日蘭辭典+

17 resultaten voor ‘aanvallen’
日蘭辭典 (trefwoord)
shūgeki襲擊
(襲撃) zn. aanval m.; bestorming v. ¶ 襲擊する aanvallen.
rikutsu理窟
(理屈) zn. (1) [議論] redenering v.; argument o. (2) [道理] reden v. (3) [理論] theorie v. (4) [口實] voorwendsel o. (5) [屁理窟] spitsvondigheid v. ¶ 理窟が立つ gemotiveerd zijn; in de rede liggen. ¶ 理窟をつける een reden vinden. ¶ 理窟攻めにする met argumenten aanvallen.
damashiuchi騙し打ち

(だまし討ち, 騙し討ち) zn onverhoedsche aanval m. ¶ 騙し打ちにする onverhoeds aanvallen.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <aanvallen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
手を付ける tewotsukeru (1) beginnen aan; (2) een affaire beginnen met; het aanleggen met; aanpappen met; (3) beginnen te gebruiken; aanspreken; [i.h.b.] in zijn zak steken; achteroverdrukken; (4) beginnen te eten van; toetasten; aanvallen
突く tsuku (1) steken; prikken; priemen; spietsen; (2) porren; poken; stompen; aanstoten; duwen; [inform.] douwen; stoten; rammen; [m.b.t. hoornvee] nijten; een stoot; por; zet; tik; klopje geven; [m.b.t. zegel] drukken; [m.b.t. bal] tikken; [m.b.t. biljartbal] stoten; [een pluimpje; klok enz.] slaan; [i.c.m. 溜め息を] slaken; [i.c.m. 溜め息を] lozen; (3) zetten; plaatsen; planten; [krukken enz.] gebruiken; [op de knieën] vallen [m.b.t. dunne; langwerpige voorwerpen die als steun geplaatst worden]; (4) aanvallen; belagen; [de geringste redeneerfout enz.] aangrijpen; [iets in zijn achilleshiel enz.] treffen; [iem. in zijn zwak enz.] tasten; [op de kern van de zaak enz.] slaan; (5) [alle weer; de elementen enz.] trotseren; het hoofd bieden; braveren; tarten; (6) [de neus enz.] prikkelen; [m.b.t. stank enz.: in de neus] slaan; snerpen (in); [door de ziel enz.] snijden; [iem. in zijn hart enz.] raken; treffen; diep schokken
向かう mukau (1) staan tegenover; uitzien op; uitkijken op; het gezicht toekeren; aanzitten aan [de dis enz.]; (2) gaan in de richting van; trekken naar; vertrekken naar; zich begeven naar; op weg gaan naar; weggaan naar; aanlopen op; afgaan op; afkomen op; aangaan op; afstevenen op; aanhouden op; aansturen op; tegemoet gaan; zich keren tot; (3) worden; naderen; nabij zijn; (4) tegen [de wind enz.] in gaan; trotseren; zich keren tegen; er op losgaan; aanvallen; oprukken naar
討つ utsu (1) aanvallen; attaqueren; een aanval doen; aanvliegen; bestormen; naar de keel vliegen; (2) vermoorden; ombrengen; van het leven beroven; (3) onthoofden; het hoofd afhakken; het hoofd afhouwen; decapiteren
打ち込む uchikomu (1) drijven in; indrijven; aandrijven; slaan in; inslaan; aanslaan; heien in; inheien; hameren in; inhameren; [fig.] prenten in; [fig.] inprenten; [m.b.t. beton] storten in; [m.b.t. data] invoeren; stoppen in; intikken; intypen; (2) opgaan in; zich er geheel aan wijden; zich met hart en ziel toeleggen op; zich overgeven aan; zich geven aan; dwepen met; [m.b.t. liefde] vallen op; voor; zwaar verliefd worden op; smoor; stapel; verzot; gek; dol zijn op; weg zijn van; (3) slaand doen komen in; [sportt.] smashen in; [w.g.] inschieten; [mil.] vuren (in; op); [mil.] schieten in; [m.b.t. kogel] jagen in; [meton.] (lood) pompen in; (4) [m.b.t. kendo] (onverhoeds) aanvallen; treffen; (5) [m.b.t. go] z'n schijf binnen de formatie van de tegenspeler plaatsen; terrein van de tegenspeler invallen; (6) [honkb.] een werper uitschakelen; vele hits scoren
進撃する shingekisuru aanvallen; opmarcheren; oprukken; aanrukken; chargeren
攻撃する kougekisuru (1) aanvallen; een aanval doen; attaqueren; ten aanval trekken; een inval doen; bestormen; aanvliegen; naar de keel vliegen; aangrijpen; (2) bekritiseren; afkeuren; een kritische noot plaatsen bij; aanschoppen tegen; de vloer aanvegen met; verwijten; euvel duiden; (3) [honkbalterm, baseballterm] een batting uitvoeren
攻める semeru aanvallen; attaqueren; een aanval doen op; bestoken; aanpakken; aangrijpen; aantasten
食べ始める tabehajimeru beginnen te eten; [がつがつ] aanvallen; toetasten; het op een eten zetten
叩く tataku (1) slaan; kloppen; meppen; [軽く] tikken; aantikken; [激しく] bonzen; beuken; hameren; [どんと] bonken; [手を] klappen; [ごつんと] stompen; [口を] roeren; [i.h.b.] bekloppen; [i.h.b.] aankloppen; [ピアノの鍵を] aanslaan; (2) aanvallen; attaqueren; bekritiseren; hekelen; de volle laag geven; de wind van voren geven; onder vuur nemen; ervan langs geven; (3) bestoken; aanvallen; (4) [意見を] polsen; peilen; (5) [肉を] fijnsnijden; hakken; (6) [値段を] drukken; doen zakken; naar beneden brengen; reduceren; afpingelen; beknibbelen
遣っ付ける yattsukeru (1) verslaan; overwinnen; afmaken; uitschakelen; vellen; winnen van; doden; ervan langs geven; de volle laag geven; een pak slaag geven; zwaar aanpakken; de das omdoen; [fig.] afdrogen; inmaken; inblikken; afranselen; afstraffen; afrossen; een afstraffing geven; zijn portie geven; zijn vet geven; ik zal hem!; een gevoelig lesje geven; afrekenen met; korte metten maken; 'em een kantje geven; (2) scherp bekritiseren; heftig tekeergaan tegen; aanvallen; te lijf gaan; uithalen naar; afkammen; afbreken; afkraken; de grond in boren; neerhalen; neersabelen; hekelen; kraken; aftroeven; de grond in trappen; op de korrel nemen; roskammen; de vloer aanvegen met; (3) afwerken; afmaken; afdoen; afhandelen; [問題を] afwikkelen; afronden; komaf maken met; wegdoen; wegwerken; zich ontdoen van; uit de weg ruimen; (4) aandurven te ~; durven te ~; wagen te ~; het bestaan te ~; zo brutaal zijn te ~; het lef hebben te ~; erdoorheen sukkelen; met vallen en opstaan het einde halen; het klaarspelen; het gedaan krijgen; het voor elkaar boksen; het bolwerken; het fiksen; stellen; flikken; opknappen; schiemannen; lappen; het 'm leveren; het presteren om ~; het rooien; weten te ~; (5) vreten; zuipen
犯す okasu (1) [m.b.t. zonde, ondeugd, misdrijf, wandaad etc.] begaan; plegen; [iets slechts of nadeligs] doen; (2) schenden; verbreken; overtreden; inbreuk maken op; zich niet houden aan; met voeten treden; (3) trotseren; uitdagen; in de wind slaan; negeren; zich niets aantrekken van; (4) aanranden; aanvallen; verkrachten; onteren; te na komen
襲い掛かる osoikakaru aanvallen; aanpakken; aanranden; te lijf gaan; op het lijf vallen; zich werpen op; zich storten op; toespringen op; aanvliegen; attaqueren; overvallen; afstormen op
アタックする atakkusuru (1) [sportt.] aanvallen; attaqueren; (2) [bergsport] [頂上に] aanvallen; (3) [難関に] aanvatten; aanpakken; (4) [muz.] inzetten; aanheffen; attaqueren
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.36 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 14 treffers (zoekopdracht: 'aanvallen', strategie: exact). 
2005-2019