日蘭辭典+

62 resultaten voor ‘aannemen’
日蘭辭典 (trefwoord)
sōzō想像
zn. verbeelding v.; veronderstelling (假想) v. ¶ 想像的 imaginair; in de verbeelding bestaand; ingebeeld. ¶ 想像する zich verbeelden; zich inbeelden; veronderstellen; aannemen; zich voorstellen. ¶ 想像し難い ondenkbaar. ¶ 想像鄕 droomenland; land der verbeelding. ¶ 想像説 hypothese. ¶ 想像妊婦 ingebeelde zwangerschap.
ukeireru受入れる
(受け入れる) t.w. aanvaarden.
tsunoru募る
t.w. (1) [兵士を] oproepen; recruteeren; onder de wapens roepen. (2) [税を] heffen. i.w. (3) [公債等] inschrijving openen. (4) [烈しくなる] hevig worden; erger worden. ¶ 職工を募る werkvolk aannemen. ¶ 寄附を募る bijdragen verzamelen. ¶ 外債を募る buitenlandsche leening uitschrijven. ¶ 病氣が募った de ziekte is erger geworden. ¶ 火勢は募る de brand neemt in hevigheid toe.
iu言ふ、云ふ
(言う、云う) t.w. (1) [言ふ] zeggen. (2) [告げる] vertellen. (3) [話す] spreken. (4) [呼ぶ] noemen. ¶ 云ひ條 zelfs al neemt men aan, dat. ¶ 言へない ik kan niet zeggen of ...... ¶ 言ふ迄もなく het spreekt van zelf; uit den aard der zaak; onnoodig te zeggen dat ...... ¶ 言ふ所の zoogenaamd. ¶ 言ふに言はれない onuitsprekelijk; onbeschrijfelijk. ¶ 言ふもかなり men kan gerust zeggen, dat ..... ¶ 言ふと同時に實行する de daad bij het woord voegen. ¶ 法律から言へば wettelijk gesproken. ¶ 言ふ聞く luisteren naar iemands woorden; doen wat een ander zegt. ¶ 言はぬが花 het is het beste erover te zwijgen. ¶ それは蘭語と云ひますか hoe zeg je dat in het Hollandsch?; wat is dat in het Hollandsch? ¶ に少し言ひ度いがある ik heb je wat te vertellen. ¶ それ見な言はぬことか wel, heb ik het je niet gezegd; wel heb ik je nietgewaarschuwd? ¶ 大きく言ふ overdrijven. ¶ 暗に言ふ te verstaan geven. ¶ 物を言へなくなる verstomd staan; met stomheid geslagen zijn. ¶ を悪く言ふ kwaad van iemand spreken. ¶ あのはスミットと云ひます die meneer heet Smit. ¶ スミットと云ふ een meneer, genaamd Smit; een zekere (meneer) Smit. ¶ 彼は恩知らずだと云はれる men zegt, dat hij ondankbaar is; men verwijt hem ondankbaarheid. ¶ とは言ふものの hoe het ook zij.
yatoi
(傭、傭い、雇い) zn. dienst m.; huur v.; (雇人) employé m.; beambte m. ¶ 雇外國人 vreemdeling in dienst van Japanners. ¶ 雇賃 loon; bezoldiging; huur. ¶ 雇口 baantje; betrekking; dienst; werk. ¶ 傭兵 huurling; huurtroepen. ¶ 雇入れ dienst; in-dienstneming. ¶ 雇入れる in dienst nemen; huren; charteren (を). ¶ 雇人 bediende; employé. ¶ 雇人口入所 bediendenkantoor; verhuurkantoor van personeel; arbeidsbeurs. ¶ 雇主 werkgever; baas.
kaketsu可決
zn. aanneming v.; goedkeuring v. ¶ 可決する aannemen; goedkeuren. ¶ 豫算は可決せられたり de begrooting is goedgekeurd.
gisuru擬する

t.w. (1) [假想] aannemen; veronderstellen. (2) [摸擬] nadoen. ¶ 北軍を以て侵入軍に擬する het noordelijke leger wordt verondersteld een vijandelijk invallend leger te zijn.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <aannemen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
用いる mochiiru (1) gebruiken; gebruik maken van; aanwenden; toepassen; benutten; in praktijk brengen; grijpen naar; zijn toevlucht nemen tot; (2) aannemen; in dienst nemen; aanstellen; benoemen; tewerkstellen; aan de bak laten komen
存じる zonjiru (1) denken; vinden; geloven; menen; houden voor; achten; beschouwen; aannemen; veronderstellen; (2) weten; kennen; begrijpen; bekend zijn met; beseffen; zich bewust zijn van; inzien
存ずる zonzuru (1) denken; vinden; geloven; menen; houden voor; achten; beschouwen; aannemen; veronderstellen; (2) weten; kennen; begrijpen; bekend zijn met; beseffen; zich bewust zijn van; inzien
想定する souteisuru veronderstellen; stellen; onderstellen; aannemen
手に入れる teniireru (1) in handen krijgen; zich toe-eigenen; tot zijn eigendom maken; in bezit nemen; aannemen; aanvaarden; verwerven; [i.h.b.] op de kop tikken; (2) naar z'n hand zetten; stellen; om de vinger winden; (als een marionet) bespelen
呈する teisuru (1) aanbieden; bieden; presenteren; geven; [書を] sturen; (2) tonen; tentoonspreiden; vertonen; laten zien; bieden; opleveren; tentoonspreiden; [色を] aannemen
推量する suiryousuru (1) vermoeden; veronderstellen; [veroud.] onderstellen; gissen; raden; speculeren; als conjectuur opperen; (2) concluderen; besluiten; afleiden; aannemen; eruit opmaken; infereren; zich voorstellen
推定する suiteisuru schatten; ramen; taxeren; gissen; aannemen; assumeren; vermoeden; veronderstellen; presumeren; stellen; prognosticeren (op)
使う tsukau (1) gebruiken; bezigen; gebruik maken van; aanwenden; zich bedienen van; [i.h.b.] in dienst nemen; aannemen; [電車; 風呂を] nemen; (2) hanteren; [機械を] bedienen; [i.h.b.] manipuleren; [魔法; 魔術を] beoefenen; aan … doen; verrichten; (3) verbruiken; aanwenden; spenderen; besteden; consumeren; [金銭を] uitgeven; wijden (aan)
付ける tsukeru (1) bevestigen aan; aanbrengen; aanleggen; vasthechten; vastmaken; [役馬を] spannen voor; aanhechten; hechten; [翻訳を] toevoegen; [×印を] aankruisen; [印を] afdrukken; [器具を] installeren; monteren aan; aanleggen; [接着剤で] plakken; [バター; クリーム; ジャムを] smeren; [しみを] maken; aanmaken op; (2) [傷; 跡を] achterlaten; nalaten; (3) zich eigen maken; aanleren; zich verwerven; [習慣を] zich aanwennen; [力を] opdoen; (4) [乳母を] engageren; aannemen; in de arm nemen; (5) [注意; 目を] vestigen op; [犯人; 車を] schaduwen; volgen; (6) [条件を] opleggen; [疑問符; コメント; 注文を] plaatsen; zetten; [名; 味を] geven; [実; 利子を] dragen; [点を] toekennen; (7) [料理を] opdienen; serveren; [仕事に片を] regelen; afdoen; afhandelen; zijn beslag geven; voor elkaar brengen; (8) [正札を] hechten; [値を] voorzien van; stellen op; (9) opschrijven; opnemen; noteren; aantekenen; boeken; [日記を] bijhouden; houden; (10) 10. [手を] beginnen met; aanvangen; [連絡を] opnemen; [火を] aanleggen; in brand steken
迎える mukaeru (1) tegemoet gaan; tegengaan; verwelkomen; ontvangen; onthalen; begroeten; inhalen; (2) [嫁に] tot vrouw nemen; tot vrouw maken; [養子に] aannemen; [国王に] inhalen; (3) bereiken; komen tot; voor ogen hebben; [新時代を] ingaan; (4) laten komen; roepen; halen; ontbieden; uitnodigen
受け入れる ukeireru (1) ontvangen; toelaten; opnemen; aannemen; aanvaarden; accepteren; (2) inwilligen; toestaan; instemmen met; ingaan op; tegemoetkomen; verhoren; (3) opvangen; onthalen; binnenlaten; toegang geven
受ける ukeru (1) ontvangen; krijgen; verkrijgen; verwerven; (2) aanvaarden; aannemen; accepteren; nemen; (3) pakken; tegenhouden; [een bal] vangen; [een slag] pareren; afwenden; (4) [de telefoon] opnemen; beantwoorden; gehoor geven bij het telefoneren; (5) ondergaan; meemaken; ervaren; [誘惑を] op de proef gesteld worden; [試験を] afleggen; [洗礼を] gedoopt worden; (6) [een verlies] lijden; [een verwonding] oplopen; [een belediging] incasseren; moeten verduren; blootgesteld worden aan; onderworpen worden aan; (7) [lessen] nemen; [een opleiding] volgen; genieten; (8) geloven; geloof hechten aan; aannemen; als waar beschouwen; voor zoete koek slikken; als juist aanvaarden; als zo zijnd aanvaarden; (9) staan; gelegen zijn tegenover; uitzicht geven op; gericht zijn naar [een windstreek; ander referentiepunt]; (10) 10. erven; overerven; [eigenschappen] van zijn (voor)ouders meekrijgen; (11) 11. populair worden; aan populariteit winnen; in de smaak vallen; tot de verbeelding spreken; in trek raken; geliefd worden; in zwang raken; aanslaan
請け負う ukeou (1) zich contractueel verplichten om; tot; zich ertoe verbinden te; (2) op zich nemen; ondernemen; voor zijn rekening nemen; aannemen
受け取る uketoru (1) ontvangen; in ontvangst nemen; aannemen; opvatten; (2) geloven; aannemen; als waar beschouwen; voor zoete koek slikken; als juist aanvaarden; als zo zijnd aanvaarden; begrijpen; inzien
受け付ける uketsukeru (1) [een aanvraag; verzoek; petitie] aannemen; in ontvangst nemen; (2) aanvaarden
来る kuru (1) komen; verschijnen; opdagen; naderen; niet achterwege blijven; (2) aankomen; arriveren; (zijn bestemming) bereiken; (3) bezoeken; een visite brengen; op bezoek gaan bij; te gast zijn bij; (4) aanbreken; beginnen; voor de deur staan; (5) worden; in een bepaalde toestand raken; in een bepaalde hoedanigheid raken; (6) (een houding) aannemen; (7) invoeren; introduceren; in gebruik laten komen; in zwang brengen; (8) zijn oorzaak vinden in; toe te schrijven zijn aan; te wijten zijn aan; veroorzaakt zijn door; (9) ontsproten zijn uit
納得する nattokusuru (1) instemmen (met); toestemmen (in); aanvaarden; aannemen; accepteren; goedvinden; [veroud.] bewilligen; zich laten welgevallen; (2) verstaan; begrijpen; genoegen nemen met
馴染む najimu (1) vertrouwd raken; leren kennen; ergens in komen; gewend raken; gewoon raken; wennen; [form.] zich gewennen; aarden; gesteld raken; [gew.] zich jeunen; [悪習に] aannemen; zich aanwennen; zich eigen maken; [環境に] zich aanpassen; acclimatiseren; (2) afgestemd raken op; harmoniëren; passen bij; (3) [裁判に] ontvankelijk verklaard worden
受容する juyousuru aanvaarden; aannemen; accepteren; opnemen; onthalen; ontvangen
受理する jurisuru aanvaarden; accepteren; aannemen; kennis nemen van
受諾する judakusuru (1) aanvaarden; aannemen; accepteren; (2) instemmen met; inwilligen; goedkeuren
受領する juryousuru ontvangen; in ontvangst nemen; aannemen; aanvaarden; accepteren
承認する shouninsuru (1) erkennen; bekrachtigen; homologeren; ratificeren; (2) goedkeuren; goedvinden; toestemmen (in); instemmen (met); akkoord gaan met; fiatteren; onderschrijven; zijn goedkeuring; toestemming; fiat geven; sanctie verlenen (aan); sanctioneren; [veroud.] approberen; [m.b.t. wetsontwerp] aannemen
認める mitomeru (1) opmerken; zien; bespeuren; bekennen; waarnemen; in de gaten hebben; getuige zijn van; (2) [schuldig enz.] bevinden; vinden; achten; menen; oordelen; beschouwen; aanzien; houden voor; van mening zijn dat; (3) toegeven; erkennen; inzien; aanvaarden; accepteren; aannemen; honoreren; goedkeuren; toelaten; toestaan; sanctioneren; (4) erkennen; waarderen; appreciëren
断る kotowaru (1) weigeren; niet toelaten; niet vergunnen; niet inwilligen; (2) afslaan; afwijzen; verwerpen; niet accepteren; niet (willen) aannemen; van de hand wijzen; van tafel vegen; bedanken; weigeren; wegwuiven; wegwimpelen; [w.g.] declineren; (3) zijn verontschuldiging aanbieden; zijn excuses maken; zijn excuses aanbieden; excuus vragen; pardon vragen; zich schoon praten; (4) vooraf kennisgeven; informeren; inlichten; meedelen; mededelen; waarschuwen; verwittigen; vertellen; berichten; op de hoogte stellen; brengen; (5) toelating vragen; toestemming vragen; verlof vragen; (6) ontslaan; ontslag geven; de laan uitsturen; op straat zetten; aan de dijk zetten; (7) verbieden; door een verbod ontzeggen
採る toru (1) [een bep. houding, allure enz.] aannemen; [m.b.t. idee] overnemen; adopteren; invoeren; [fig.] zich aanmeten; (2) [m.b.t. technieken, methoden, personeel] aannemen; gebruiken; toepassen; honoreren; gebruik maken van; [fig.] zijn toevlucht nemen tot; [een bep. beleid, politiek enz.] voeren; [maatregelen e.d.] nemen; in dienst nemen; aanwerven; engageren; inhuren; (3) opteren (voor); verkiezen (boven); prefereren; (eruit) pikken; pakken; kiezen
取る toru (1) nemen; vatten; pakken; grijpen; hanteren; (2) krijgen; ontvangen; winnen; halen; aannemen; aanvaarden; (3) kiezen; uitkiezen; pikken; (4) vragen; aanrekenen; innen; (5) begrijpen; interpreteren; opvatten; (6) wegnemen; verwijderen; weghalen; (7) vangen; oogsten; binnenhalen; (8) afnemen; afpakken; stelen; pikken; (9) vergen; vereisen; (10) 10. boeken; reserveren; vastleggen; (11) 11. innemen; bezetten
取り上げる toriageru (1) opnemen; oppakken; (2) [een woord in een taal enz.] opnemen; honoreren; ingaan op; [een mening, ontslag, bezwaar enz.] aanvaarden; aannemen; [een mening enz.] opvatten; [een voorstel enz.] overnemen; [een idee enz.] adopteren; [een zaak enz.] entameren; in behandeling nemen; [een interessant punt enz.] opbrengen; aan de orde stellen; aanhangig maken; aandragen; ter tafel brengen; [fig.] aansnijden; (3) afnemen; afpakken; ontnemen; afhandig maken; [iem. iets] uit de hand slaan; [iem. van zijn bevoegdheden enz.] beroven; [een vergunning enz.] intrekken; [iem. uit de ouderlijke macht enz.] ontzetten; aanslaan; confisqueren; verbeurdverklaren; in beslag nemen; beslag leggen op; [smokkelwaar e.d.] aanhalen; [i.h.b.] onteigenen; [i.h.b.] expropriëren; [goederen] arresteren; (4) [m.b.t. kinderen] halen; geboren doen worden; ter wereld helpen
取り入れる toriireru (1) inhalen; naar binnen halen; binnenhalen; binnenbrengen; inbrengen; inlaten; innemen; (2) invoeren; introduceren; overnemen; opnemen in; adopteren; aannemen; ontlenen; integreren; inlijven; [fig.] importeren; (3) oogsten; inoogsten; inzamelen; vergaren; verzamelen; [veroud., lit.t.] garen
通す toosu (1) doorlaten; laten passeren; voorbij laten; langs laten lopen; langs laten gaan; langs laten komen; langs laten trekken; doen heendringen door; laten overgaan; [i.h.b.] laten slagen; geleiden; overbrengen; transmitteren; [法案を] aannemen; erdoor krijgen; goedkeuren; (2) inlaten; binnenlaten; laten doordringen; inbrengen; [糸を] insteken; doorhalen; doorsteken; penetreren; [糸に] rijgen; aaneenrijgen; (3) doorvoeren; doorzetten; doordrijven; [政策を] doortrekken; doordrammen; [inform.] doordouwen; handhaven; volhouden; standvastig blijven in; doen gelden; ; blijven; doorgaan met; volharden in; door-; aanhoudend ~; aan één stuk ~; ten einde toe ~ [aangesloten op de ren'yōkei]
導入する dounyuusuru invoeren; introduceren; inleiden; in circulatie brengen; importeren; aannemen; adopteren; instellen; installeren
頂戴する choudaisuru ontvangen; krijgen; in ontvangst nemen; aanvaarden; aannemen; accepteren; aanpakken; [i.h.b.] te eten en te drinken krijgen
採択する saitakusuru aannemen; in een selectie opnemen; selecteren
採用する saiyousuru (1) aannemen; overnemen; adopteren; gebruiken; toepassen; aanwenden; ontlenen; (2) in dienst nemen; aannemen; tewerkstellen; [Belg.N.] aanwerven
察する sassuru (1) veronderstellen; vermoeden; de indruk krijgen; eruit opmaken; aannemen; achten; (2) voelen; gewaar worden; doorhebben; begrijpen; zich kunnen voorstellen; (3) meevoelen; meeleven; te doen hebben; begrip hebben voor
帰依する kiesuru gelovige worden; overgaan tot; zich bekeren tot; aannemen; aanvaarden; zich aansluiten bij; omhelzen; gaan aanhangen
養う yashinau (1) grootbrengen; opvoeden; kweken; (2) onderhouden; in het onderhoud voorzien van; voorzien in de levensbehoeften van; zorgen voor; (3) voeden; voeding geven; te eten geven; voederen; voeren; (4) adopteren; aannemen; (5) [病を] herstellen van; genezen van; er weer bovenop komen; weer bijkomen; zich (goed) verzorgen; (6) cultiveren; vormen; ontwikkelen; aankweken; opbouwen; [fig.] veredelen
雇う; 傭う yatou (1) in dienst nemen; aannemen; (geregeld) werk geven; tewerkstellen; inhuren; [m.b.t. een artiest] engageren; [m.b.t. een voetballer] contracteren; [m.b.t. een matroos] (aan)monsteren; werven; aanwerven; [mil.] enroleren; [schoolverlaters] plaatsen; (2) huren; afhuren; charteren
雇い入れる yatoiireru in dienst nemen; aannemen; tewerkstellen; inhuren; aanwerven; werven; aantrekken; engageren; employeren
寄せ付ける yosetsukeru (1) naderbij laten komen; in z'n buurt laten komen; tot zich laten komen; (2) [忠告を] aannemen; gehoor geven aan; luisteren naar
服する fukusuru (1) volgen; [命令に] opvolgen; gevolg geven aan; luisteren naar; zich voegen naar; zich schikken naar; gehoorzamen; nakomen; naleven; zich onderwerpen aan; buigen voor; zich neerleggen bij; toegeven aan; (2) [兵役に] dienen bij; in dienst zijn van; vervullen; [喪に] aannemen; [刑に] ondergaan; uitzitten; boeten; ; (1) doen volgen; (2) aantrekken; aandoen; zich kleden; (3) drinken; innemen; slikken
冒す okasu (1) trotseren; tarten; uitdagen; het hoofd bieden; braveren; [危険を] lopen; riskeren; wagen; op het spel zetten; in de waagschaal stellen; (2) [geneesk.] aantasten; schaden; treffen; (3) schenden; ontheiligen; profaneren; ontwijden; desacraliseren; violeren; afbreuk doen aan; lasteren; [veroud., lit.t.] schennen; (4) [姓を] aannemen; voeren; dragen; [i.h.b.] claimen; usurperen; zich aanmatigen; zich uitgeven voor
帯びる obiru (1) [刀を] dragen; aangorden; aandoen; om het middel (vast)binden; (2) belast zijn met; als toegewezen taak hebben; verantwoordelijk zijn voor; (3) een zweem hebben van; over zich hebben; dragen; [形状を] aannemen
憶測する okusokusuru gissen; gokken; schatten; vermoeden; aannemen; veronderstellen; speculeren
応じる oujiru (1) antwoorden; antwoord geven; ten antwoord geven; (2) [m.b.t. handeling, situatie etc.] beantwoorden; reageren op; weerwerk geven; (3) toestemmen; instemmen; akkoord gaan; aanvaarden; honoreren; inwilligen; toestaan; aannemen; consenteren; het groene licht geven voor; (4) solliciteren; zich inschrijven; zich opgeven; zich aanmelden; [w.g.] appliceren; (5) vervullen; voldoen aan; voldoende zijn; tevreden stellen; bevredigen
思う omou (1) denken; (2) geloven; overtuigd zijn; vast vertrouwen op; (3) geneigd zijn; de neiging hebben tot; (4) beschouwen als; bezien als; vinden dat; houden voor; (zich) aanrekenen als; menen; achten; veronderstellen ~ te zijn; (5) verwachten; hopen; rekenen op; voorzien; (6) vrezen dat; bang zijn dat; bevreesd zijn dat; (7) zich verbeelden; zich voorstellen; zich indenken; zich een beeld vormen van; (8) veronderstellen; aannemen; gissen; berekenen; er van uit gaan dat; (9) zich herinneren; (10) 10. van plan zijn te; de intentie hebben te; (11) 11. wensen; verlangen; willen; begeren; (12) 12. geïnteresseerd zijn in; belangstelling hebben voor; (13) 13. beminnen; liefhebben; verliefd worden op; verliefd zijn op; verlangen naar; (14) 14. zich afvragen of; (15) 15. verdenken van; wantrouwen; mistrouwen; verdenken te
想う omou (1) hopen; wensen; verwachten; voorzien; (2) gissen; vermoeden; raden naar; (3) veronderstellen; vooronderstellen; aannemen; uitgaan van; (4) zich herinneren; voor de geest roepen; voor de geest halen; voor zich halen; (5) sympathie voelen voor; sympathiseren met; een warm hart toedragen; genegenheid voelen voor; waardering gevoelen voor
可決する kaketsusuru aannemen; goedkeuren
抱える kakaeru (1) in zijn armen houden; vasthouden; dragen; (2) inhuren; aannemen; (te verzorgen) hebben; (ten laste) hebben
仮定する kateisuru veronderstellen; aannemen; [veroud., Belg.N., niet alg.] nemen
構える kamaeru (1) oprichten; (zich) vestigen; (2) klaarmaken; paraat maken; [銃を] in de aanslag brengen; (3) aannemen; zich voordoen als; zich aanmeten; zich voordoen als; (4) doen alsof; veinzen; voorwenden; pretenderen; voorgeven
仮想する kasousuru zich verbeelden; zich voorstellen; zich indenken; zich imagineren; veronderstellen; aannemen; [gew.] zich inbeelden
引き受ける hikiukeru (1) op zich nemen; aannemen; overnemen; ondernemen; ter hand nemen; aanvaarden; accepteren; voor zijn rekening nemen; tekenen voor; zich verplichten tot; zich belasten met; [i.h.b.] zorgen voor; (2) instaan voor; garanderen; waarborgen; borg staan voor
睨む niramu (1) dreigend aankijken; strak aanblikken; staren; gluipen; aanstaren; aangrijnzen; aangrimmen; begluipen; (2) schatten; aannemen; [schuldig enz.] achten; rekenen; houden voor; menen; denken; vermoeden; [i.h.b.] verdenken; (3) in de gaten houden; in het oog houden; (nauwlettend) gadeslaan; bekoekeloeren; scherp letten op; [m.b.t. politie] loeren op; loerogen; beloeren; [i.h.b.] scheef aankijken
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.51 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 55 treffers (zoekopdracht: 'aannemen', strategie: exact). 
2005-2020