日蘭辭典+

41 resultaten voor ‘aanzien’
日蘭辭典 (trefwoord)
ago
zn. kin v.; kaak v. ¶ 二重顎 dubbele kin; onderkin. ¶ 顎で扱ふ met den nek aanzien; den neus ophalen voor.
yashin野心
zn. hebzucht v.; agressieve bedoelingen v.mv.; eerzuchtige plannen o.mv.; begeerigheid v. ¶ 蘭領印度に對して野心を懷く begeerige ogen slaan op Nederlandsch Indië; agressieve bedoelingen koesten [sic] ten aanzien van Nederlandsch Indië.
to
vw. (1) [及び] en. bw. (2) [さうすると] dan. (3) [假定] indien; als. vz. (4) [一緖に] met. (5) [丁度其時] wanneer; zoodra; toen. ¶ 犬と猫 honden en katten. ¶ 英國との同盟 verbond met Engeland. ¶ 友達と別れる scheiden van zijn vrienden. ¶ 食事が終わると als we klaar zijn met eten; zoodra het eten afgelopen is. ¶ あの人が君の叔父さんと思った ik zag dien man voor je oom aan; ik dacht, dat het je oom was.
menboku面目
zn (1) [名譽] waardigheid v.; eer v. (2) [顏色] gezicht o. ¶ 面目なる zijn familie tot eer strekken. ¶ 面目關する de eer is er mede gemoeid. ¶ 面目保つ zijn eer hoog houden; (俗) zijn figuur redden. ¶ 面目失ふ een gek figuur slaan; beschaamd staan. ¶ 面目改める een geheel ander aanzien krijgen.
mieru見える
i.w. (1) [に映る] zichtbaar zijn; gezien kunnen worden; in ’t gezicht komen. (2) [らしい] er uitzien als; aanzien hebben van; schijnen te zijn. (3) [出現] opdagen; verschijnen; komen. ¶ 見えなくなる onzichtbaar worden; verdwijnen. ¶ 見え出す in het gezicht komen. ¶ 日本人とは見えない hij ziet er niet uit als een Japanner. ¶ 病氣見える hij schijnt ziek te zijn. ¶ 先生はまだ見えない de leeraar is er nog niet.
naname
(斜め) zn. scheefheid v.; schuinte v. ¶ 斜の schuin; scheef; hellend. ¶ 斜に傾く hellen; schuin staan. ¶ 斜に見る van ter zijde aanzien; een schuinen blik slaan.
fūki富貴
SUPPLEMENT (trefwoord)
kanroku貫禄
De waardigheid, de stijl etc. die mensen van iemand ervaren door zijn of haar houding of figuur; het gezag of gewicht dat iemand heeft; prestige; status; autoriteit; overwicht; aanzien; tegenwoordigheid; voorkomen; ernst. ¶ 貫禄のある kanroku no aru gewichting; belangrijk; aanzienlijk; gerespecteerd; vooraanstaand; prominent; notabel. ¶ 貫禄がついた kanroku ga tsuita (idem.) ¶ 君は課長としての貫禄がないね。 Kimi wa kachō to shite no kanroku ga nai ne. Je mist de autoriteit van een afdelingshoofd.; Je hebt niet het gezag van een afdelingshoofd.; Je hebt voor een afdelingshoofd niet genoeg aanzien. (TTC)

NB het woord 貫禄 kanroku verwees oorspronkelijk naar (de omvang van) het salaris van een samurai in dienstbetrekking, en afgeleid daarvan zijn belangrijkheid.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <aanzien>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
目す mokusu (1) zien; bezien; bekijken; (2) beschouwen; aanzien; houden voor; achten; (3) met het oog wenken; een oogwenk geven
外見 sotomi uiterlijk; voorkomen; schijn; uiterlijke gedaante; uiterlijkheden; uitwendigheid; buitenaanzicht; aanzien; [geneesk.] faciës; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
暖簾 noren (1) gesplit gordijntje aan een winkelingang met de naam van de zaak erop; winkelgordijn; (2) gesplit gordijntje aan de ingang van een vertrek; (3) reputatie van een winkel; zaak; aanzien; goede naam; vermaardheid; krediet
為る suru (1) zich voordoen; gebeuren; plaatsvinden; (2) verstrijken; voorbijgaan; verlopen [voorafgegaan door een meishi die een bep. tijdseenheid aanduidt]; (3) bedragen; kosten; waard zijn [voorafgegaan door een meishi die een bep. waarde, bedrag aanduidt]; (4) beslissen; besluiten; ervoor kiezen [in de constructie … to suru …とする of … ni suru …にする]; (5) hebben; merken; voelen [m.b.t. gewaarwording; in de constructie … ga suru …がする]; ; (1) doen; begaan; maken; verrichten; aanvangen; aandoen; uitvoeren; bedrijven; uitoefenen; beoefenen; praktiseren; doen (aan); [m.b.t. zaak, winkel enz.] runnen; (2) [van beroep …] zijn; werken (als); dienst doen (als); [m.b.t. ambt] waarnemen [in de constructie … o suru …をする]; (3) maken; maken (tot); [er een … van] maken [in de constructie … ni suru …にする]; (4) gebruiken als; bezigen als; doen dienen als [in de constructie … ni suru …にする]; (5) 10. vinden; achten; beschouwen; aanzien; dunken [in de constructie … to suru …とする]; (6) 11. (ver)onderstellen (dat); aannemen (dat); stellen (dat) [in de constructie … to suru …とする]; (7) 12. aandoen; dragen [m.b.t. kledingstuk]; (8) 13. hebben; zijn [m.b.t. een bep. vorm, toestand enz.]
上辺 uwabe voorkomen; schijn; uitzicht; uiterlijk; aanzien
受け uke (1) bak(je); vak; houder; vang; (2) aanzien; achting; prestige; reputatie; populariteit; waardering; onthaal; (3) [ton.] bijfiguur; bijrol; (4) defensief; verdedigende; defensieve houding; (5) aanvaarding; instemming; (6) passieve; ontvangende partner
名取 natori (1) accreditatie binnen een bepaalde muzikale of choreografische school; het aannemen van een door z'n artistiek meester verleende naam; (2) erkend meester binnen een bepaalde muzikale of choreografische school; houder van een professionele naam binnen de Japanse muziek; choreografie; (3) vermaardheid; reputatie; faam; aanzien; beroemdheid; (4) Natori [stad in het centrum van de prefectuur Miyagi]
名取り natori (1) accreditatie binnen een bepaalde muzikale of choreografische school; het aannemen van een door z'n artistiek meester verleende naam; (2) erkend meester binnen een bepaalde muzikale of choreografische school; houder van een professionele naam binnen de Japanse muziek; choreografie; (3) vermaardheid; reputatie; faam; aanzien; beroemdheid
信用 shinyou (1) geloof; vertrouwen; [inform.] fiducie; [form.] confidentie; [veroud.] betrouwen; (2) reputatie; goede naam; aanzien; gezag; prestige; [fig.] krediet; (3) [kooph.] credit; krediet
じっと見る jittomiru staren; turen; spieden; strak aankijken; aanzien; aandachtig bekijken; bezien; aanstaren; gadeslaan
認める mitomeru (1) opmerken; zien; bespeuren; bekennen; waarnemen; in de gaten hebben; getuige zijn van; (2) [schuldig enz.] bevinden; vinden; achten; menen; oordelen; beschouwen; aanzien; houden voor; van mening zijn dat; (3) toegeven; erkennen; inzien; aanvaarden; accepteren; aannemen; honoreren; goedkeuren; toelaten; toestaan; sanctioneren; (4) erkennen; waarderen; appreciëren
見掛け mikake schijn; uiterlijk; het eruitzien; aanzicht; aanzien; gezicht; voorkomen; aanschijn; het voordoen; show; schijnvertoning; façade
見做す minasu beschouwen; aanzien; bezien; houden voor; achten; zien; opvatten; vinden; aanmerken; (zich) aanrekenen
身分 mibun (1) positie; omstandigheden; (2) rang; stand; klasse; (sociale) status; (maatschappelijk) aanzien; (3) afkomst; [高い~] geboorte; identiteit
見る miru (1) [iets bij wijze van proef doen]; (2) als je zou …; mocht je …; [gew.] moest je … [eindigend op de partikels ば of と]; (3) nu …; nou …; in de zich thans voordoende situatie dat … [eindigend op het partikel ば]; (4) wanneer …; toen … [eindigend op de partikels ば of と]; (5) ware … het geval; ; (1) zien; kijken (naar); [inform.] loeken; bekijken; bezien; aanzien; aankijken; gadeslaan; bezichtigen; beschouwen; [arch.] aanschouwen; [lit.t.] blikken; [Barg.] brillen; [Barg.] spannen; afgaande op …; getuige [het feit dat … enz.]; te oordelen naar …; uitgaande van …; (2) lezen; doorkijken; [新聞を] doorlopen; inzage nemen; inzien; naslaan [in een woordenboek e.d.]; raadplegen; consulteren; nazien; nagaan; checken; controleren; (3) ervaren; meemaken; ondervinden; beleven; (4) zorgen voor; verzorgen; passen op; letten op; toezien op; behartigen; waken over; toezien op; verplegen; [面倒を] zich aantrekken
見守る mimamoru toekijken; aankijken; aanzien; gadeslaan; [veroud.] gaslaan; in de gaten houden; in het oog houden; waken over; letten op; opletten op; acht slaan op
見詰める mitsumeru staren; turen; spieden; starogen; strak aankijken; aanzien; aanstaren; aanblikken; aangapen; aandachtig kijken; bekijken; bezien; er z'n ogen op fixeren; gadeslaan
沽券 koken waardigheid; goede naam; achting; aanzien; prestige
声望 seibou goede reputatie; goede naam en faam; beroemdheid; aanzien; prestige; cachet
尊ぶ toutobu respecteren; eerbiedigen; respect; eerbied hebben voor; eren; achten; aanzien; opzien tegen
体面 taimen eer; aanzien; staat; prestige; [fig.] gezicht
sama (1) -elings; -waarts [drukt een richting, oriëntatie uit]; (2) meneer; mijnheer; [afk.] m.; de heer; [afk.] dhr.; mevrouw; [afk.] Mw.; [afk.] Mevr.; madame; [afk.] Mme.; [afk.] Mad.; juffrouw; mejuffrouw; [afk.] Mej. [eerbetonend suffix; voorafgegaan door een naam; titel; status e.d.]; (3) [vaak i.c.m. het prefix o お of go ご een kwalificatie inklemmend]; (4) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de handeling die iem. net op het punt staat te doen]; (5) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de wijze of manier waarop een handeling zich voltrekt]; ; voorkomen; aanblik; uitzicht; aanzien; schijn; gezicht; air; toestand; staat; gesteldheid; situatie; omstandigheden
様相 yousou aanblik; voorkomen; aanzien; uiterlijk; plaatje; aspect
様子 yousu (1) toestand; situatie; staat; omstandigheden; stand van zaken; gesteldheid; het hoe; (2) schijn; voorkomen; uiterlijk; aanblik; aanzien; karakter; air; uitzicht; indruk; habitus; (3) reden; grond; (4) teken; blijk; aanwijzing; symptomen
面子 mentsu eer; reputatie; prestige; aanzien; gezicht; standing; goede naam
面目 menmoku (1) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk; (2) basisprincipes; geboden; regel; voorschrift; (3) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam
面目 menboku (1) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam; (2) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk
覚え oboe (1) het leren; het instuderen; memorisatie; geheugenwerk; (2) geheugen; herinnering; heugenis; memorie; (3) ervaring; belevenis; (4) vertrouwen; zelfvertrouwen; gerustheid; (5) achting; waardering; aanzien; [inform.] fiducie; (6) memorandum; nota; aantekening; akte
外見 gaiken uiterlijk; uitwendig voorkomen; schijn; uiterlijke gedaante; uiterlijkheden; uitwendigheid; buitenaanzicht; aanzien; [geneesk.] faciës; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
外観 gaikan uiterlijk; voorkomen; schijn; aanschijn; uiterlijke gedaante; uitwendigheid; uiterlijkheid; buitenaanzicht; aanzien; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
kan (1) voorkomen; uitzicht; uiterlijk; schijn; aanzien; aanblik; blik; gezicht; spektakel; schouwspel; (2) zienswijze; opvatting; kijk; visie
評判 hyouban (1) faam; reputatie; naam; roep; (publieke) achting; aanzien; notoriteit; [i.h.b.] populariteit; (2) praatje; gerucht; opspraak; roddel
アスペクト asupekuto (1) aanblik; voorkomen; aanzien; uiterlijk; aspect; (2) [spraakk.] aspect; vorm
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.39 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 33 treffers (zoekopdracht: 'aanzien', strategie: exact). 
2005-2019