日蘭辭典+

30 resultaten voor ‘afbreken’
日蘭辭典 (trefwoord)
ashizamani惡樣に
(悪し様に) bw. ongunstig; afbrekend. ¶ 人に惡樣に言ふ zich ongunstig uitlaten over iemand; iemand afbreken;
kuzusu崩す
t.w. (1) [破壞する] vernielen; verwoesten; verpletteren. (2) [簡略] vereenvoudigen. (3) [兩替] klein maken; wisselen. ¶ を崩す een huis omverhalen. ¶ 百圓札を崩す honderd yen wisselen. ¶ を崩す karakter in eenvoudiger vorm schrijven. ¶ 行を崩す zich losbandig gedragen.
batō罵倒
zn. afkeurende kritiek o; afbreken o.; geschetter o,; uitschelden o. ¶ 罵倒する schelden op; uitschelden; afbreken; schetteren tegen.
fuchō不調
zn. geen overeenstemming v. ¶ 談判は不調に終った de onderhandelingen werden afgebroken.
hatan破綻

zn. (1) [破壞] afbraak v.; instorting v.; verval o. (2) [破產] bankroet o.; faillissement o. ¶ 破綻する (破產) bankroet gaan; failleeren; (破壞) afbreken; vervallen; instorten.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afbreken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
打ち切る uchikiru (1) afsnijden; (2) beëindigen; tot een eind brengen; een eind maken aan; stoppen met; afbreken; besluiten; afsluiten; afronden; ophouden met; nokken met; uitscheiden met; [Belg.N.] gedaan maken met; kappen met; verbreken
圧し折る heshioru breken; afbreken
分ける wakeru (1) zich baan breken; een weg breken; doorbreken; (2) scheiden; delen; verdelen; opdelen; splitsen; uitsplitsen; uit elkaar halen; afbreken; (3) uitdelen; verdelen; distribueren; ronddelen; omdelen; (4) indelen; afdelen; sorteren; classificeren; ordenen; (5) uitmaken; onderscheiden; onderkennen; het verschil zien; (6) [sportt.] gelijkspelen; remiseren
扱き下ろす kokiorosu (1) afrissen; afristen; afgrissen; (2) scherp kritiseren; hekelen; geselen; op de korrel nemen; afkammen; afkraken; afbreken; neerhalen
酷評する kokuhyousuru scherp; fel; heftig; hevig; vernietigend; vinnig (be)kritiseren; scherp hekelen; gispen; afbreken; afkraken; afkammen; kraken; [fig.] geselen; [fig.] op de korrel nemen; [fig.] schieten op; [fig.] tegen ~ aan schoppen
壊す kowasu (1) breken; afbreken; vernietigen; slopen; kapotmaken; stukmaken; kapotslaan; (2) beschadigen; schade toebrengen aan; schaden; (3) uit elkaar halen; uit elkaar nemen; demonteren; ontmantelen; opbreken; afbreken; neerhalen; (4) in de war sturen; in het honderd doen lopen; verknoeien; verpesten; verprutsen; bederven; onbruikbaar maken
取り壊す torikowasu slopen; afbreken; slechten; met de grond gelijk maken; afbreken; neerhalen; vernietigen
取り消す torikesu [een contract] opzeggen; [een bekentenis, order] intrekken; [een eed, zijn woorden, bewering] herroepen; revoceren; [een opmerking] terugnemen; [op zijn verklaring enz.] terugkomen; [een belofte] inslikken; [een boeking] annuleren; afbestellen; [een belofte] terugtrekken; [een verloving] verbreken; afbreken; [jur., m.b.t. vonnis] vernietigen; [jur., m.b.t. wet] abrogeren; [comp., de laatste bewerking enz.] ongedaan maken; [電話で] afbellen
止める tomeru (1) stoppen; stopzetten; stilleggen; stilhouden; laten stilstaan; stillen; stuiten; tot stilstand brengen; stilzetten; tot staan brengen; parkeren; stallen; [aan de kant enz.] zetten; neerzetten; arrêteren; [de dief enz.] houden; een halt toeroepen; een punt zetten achter ~; een einde maken aan [een ruzie enz.]; ophouden; stremmen; [de aanvoer enz.] staken; afbreken; afsnijden; [een paard enz.] tegenhouden; vasthouden; aanhouden; inhouden; keren; [fig.] afdammen; [m.b.t. geluid, pijn] weren; ophouden; stelpen; (2) [het licht enz.] uitdoen; uitschakelen; [m.b.t. gas, water, radio] uitdraaien; dichtdraaien; afsluiten; uitzetten; afzetten; [de stroom] afbreken; afsnijden; (3) [m.b.t. inflatie enz.] bedwingen; beheersen; afremmen; beteugelen; breidelen; in toom houden; in bedwang houden; intomen; [de groei enz.] belemmeren; (4) beletten; verhinderen; verbieden; voorkomen; ontzeggen; verhoeden
断ち切る tachikiru (1) afsnijden; doorsnijden; afhouwen; doorhouwen; afhakken; doorhakken; afbreken; afscheiden; scheiden van; (2) [関係を] verbreken; ophouden met; breken met; afzweren
断つ tatsu (1) breken; snijden; afsnijden; afbreken; afhakken; doorsnijden; doorhakken; (2) staken; uitscheiden met; stoppen met; ophouden met; laten; niet langer doen; opgeven; [悪習; 麻薬を] afkicken; (3) [電流を] uitschakelen; uitdraaien; afzetten; [接続を] afkoppelen
中絶する chuuzetsusuru (1) onderbreken; opschorten; afbreken; staken; stopzetten; (2) [妊娠を] voortijdig afbreken; onderbreken; aborteren; [胎児を] afdrijven; doen aborteren
中断する chuudansuru onderbreken; interrumperen; pauzeren; opschorten; afbreken; verbreken; ophouden met; staken; stopzetten
中止する chuushisuru afgelasten; onderbreken; afstellen; afblazen; stopzetten; staken; opschorten; stilleggen; afzeggen; afbreken; opgeven
切れる kireru (1) goed snijden; scherp zijn; (2) doorslaan; gek worden; (3) opgedragen raken; (4) opraken; uitgeput raken; leeg raken; [電池が] uitgewerkt raken; (5) aflopen; verstrijken; vervallen; (6) afbreken; tot een einde laten komen; (7) missen; niet hebben; (8) slim zijn; gewiekst zijn; scherpzinnig zijn; (9) gewond raken; gesneden worden; (10) 10. barsten; in elkaar storten
切る kiru (1) knippen; afsnijden; afknippen; [先端を] afknotten; [アキレス腱を] scheuren; (2) fijnhakken; in stukjes snijden; (3) omhakken; (4) (een relatie) afbreken; (5) bekritiseren; (6) pauseren; stoppen; afbreken; (7) kaarten mengen; (8) de weg oversteken; (9) (het licht) uitdraaien; (de tv) uitzetten; (10) 10. (een kraan) dichtdraaien; (11) 11. (aan een stuur) draaien; (12) 12. (de telefoon) ophangen
休む yasumu (1) uitrusten; rusten; pauzeren; pauze houden; uitblazen; uitpuffen; op adem komen; rust houden; pozen; verpozen; er [een uurtje] uit breken; (2) slapen; gaan slapen; naar bed gaan; zich ter ruste begeven; zich te bed begeven; zich te bed leggen; zich ter ruste leggen; onder de wol kruipen; zijn bed opzoeken; het bed in rollen; erin duiken; erin gaan; [veroud., bijbelt.] zich bedden; (3) wegblijven van; niet aanwezig zijn; niet verschijnen; niet bijwonen; afwezig zijn; absent zijn; niet opdagen; [m.b.t. een les] laten vallen; [m.b.t. een college] missen; [m.b.t. een les] overslaan; ontbreken [op de vergadering]; thuis blijven; vrijaf nemen; vrij nemen; een vrije dag opnemen; er even tussenuit gaan; [gezegd van winkel] gesloten zijn; [学校を] de school verzuimen; van school wegblijven; niet naar school gaan; zijn kat sturen; spijbelen; flansen; [Belg.N.] brossen; (4) [werk] onderbreken; [zijn werk] afbreken; neerleggen; ophouden [met werken]; stoppen; uitscheiden met; (af)nokken met; beëindigen; kappen; [zijn activiteiten tijdelijk] staken; tijdelijk een eind maken aan; (5) tot stilstand komen; ophouden; stilstaan [b.v. machines]; braak liggen; buiten bedrijf zijn; (6) herstellen [van een ziekte]; genezen; er weer bovenop komen; herstellen; weer bijkomen; de oude worden; weer gezond worden; aansterken
破る yaburu (1) scheuren; stuktrekken; stukscheuren; doorscheuren; verscheuren; rijten; (2) breken; stukmaken; vernielen; afbreken; [een deur] inbeuken; forceren; openbreken; inslaan; [een ruit] intikken; stukslaan; verbrijzelen; [een muur] doorslaan; uitbreken; (3) [openbare orde] verstoren; [iemands droom] aan scherven slaan; [de harmonie] verbreken; [de stilte] doorbreken; [een record] verbeteren; breken; (4) [iemands plannen] doorkruisen; dwarsbomen; verijdelen; frustreren; (5) [zijn belofte] schenden; inbreken in [een gebouw]; [een bank] kraken; [een traditie] loslaten; [spelregels] overtreden; inbreuk maken op [iemands rechten]; met voeten treden; zondigen tegen [een gebod]; (6) ontsnappen uit [de gevangenis]; heenbreken door [een barrière]; uitbreken uit; (7) [de vijand] verslaan; overwinnen; [de tegenstander] kloppen; (8) verwonden; wonden; een wond toebrengen aan; kwetsen; blesseren; bezeren; [de huid] openhalen; (9) krenken; grieven; deren; aantasten; ontstemmen
遣っ付ける yattsukeru (1) verslaan; overwinnen; afmaken; uitschakelen; vellen; winnen van; doden; ervan langs geven; de volle laag geven; een pak slaag geven; zwaar aanpakken; de das omdoen; [fig.] afdrogen; inmaken; inblikken; afranselen; afstraffen; afrossen; een afstraffing geven; zijn portie geven; zijn vet geven; ik zal hem!; een gevoelig lesje geven; afrekenen met; korte metten maken; 'em een kantje geven; (2) scherp bekritiseren; heftig tekeergaan tegen; aanvallen; te lijf gaan; uithalen naar; afkammen; afbreken; afkraken; de grond in boren; neerhalen; neersabelen; hekelen; kraken; aftroeven; de grond in trappen; op de korrel nemen; roskammen; de vloer aanvegen met; (3) afwerken; afmaken; afdoen; afhandelen; [問題を] afwikkelen; afronden; komaf maken met; wegdoen; wegwerken; zich ontdoen van; uit de weg ruimen; (4) aandurven te ~; durven te ~; wagen te ~; het bestaan te ~; zo brutaal zijn te ~; het lef hebben te ~; erdoorheen sukkelen; met vallen en opstaan het einde halen; het klaarspelen; het gedaan krijgen; het voor elkaar boksen; het bolwerken; het fiksen; stellen; flikken; opknappen; schiemannen; lappen; het 'm leveren; het presteren om ~; het rooien; weten te ~; (5) vreten; zuipen
ばらす barasu (1) afbreken; demonteren; uit elkaar halen; opbreken; slopen; (2) doden; vermoorden; vellen; doodsteken; neersteken; afmaken; liquideren; elimineren; uit de weg ruimen; van kant maken; koud maken; naar de andere wereld helpen; [Barg.] mollen; (3) verkopen; van de hand doen; (4) goedkoop verkopen; voor een zacht prijsje van de hand doen; dumpen; voor afbraak verkopen; (5) speculatief verkopen van rijst; (6) onthullen; bekendmaken; verraden; verklappen; aan het licht brengen; openbaren; openbaar maken; blootleggen; [veroud.] uitbrengen; (7) [hengelsp.] aan de haak geslagen vis laten ontsnappen
分解する bunkaisuru (1) ontbinden; ontleden; oplossen; dissolveren; resolveren; uitsplitsen; [chem.] afbreken; [chem.] analyseren; [chem.] kraken; (2) ontmantelen; uit elkaar halen; demonteren; uit elkaar nemen; ; desintegreren; uiteenvallen; uit elkaar vallen
折れる oreru (1) plooien; [i.h.b.] dubbelplooien; (2) breken; afbreken; knappen; [ぽきっと] afknappen; knakken; het begeven; (3) zwenken; afbuigen; afdraaien; afslaan; draaien; een bocht; draai maken; (4) plooien; bijdraaien; tegemoetkomingen doen; toegeven; inbinden; door de bocht gaan; wijken; zwichten; zich gewonnen geven; zich onderwerpen; zich neerleggen; (5) [腰句が] haperen; niet lopen; (6) [Barg.] sterven; doodgaan
折る oru (1) breken; afbreken; plukken; afknappen; (2) vouwen; plooien; (3) omslaan; omvouwen
折り取る oritoru afbreken; plukken
欠ける kakeru (1) afbreken; afgebroken zijn; (2) missen; ontbreken; niet genoeg hebben; onvoldoende zijn; (3) achteruitgaan; tanen; (4) ontstaan [van een vacature]; vrijkomen [van een baan]; vrij worden
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.4 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 25 treffers (zoekopdracht: 'afbreken', strategie: exact). 
2005-2020