日蘭辭典+

24 resultaten voor ‘aanvoeren’
日蘭辭典 (trefwoord)
tateru立てる、樹てる
(建てる) t.w. (1) [立起す] laten staan; neerzetten; hijschen (旗を); overeind zetten (石を); spitsen (耳を). (2) [建造する] bouwen; oprichten. (3) [閉ぢる] sluiten; dichtdoen. (4) [設立する] stichten; (組織する) instellen; organiseeen. (5) [制定する] vaststellen. (6) [計畫を] beramen. (7) [議論を] opwerpen; aanvoeren. (8) [勳功を] tot stand brengen; presteeren. ¶ 忠義を立てる trouw zijn. ¶ 男を立てる zijn waardigheid als man handhaven. ¶ 腹を立てる boos worden. ¶ 噂を立てる gerucht verspreiden. ¶ を立てる zich een positie verovereren; carriere maken. ¶ 生計を立てる zijn brood verdienen. ¶ 聲を立てる geluid geven. ¶ を立てる zweren; gelofte doen. ¶ 使を立てる boodschap zenden. ¶ の目を立てる zaag scherpen. ¶ 棘を立てる zich aan doorn prikken.
teishutsu提出
zn. initiatief o.; aanbieding v. ¶ 提出する te berde brengen; aanvoeren; naar voren brengen; aanbieden; voorstellen; initiatief nemen. ¶ 抗議を提出する protesteeren.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <aanvoeren>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
提出する teishutsusuru indienen; voorleggen; inleveren; aanhangig maken; afgeven; overgeven; ter hand stellen; bieden; [m.b.t. mening] naar voren brengen; opperen; [bewijsstukken enz.] voorbrengen; [m.b.t. klacht] inbrengen; [m.b.t. klacht] neerleggen; [m.b.t. bewijs] aanvoeren; [m.b.t. ontslag] aanbieden; [m.b.t. oplossing] aandragen; [m.b.t. verzet; protest] aantekenen; [jur.; stukken enz.] produceren; [jur.] exhiberen; [jur.] overleggen; [jur.] deponeren; [m.b.t. probleem] stellen
提供する teikyousuru aanbieden; bieden; leveren; verschaffen; voorzien van; zorgen voor; aanreiken; aanvoeren; aandragen; ter beschikking stellen; van dienst zijn met; ten dienste stellen van; [i.h.b.] doneren; [w.g.] fourneren
運搬する unpansuru vervoeren; transporteren; overbrengen; aanvoeren
引用する inyousuru citeren; aanhalen [uit een boek; film etc.]; lenen van; uit [een wetenschappelijke theorie]; aanvoeren
補給する hokyuusuru bevoorraden; aanvoeren; toevoeren; aanvullen; bijvullen; herbevoorraden
主張する shuchousuru (met klem) beweren; asserteren; claimen; stellen; aanvoeren; poneren; volhouden; erop staan; betogen; insisteren; staande houden; eropna houden; verdedigen; bepleiten; voorstaan; huldigen; [Belg.N.] vooropstellen; [i.h.b.] benadrukken; [i.h.b.] beklemtonen; [i.h.b.] de nadruk leggen op
指揮する shikisuru (1) het bevel voeren (over); leiden; aanvoeren; bevelen; commanderen; instrueren; instructie geven; gebieden (over); (2) [muz.] dirigeren; leiden
先導する sendousuru leiden; aanvoeren; geleiden; voorgaan; vooropgaan; aan het hoofd gaan; gidsen; de weg wijzen; loodsen
統率する tousotsusuru leiden; aanvoeren; commanderen; bevelen; het bevel; commando; gezag voeren over; de leiding hebben over; aan het hoofd staan van
唱える tonaeru (1) reciteren; declameren; opzeggen; herhalen; scanderen; roepen; schreeuwen; (2) bepleiten; verdedigen; voorstaan; (3) naar voren brengen; aanvoeren; te berde brengen; opperen
束ねる tabaneru (1) aaneenbinden; opbinden; samenbinden; bundelen; schoven; in garven; tot schoven binden; (2) aanvoeren; leiden; beheersen; controleren
出す dasu (1) te voorschijn halen; uithalen; eruit halen; [gew., お酒を] ophalen; naar buiten brengen; uitnemen; [トランプの札を] uitspelen; opspelen; zetten; [外に] uitlaten; buitenlaten; [水を] openzetten; laten lopen; lozen; (2) uitsteken; [旗を] uithangen; (3) uiten; slaken; [音; サインを] geven; maken; produceren; (4) publiceren; uitgeven; uitbrengen; op de markt brengen; uitvaardigen; openbaren; tonen; [i.h.b.] onthullen; ontbloten; laten blijken; aan de dag leggen; tentoonspreiden; uitstallen; etaleren; (5) serveren; opdienen; voorschotelen; te berde brengen; aankomen met; komen aanzetten met; leveren; afleveren; verschaffen; opgeven; verstrekken; aanbieden; presenteren; uitreiken; [証を] aanvoeren; (6) insturen; inzenden; inleveren; indienen; [新人選手を] inzetten; (7) sturen; zenden; afvaardigen; verzenden; opsturen; versturen; (8) uitsturen; uitzenden; [ガスを] uitstoten; emitteren; [熱を] ontwikkelen; (9) doen vertrekken; [船を] uitzetten; [列車を] inleggen; (10) 10. betalen; opbrengen; (11) 11. veroorzaken; opleveren; voortbrengen; geven; [スピードを] halen; opdrijven; (12) 12. [店; 支店を] openen; beginnen; ; (1) 13. […~] naar buiten …; uit-; (2) 14. […~] beginnen te …; het op een … zetten
先立つ sakidatsu (1) aanvoeren; leiden; leiding geven (aan); (2) voorafgaan; voorgaan; precederen; vooropgaan; aan het hoofd gaan; (3) [fig.] een eerste vereiste zijn; (4) vooroverlijden; vooraf; vroeger sterven
供給する kyoukyuusuru leveren; verschaffen; bevoorraden; voorzien van; aanvoeren
来たす kitasu (1) doen komen; laten komen; uitnodigen; aanvoeren; aanbrengen; (2) teweegbrengen; doen ontstaan; veroorzaken; leiden tot
反論する hanronsuru repliceren; van repliek dienen; weerwoord geven; weerwerk leveren; tegenspel leveren; geven; bieden; terugslaan op; een tegenpunt maken; een tegenargument stellen; aanvoeren; weerleggen; refuteren; tegenspreken; ontzenuwen
運ぶ hakobu (1) vervoeren; transporteren; overbrengen; aanvoeren; aanbrengen; brengen; voeren; (2) [zijn schreden enz.] wenden naar; [koers enz.] richten naar; [geen stap, voet enz.] verzetten; (3) voortgaan met; voortzetten; vervolgen; [de pen enz.] voeren; ; vorderen; vooruitgaan; opschieten; (vlot) verlopen; vooruitkomen; (goed) gaan
引く hiku (1) 16. achteruitgaan; teruggaan; terugtrekken; afgaan (van); terugwijken; (2) 17. zich retireren; zich terugtrekken; verlaten; [veroud.] resigneren; (3) 18. afnemen; zakken; dalen; wijken; wegtrekken; teruglopen; ; (1) trekken (aan); halen; [een hendel, de trekker enz.] overhalen; [naar zich] toetrekken; aanhalen; [een boog] spannen; opspannen; (2) [de aandacht] trekken; [klanten] aantrekken; [sympathie] winnen; [belangstelling] wekken; (3) [een vaartuig] jagen; slepen; [een schip] treilen; [een trekdier] geleiden; leiden; (4) citeren; aanhalen; (5) stammen uit; afstammen van; [系統を] afkomen van; spruiten uit; [i.h.b.] aarden naar; (6) [hout] zagen; [op een pottenbakkersschijf] draaien; (7) malen; vermalen; fijnmalen; (8) [een lijn, een draad] trekken; lijnen; spinnen; [een rechte] beschrijven; (9) aanhouden; rekken; (10) 10. [gordijnen] dichttrekken; dichtdoen; (11) 11. aanbrengen; besmeren; bedekken; bestrijken; (12) 12. [elektriciteit] aanleggen; installeren; aansluiten; [water (door buizen enz.)] aanvoeren; [veroud.] aanleiden; (13) 13. [een getal] aftrekken; [een bedrag] afhouden; in mindering brengen; afnemen; [iets in prijs] verlagen; afdoen; verminderen; reduceren; terugbrengen; [i.h.b.] korting geven; (14) 14. [de troepen] terugtrekken; intrekken; [visnetten] ophalen; [de handen (van iets)] aftrekken; (15) 15. overrijden; omrijden; omverrijden; aanrijden
引き合いに出す hikiainidasu (1) verwijzen naar; refereren aan; aanhalen; vermelden; aanvoeren; (2) tot getuige roepen; als getuige oproepen
率いる hikiiru leiden; aanvoeren; aan de leiding staan van; aan het hoofd staan van; het hoofd zijn van; de leiding hebben van; over; het bevel voeren over
上げる ageru (1) heffen; opheffen; omhoogheffen; verheffen; oprichten; tillen; optillen; omhoogtillen; omhoogbrengen; liften; verhogen; eleveren; [凧を] oplaten; opsteken; [棚に] leggen op; opleggen; [帆を] hijsen; ophijsen; omhooghijsen; opbrengen; opvissen; [碇を] lichten; hieuwen; [陸に] landen; aan land zetten; [顔を] opkijken; (2) loven; prijzen; roemen; huldigen; ophemelen; hoog opgeven van; (3) opvoeren; doen toenemen; optrekken; opjagen; opdrijven; [温度を] hoger zetten; [スピードを] vergroten; (4) bevorderen; promoveren; (5) overgeven; braken; opgeven; kotsen; vomeren; over z'n nek gaan; [gew.] opbrengen; (6) [客を] binnenlaten; inlaten; brengen; leiden naar; geleiden; (7) [学校へ] op school doen; (8) geven; aanbieden; toedienen; offreren; schenken; voorzetten; [娘を] wegschenken; (9) offeren; ten offer brengen; (10) 10. overhandigen; ter hand stellen; reiken; overreiken; (11) 11. ten einde brengen; afdoen; afwerken; volbrengen; voltooien; (12) 12. klaarspelen; gedaan weten te krijgen; (13) 13. [式を] houden; vieren; celebreren; fêteren; (14) 14. [例を] geven; vermelden; noemen; aanhalen; citeren; aanvoeren; leveren; opnoemen; opsommen; opgeven; opvissen; (15) 15. [子を] krijgen; [母が] het leven schenken; baren; [父が] verwekken; (16) 16. verbeteren; ontwikkelen; ontplooien; (17) 17. [髪を] doen; opmaken; opsteken; kappen; (18) 18. aanhouden; pakken; oppakken; vatten; inrekenen; snappen; in hechtenis nemen; in de kraag grijpen; arresteren; (19) 19. [芸者を] bestellen; laten komen; erbij halen; uitnodigen; ontbieden; engageren; (20) 20. frituren; in kokend vet bakken; braden; [gew.] fritten; (21) 21. [結果を] behalen; bereiken; verkrijgen; verwerven; realiseren
輸入する yunyuusuru invoeren; importeren; introduceren; aanvoeren
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.39 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'aanvoeren', strategie: exact). 
2005-2019