日蘭辭典+

18 resultaten voor ‘afgeven’
日蘭辭典 (trefwoord)
anasagashisuru穴探しする
i.w. vitten. ¶ 人の穴探しをする op iemand vitten; iemand bevitten; op iemand afgeven.
SUPPLEMENT (trefwoord)
azukeru預ける
t.w. in bewaring geven; afgeven; toevertrouwen; deponeren. ¶ この荷物を預けるが出来ますか。 Kono nimotsu wo azukeru koto ga dekimasu ka. Kan ik deze bagage afgeven? Kan ik deze tas in bewaring geven? (TTC) ¶ 銀行に預けるのが嫌いいるGinkō ni azukeru no ga kirai na hito mo iru. Er zijn ook mensen die er niet van houden om hun geld op de bank te zetten. (TTC) ¶ そのような大金を預けるな。 Kare ni sono yō na taikin wo azukeru na. Je moet hem niet zo’n groot geldbedrag toevertrouwen. (TTC) ¶ この案件どう処理するか、下駄を預けるよ。 Kono anken wo dō shorisuru ka, kimi ni geta wo azukeru yo. Hoe je deze zaak gaat behandelen [dat] laat ik helemaal aan jou over. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afgeven>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
納入する nounyuusuru [税を] betalen; [品物を] leveren; afleveren; bestellen; bezorgen; afgeven; voorzien van; verschaffen
手渡す tewatasu overhandigen; overdragen; overleveren; overgeven; overreiken; aanreiken; [w.g.] reiken; ter hand stellen; geven; aangeven; afgeven
提出する teishutsusuru indienen; voorleggen; inleveren; aanhangig maken; afgeven; overgeven; ter hand stellen; bieden; [m.b.t. mening] naar voren brengen; opperen; [bewijsstukken enz.] voorbrengen; [m.b.t. klacht] inbrengen; [m.b.t. klacht] neerleggen; [m.b.t. bewijs] aanvoeren; [m.b.t. ontslag] aanbieden; [m.b.t. oplossing] aandragen; [m.b.t. verzet; protest] aantekenen; [jur.; stukken enz.] produceren; [jur.] exhiberen; [jur.] overleggen; [jur.] deponeren; [m.b.t. probleem] stellen
伝える tsutaeru (1) (iem.) zeggen (dat hij …); melden; berichten; vertellen; bekendmaken; [een boodschap enz.] doorgeven; afgeven; overbrengen; meedelen; tot uitdrukking brengen; vertolken; (2) [kennis enz.] overdragen; aanleren; doorgeven; overleveren; nalaten; vermaken; [i.h.b.] inwijden; [i.h.b.] initiëren; (3) overzetten; overbrengen; [nat.] geleiden; transmitteren; doen voortplanten; (4) invoeren; introduceren; brengen naar
配る kubaru (1) uitdelen; ronddelen; distribueren; (2) toebedelen; geven; als deel toewijzen; (3) bezorgen; leveren; bestellen; afleveren; afgeven; (4) rondkijken; om zich heen kijken; (5) voorzichtig zijn; behoedzaam zijn; (6) aandacht schenken aan; interesse tonen voor
放出する houshutsusuru (1) uitstoten; uitstorten; naar buiten spuiten; (2) uitstralen; emitteren; uitzenden; afgeven; (3) uitbrengen; in de handel brengen; op de markt brengen; releasen
交付する koufusuru (1) overhandigen; ter hand stellen; overreiken; overgeven; (2) uitreiken; afgeven; verstrekken; verlenen; [Belg.N.] afleveren
立てる tateru (1) rechtop zetten; overeind zetten; opzetten; oprichten; opstellen; opslaan; opsteken; planten; [i.h.b.] stichten; [耳を] spitsen; (2) voordragen; [候補者として] voorstellen; aanstellen als; tot; installeren als; [王位に] plaatsen; benoemen tot; [証人を] oproepen; [代役を] opvoeren; (3) [計画; 規則を] maken; opstellen; ontwerpen; uitwerken; [目標を] stellen; [誓いを] afleggen; [意義を] opperen; [記録を] vestigen; (4) veroorzaken; teweegbrengen; [物音を] maken; [声を] verheffen; (een kik) geven; [湯気; 煙を] afgeven; [埃を] opjagen; [噂を] de wereld insturen; (5) [門; 戸; 雨戸; 障子を] sluiten; dicht doen; (6) [茶を] zetten; [i.h.b.] een theeceremonie uitvoeren; (7) respecteren; iem. in zijn waarde laten; [i.h.b.] steunen; [i.h.b.] bijstaan; ; enthousiast ~; geestdriftig ~ [aangesloten op de ren'yōkei]
切り出す kiridasu (1) [年貢として] opbrengen; (2) [木材を] rooien; uitkappen; [石材を] delven; uitdelven; uitgraven; (3) beginnen te spreken over; aansnijden; ter sprake brengen; het ijs breken; (4) [手形を] trekken; afgeven; [小切手を] uitschrijven; uitgeven
吐く haku (1) spuwen; [spreekt.] spugen; opgeven; opspuwen; ophoesten; uitkotsen; (2) braken; overgeven; opgeven; [inform.] kotsen; vomeren; [uitdr., volkst.] over zijn nek gaan; [uitdr., volkst.] rendez-vous houden; spelen; [uitdr.] aan Neptunus offeren; (3) uiten; zeggen; uiting geven aan; luchten; slaken; uitdrukken; laten zien; uitspreken; [fig.] spuien; (4) uitstoten; uitwerpen; uitbraken; uitspuwen; [rook enz.] uitademen; [spreekt.] uitspugen; afgeven; afscheiden; van zich doen uitgaan; (5) [泥を] bekennen; opbiechten; toegeven; doorslaan; [Barg.] kotsen; [Barg.] poekelen; [Barg., uitdr.] poep van zeike gaan
放つ hanatsu (1) schieten; afschieten; afvuren; vuren; [fig., m.b.t. gerucht; roddel enz.] lanceren; uitzenden; uitsturen; [m.b.t. boer; wind] laten vliegen; (2) afgeven; verspreiden; [m.b.t. licht] uitstralen; (3) loslaten; vrijlaten; in vrijheid stellen
発する hassuru (1) teweegbrengen; veroorzaken; doen ontstaan; beginnen; starten; lanceren; (2) voortbrengen; geven; opleveren; afgeven; afscheiden; verspreiden; uitstoten; uitzenden; uitvaardigen; verstrekken; (3) uiten; uitbrengen; van zich doen uitgaan; formuleren; (4) afvuren; afschieten; (5) sturen; afzenden; afvaardigen; ; (1) vertrekken uit; verlaten; (2) verschijnen; zich voordoen; optreden; gebeuren; voortkomen; voortspruiten; ontspringen; voortspringen; komen uit; uitgaan van; voortvloeien uit; emaneren uit; afkomstig zijn van; z'n oorsprong vinden; (3) ontstaan; tot stand komen
引き渡す hikiwatasu (1) leveren; aanleveren; overhandigen; overleveren; overdragen; ter hand stellen; uit handen geven; afgeven; overgeven; bezorgen; afleveren; uitleveren; (2) spannen; strak trekken
預ける azukeru in bewaring geven; afgeven; afzetten; ter bewaring toevertrouwen
譲る yuzuru (1) afstaan; [zijn ambt] overdragen; overlaten; uit handen geven; overleveren; overgeven; overhandigen; [eigendom] vervreemden; [onroerend goed] vermaken; nalaten; legateren; legeren; (2) verkopen; (3) wijken; toegeven; opgeven; zwichten; (4) [de bal] afgeven; [voorrang] geven; [van plaats] wisselen; verruilen; laten voorgaan; (5) uitstellen; opschorten; verschuiven (tot later); wegleggen; sparen
滲む nijimu (1) uitlopen; zich verspreiden; [色が] afgeven; (2) sijpelen; uitsijpelen; doorsijpelen; [涙が] opwellen; [気持ちが] blijken; aan de dag komen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.63 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'afgeven', strategie: exact). 
2005-2019