.] reien; [gew.] verdunnen; (2) [Jap.gesch.; m.b.t. pasgeborenen] doden; vermoorden; (3) [i.h.a.] ruimte laten
間投助詞kantoujoshi [Jap.spraakk.] uitroeppartikel
間投詞kantoushi [taalk.] tussenwerpsel; interjectie
間抜けmanuke (1) dwaas; gek; zot; stommeling; idioot; stomkop; stommerd; domkop; domoor; dommerik; ezel; minkukel; rund; konijn; sul; (2) dwaasheid; domheid; dommigheid; stommiteit; onzinnigheid; zotheid; (3) dom; dwaas; zot; onzinnig; onverstandig; stom
間接kansetsu indirect(heid)
間接のkansetsuno indirect; niet-rechtstreeks; onrechtstreeks; middellijk; zijdelings; via via; bedekt
間接話法kansetsuwahou [spraakk.] indirecte rede; oratio obliqua
間接費kansetsuhi indirecte kosten; uitgaven; overheadkosten; overhead
間断なくkandannaku zonder ophouden; zonder onderbreking; zonder te stoppen; zonder respijt; aan één stuk door; onophoudelijk; ononderbroken; onafgebroken; doorlopend; achterelkaar; [form.] achterelkander; continu; constant; niet-aflatend; voortdurend; bij voortduring; aanhoudend; stadig; gestaag; almaar; alsmaar; gedurig; steeds
間柄aidagara verhouding; relatie; betrekking; band; binding; verstandhouding; [fig.] voet; omgang
間欠泉kanketsusen geiser; intermitterende springbron
間欠熱kanketsunetsu [geneesk.] intermitterende koorts; wisselkoorts; [veroud.] tussenpozende koorts
間狂言aikyougen (1) [nō-jargon] tussen-kyōgen [recapitulerend kyōgen-stuk na de afgang van de voor-hoofdrol (maeshite 前シテ)]; (2) [Jap.ton.] komische entr'acte tussen twee bedrijven jōruri; kabuki enz.
間着 ; 合着 ; 合い着 ; 相着aigi (1) tussen onder- en bovengoed gedragen kleding; tussenkleding; tussenkledij; tussenkleren; (2) tussenseizoenskleding; tussenseizoenskleren; [i.h.b.] voorjaarskleding; [i.h.b.] voorjaarskleren; [i.h.b.] lentekleren; [i.h.b.] lentekleding; [i.h.b.] najaarskleren; [i.h.b.] najaarskleding; [i.h.b.] herfstkleren; [i.h.b.] herfstkleding
間竿 ; 間棹kenzao (1) [landmeting] landmeetstok; jalon; baak [= bamboe meetstok van ca. 1,82 m lengte]; (2) [timmerambacht] meetstok van minstens 1,82 m lengte
間者kanja spion; geheim agent; bespieder; stille
間諜kanchou spion; geheim agent; bespieder; stille
間近にmadhikani (1) vlakbij; nabij; dichtbij; onmiddellijk naast; allernaast; om de hoek; op korte afstand; twee passen ervandaan; [Belg.N.] op een boogscheut; (2) ophanden; aanstaand; te gebeuren; voor de deur; boven het hoofd; in aantocht; op komst; op til; op gaal; binnenkort te verwachten; nakend; naderend; imminent; dreigend
間近のmadhikano (1) vlakbij; nabij; dichtbij; allernaast; (2) ophanden zijnd; in aantocht zijnd; te gebeuren; te verwachten; aanstaand; komend; nakend; naderend; imminent; dreigend
間近madhika (1) vlakbij; nabij; dichtbij; onmiddellijk naast; allernaast; om de hoek; op korte afstand; twee passen ervandaan; [Belg.N.] op een boogscheut; (2) ophanden zijn; aanstaand; te gebeuren staan; voor de deur staan; boven het hoofd hangen; in aantocht zijn; op komst zijn; op til zijn; op gaal zijn; binnenkort te verwachten zijn; nakend; naderend; imminent; dreigend
間道 ; 漢島 ; 広東 ; 邯鄲 ; 漢裼 ; 漢渡 ; 間綯kantou [stofn.] kantō [soort Chinese geweven stof met een streeppatroon; in de 16-17e eeuw in Japan geïntroduceerd]
間違いmachigai (1) vergissing; fout; abuis; misvatting; dwaling; doling; lapsus; méprise; [fig.] mispas; misstap; misslag; feil; erreur; error; verkeerdheid; (2) ongeluk; malheur; tegenslag; tegenvaller; narigheid; problemen; trubbels; (3) onbetamelijkheid; estrapade; [i.h.b.] slippertje
間違うmachigau (1) zich vergissen (met); het mis hebben; abuis zijn; [volkst.] zich verabuseren; dwalen; ernaast zitten; het bij het verkeerde eind hebben; (2) verkeerd zijn; fout zijn; onjuist zijn; foutief zijn; incorrect zijn; vals zijn; fout zitten; scheef zitten; (3) beslist niet ~; geenszins ~ [in de constructie machigatte mo ~ nai 間違っても~ない]
間違えるmachigaeru verwisselen; verwarren (met); de dingen door elkaar halen; de dingen door elkaar hutselen; ten onrechte; verkeerdelijk aanzien voor; de verkeerde ~ voorhebben; verkeerd kiezen; zich vergissen in [de persoon enz.]
間違ったmachigatta verkeerd; onjuist; fout; incorrect; [w.g.] abusief
間違ってmachigatte per; bij abuis; abusievelijk; bij; per vergissing; per; bij ongeluk; door een ongelukkig toeval
間釘 ; 合釘 ; 合い釘aikugi paspen; deuvel; deuvik; dubbelpuntige spijker; nagel
間隔kankaku ruimte; interval; afstand
間際magiwa het moment net voor; […の~に] op het punt te
間鴨 ; 合い鴨 ; アイガモaigamo (1) [dierk.] bastaardeend [kruising van een tamme en een wilde eend]; (2) [cul.] tamme eend [enige eendenvlees dat tijdens de schoontijd toegelaten is]; (3) [dierk.] zaagbek; Mergus
aida interval; tussenruimte; tijdruimte; [arch.] tijdspanne
kan (1) periode; tijdspanne; gedurende ~; in ~; (2) tussen ~ en ~; van ~ tot ~
ma (1) ruimte; plaats; tussenruimte; interval; entre-deux; (2) vertrek; kamer; ruimte; (3) pauze; onderbreking; tijdsinterval; (4) tijd; moment; poos; (5) gelegenheid; kans; ruimte; [i.h.b.] geluk; (6) [muz.] maat; [i.h.b.] cesuur; rustpunt; [oneig.] ritme; tempo; timing
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.28 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 45 treffers (zoekopdracht: '間', strategie: exact). 
2005-2021