日蘭辭典+

42 resultaten voor ‘aanvaarden’
日蘭辭典 (trefwoord)
itadaku戴く
t.w. (1) [冠る] opzetten; dragen; op het hoofd hebben; i.w. bedekt zijn met. t.w. (2) [貰ふ] ontvangen; aanvaarden; krijgen. (3) [食ふ又は飮む] eten; drinken; gebruiken. i.w. [治者を] geregeerd worden door; t.w. boven zich hebben. ¶ 帽を戴く een hoed dragen. ¶ 水を一杯戴きます mag ik een glas water hebben? ¶ 戸を閉めて戴きませう zou u de deur dicht willen doen?
hanketsu判決
zn. vonnis o.; uitspraak v.; beslissing v. ¶ 判決する uitspraak doen; vonnis vellen. ¶ 判決に服する in het vonnis berusten. ¶ 判決例 rechtelijk precedent. ¶ 判決取消 vernietiging van een vonnis. ¶ 判決文 het vonnis; afschrift van het vonnis.
ukeireru受入れる
(受け入れる) t.w. aanvaarden.
kau買ふ
(買う) t.w. (1) [購求] koopen; i.w. zich aanschaffen. i.w. (2) [招致] zich op den hals halen. t.w. (3) [喧嘩相手なる] (strijd) opnemen; (uitdaging) aanvaarden.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <aanvaarden>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
了承するryoushyousuru (1) begrip hebben voor; erkennen; accepteren; aanvaarden; instemmen; toestemmen; goedkeuren; permitteren; (2) nota nemen van
kyou aanvaarden; in bezit nemen
入れるireru (1) plaatsen in; indoen; inzetten in; inbrengen in; (2) inschenken; ingieten; bijgieten; (3) toevoegen; bijvoegen; invoegen; (4) binnenlaten; laten binnenkomen; (5) [iemand; bv. patiënt; student; gast etc.] toelaten; onder zijn hoede nemen; (6) kunnen bevatten; plaats hebben voor; groot genoeg zijn voor; ruim genoeg zijn voor [een bepaald aantal personen]; (7) aanwerven; aanbrengen; in dienst nemen; ronselen; rekruteren; (8) luisteren naar [een advies; verzoek; visie van iemand anders etc.]; gehoor geven aan; (9) tolereren; dulden; aanvaarden; begrip hebben voor; begrijpen; pikken; (10) samengaan; kunnen samengaan; verenigbaar zijn; compatibel zijn; consistent zijn; (11) meerekenen; meetellen; incalculeren; inbegrepen zijn; (12) [茶; コーヒーを] maken; zetten; (13) [スイッチを] aanswitchen; aansteken; aandraaien; aanzetten; aandoen; aanknippen; in werking stellen; zetten; inschakelen
入居するnyuukyosuru betrekken; z'n intrek nemen in; gaan wonen in; intrekken in; in een huis trekken; aanvaarden
出発するshyuppatsusuru (1) vertrekken; heengaan; afreizen; zich op weg begeven; [旅行に] aanvaarden; op weg gaan; verlaten; [fig.] afsteken; [m.b.t. vliegtuig] opstijgen; [m.b.t. vaartuig] afvaren; (2) starten; van start gaan; beginnen; uitgaan van
収めるosameru (1) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (2) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (3) opdragen aan; toewijden aan; [神社へ] offeren aan; aanbieden; consacreren; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; schikken; slechten; beslechten; afhandelen; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [鳥が羽を] z'n vleugels vouwen; (10) aannemen; accepteren; aanvaarden
取り上げる ; 取りあげる ; 採りあげるtoriageru (1) opnemen; oppakken; (2) [een woord in een taal enz.] opnemen; honoreren; ingaan op; [een mening; ontslag; bezwaar enz.] aanvaarden; aannemen; [een mening enz.] opvatten; [een voorstel enz.] overnemen; [een idee enz.] adopteren; [een zaak enz.] entameren; in behandeling nemen; [een interessant punt enz.] opbrengen; aan de orde stellen; aanhangig maken; aandragen; ter tafel brengen; [fig.] aansnijden; (3) afnemen; afpakken; ontnemen; afhandig maken; [iem. iets] uit de hand slaan; [iem. van zijn bevoegdheden enz.] beroven; [een vergunning enz.] intrekken; [iem. uit de ouderlijke macht enz.] ontzetten; aanslaan; confisqueren; verbeurdverklaren; in beslag nemen; beslag leggen op; [smokkelwaar e.d.] aanhalen; [i.h.b.] onteigenen; [i.h.b.] expropriëren; [goederen] arresteren; (4) [m.b.t. kinderen] halen; geboren doen worden; ter wereld helpen
取るtoru (1) nemen; vatten; pakken; grijpen; hanteren; (2) krijgen; ontvangen; winnen; halen; aannemen; aanvaarden; (3) kiezen; uitkiezen; pikken; (4) vragen; aanrekenen; innen; (5) begrijpen; interpreteren; opvatten; (6) wegnemen; verwijderen; weghalen; (7) vangen; oogsten; binnenhalen; (8) afnemen; afpakken; stelen; pikken; (9) vergen; vereisen; (10) boeken; reserveren; vastleggen; (11) innemen; bezetten
受けるukeru (1) ontvangen; krijgen; verkrijgen; verwerven; (2) aanvaarden; aannemen; accepteren; nemen; (3) pakken; tegenhouden; [een bal] vangen; [een slag] pareren; afwenden; (4) [de telefoon] opnemen; beantwoorden; gehoor geven bij het telefoneren; (5) ondergaan; meemaken; ervaren; [誘惑を] op de proef gesteld worden; [試験を] afleggen; [洗礼を] gedoopt worden; (6) [een verlies] lijden; [een verwonding] oplopen; [een belediging] incasseren; moeten verduren; blootgesteld worden aan; onderworpen worden aan; (7) [lessen] nemen; [een opleiding] volgen; genieten; (8) geloven; geloof hechten aan; aannemen; als waar beschouwen; voor zoete koek slikken; als juist aanvaarden; als zo zijnd aanvaarden; (9) staan; gelegen zijn tegenover; uitzicht geven op; gericht zijn naar [een windstreek; ander referentiepunt]; (10) erven; overerven; [eigenschappen] van zijn (voor)ouders meekrijgen; (11) populair worden; aan populariteit winnen; in de smaak vallen; tot de verbeelding spreken; in trek raken; geliefd worden; in zwang raken; aanslaan
受け付けるuketsukeru (1) [een aanvraag; verzoek; petitie] aannemen; in ontvangst nemen; (2) aanvaarden
受け入れる ; 受け容れるukeireru (1) ontvangen; toelaten; opnemen; aannemen; aanvaarden; accepteren; (2) inwilligen; toestaan; instemmen met; ingaan op; tegemoetkomen; verhoren; (3) opvangen; onthalen; binnenlaten; toegang geven
受容するjuyousuru aanvaarden; aannemen; accepteren; opnemen; onthalen; ontvangen
受理するjurisuru aanvaarden; accepteren; aannemen; kennis nemen van
受諾するjudakusuru (1) aanvaarden; aannemen; accepteren; (2) instemmen met; inwilligen; goedkeuren
受領するjuryousuru ontvangen; in ontvangst nemen; aannemen; aanvaarden; accepteren
呑むnomu (1) [fig.] slikken; nemen; pikken; accepteren; aanvaarden; [i.c.m. ontkenning] pruimen; incasseren; [fig.] verduwen; [inform.; fig.] vreten; (2) overweldigen; overdonderen; inpakken; [fig.; sportt.] inblikken; [fig.] inmaken; [fig.; sportt.] afdrogen; (3) bedwingen; onderdrukken; [m.b.t. tranen] inslikken; inhouden; smoren; (4) verborgen houden; verhelen; achterhouden
始めるhajimeru (1) beginnen; aanvangen (met); [撤退を] aanvaarden; starten; in gang zetten; [話; 歌を] aanheffen; [追跡を] inzetten; [砲撃; 営業を] openen; [企業を] opstarten; [連絡; 議論を] aanknopen; aanbinden; een aanvang nemen met; een begin maken met; aanvatten; ter hand nemen; tijgen aan; [戦闘を] aangaan; entameren; lanceren; initiëren; (2) weer bezig zijn [met een hebbelijkheid; tic enz.]; (3) […~] beginnen te …
容れるireru aanvaarden; luisteren naar; gehoor geven aan; instemmen met; toestemmen in; inwilligen
容認するyouninsuru (1) goedkeuren; goedvinden; toestemmen in; akkoord gaan met; toelaten; (2) toegeven; erkennen; aanvaarden
就くtsuku (1) [werk enz.] vinden; [een functie; ambt; leeropdracht enz.] aanvaarden; [aan het bewind; op de troon enz.] komen; [de troon] bestijgen; beklimmen; [in een nieuwe baan enz.] beginnen; [bij het leger enz.] dienst nemen; [aan het werk enz.] tijgen; (2) [m.b.t. reis] aanvaarden; aanvangen; [in slaap] vallen; [m.b.t. de wacht] betrekken; [in de verdediging enz.] gaan; (3) les; college lopen (bij); studeren (bij); [de weg van de minste weerstand enz.] volgen
帰依するkiesuru gelovige worden; overgaan tot; zich bekeren tot; aannemen; aanvaarden; zich aansluiten bij; omhelzen; gaan aanhangen
座る ; 坐るsuwaru (1) gaan zitten; plaatsnemen; neerzitten; zich zetten; zich neerzetten; een stoel pakken; (2) [m.b.t. positie] aanvaarden; [m.b.t. troon] bestijgen; [m.b.t. troon] beklimmen
引き受ける ; 引受ける ; 引き請ける ; 引請けるhikiukeru (1) op zich nemen; aannemen; overnemen; ondernemen; ter hand nemen; aanvaarden; accepteren; voor zijn rekening nemen; tekenen voor; zich verplichten tot; zich belasten met; [i.h.b.] zorgen voor; (2) instaan voor; garanderen; waarborgen; borg staan voor
応じるoujiru (1) antwoorden; antwoord geven; ten antwoord geven; (2) [m.b.t. handeling; situatie etc.] beantwoorden; reageren op; weerwerk geven; (3) toestemmen; instemmen; akkoord gaan; aanvaarden; honoreren; inwilligen; toestaan; aannemen; consenteren; het groene licht geven voor; (4) solliciteren; zich inschrijven; zich opgeven; zich aanmelden; [w.g.] appliceren; (5) vervullen; voldoen aan; voldoende zijn; tevreden stellen; bevredigen
手に入れるteniireru (1) in handen krijgen; zich toe-eigenen; tot zijn eigendom maken; in bezit nemen; aannemen; aanvaarden; verwerven; behalen; [i.h.b.] op de kop tikken; (2) naar z'n hand zetten; stellen; om de vinger winden; (als een marionet) bespelen
承諾するshyoudakusuru toestemmen; toestaan; goedkeuren; instemmen met; inwilligen; aanvaarden
発つtatsu vertrekken (uit); verlaten; op weg gaan; zich op weg begeven; [旅へ] aanvaarden; afreizen; tijgen
着手するchakushyusuru ter hand nemen; een begin; aanvang maken (met); aan de slag; gang gaan met; beginnen aan; met; tijgen aan; starten (met); gaan doen aan; entameren; van start gaan met; van wal steken met; aanvatten; aanvangen; aanpakken; aanvaarden; aansnijden
納めるosameru (1) opdragen aan; toewijden aan; offeren aan [een godheid]; aanbieden [aan een godheid]; consacreren; (2) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (3) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [m.b.t. een vogel] zijn veren vouwen; (10) aannemen; accepteren; aanvaarden
納得するnattokusuru (1) instemmen (met); toestemmen (in); aanvaarden; aannemen; accepteren; goedvinden; [veroud.] bewilligen; zich laten welgevallen; (2) verstaan; begrijpen; genoegen nemen met
継承するkeishyousuru opvolgen; erven; succederen; overerven; [王位を] aanvaarden
許す; 赦す; 聴すyurusu (1) door de vingers zien; dulden; vergeven; niet kwalijk nemen; pardonneren; verontschuldigen; (2) toelaten; vergunnen; erkennen; aanvaarden; toestaan; toestemming geven voor; verlenen; veroorloven; toestemmen in; inwilligen; verhoren; (3) [zijn aandacht] verslappen; zwichten voor; zich geven aan; [de tegenstander een winstpunt] gunnen; [iemand zijn vertrouwen] schenken; (4) erkennen [als uitmuntend]; accrediteren als
認めるmitomeru (1) opmerken; zien; bespeuren; bekennen; waarnemen; in de gaten hebben; getuige zijn van; (2) [schuldig enz.] bevinden; vinden; achten; menen; oordelen; beschouwen; aanzien; houden voor; van mening zijn dat; (3) toegeven; erkennen; inzien; aanvaarden; accepteren; aannemen; honoreren; goedkeuren; toelaten; toestaan; sanctioneren; (4) erkennen; waarderen; appreciëren
負うou (1) op de rug nemen; tillen; dragen; torsen; (2) [責任を] zich belasten met; aanvaarden; dragen; op zich laden; nemen; zich aansprakelijk stellen; (3) [恩人に] schuldig; verplicht; verschuldigd; schuldplichtig zijn; in het krijt staan bij; (4) [傷を] oplopen
開始するkaishisuru beginnen; aanvangen; een aanvang maken; een begin maken; [撤退を〜] aanvaarden; starten; opstarten
頂戴するchoudaisuru ontvangen; krijgen; in ontvangst nemen; aanvaarden; aannemen; accepteren; aanpakken; [i.h.b.] te eten en te drinken krijgen
鵜呑みunomi (1) het opslokken; inslikken zonder te kauwen; alles maar instoppen; naar binnen schrokken; werken; (2) het kritiekloos slikken; aanvaarden; het klakkeloos aannemen
鵜呑みにするunominisuru (1) opslokken; inslikken zonder te kauwen; alles maar instoppen; in één zwelg naar binnen schrokken; werken; in z'n geheel verzwelgen; (2) kritiekloos slikken; aanvaarden; klakkeloos aannemen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.51 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 38 treffers (zoekopdracht: 'aanvaarden', strategie: exact). 
2005-2021