日蘭辭典+

32 resultaten voor ‘afmaken’
日蘭辭典 (trefwoord)
ageru擧げる、上げる
(上げる挙げる揚げる) t.w. (1) [旗を] hijschen. (2) [位を] bevorderen. (3) [擧示] opnoemen; geven; noemen. (4) [成績] opbrengen. (5) [進呈] aanbieden; geven. (6) [終了する] eindigen; afmaken. ¶ 本を讀みあげる een boek uitlezen. ¶ 此本をあげました ik heb dit boek uit. (7) [を] zijn stem verheffen. (8) [錨を] het anker lichten. (9) [增加] verhoogen. ¶ 賃金を上げる het loon verhoogen. (10) [式を] vieren. (11) [煎る] braden.
shimau仕舞ふ
(仕舞う、終う、了う、藏ふ、蔵う) t.w. [終る] eindigen; ten einde brengen; i.w. een eind maken aan. t.w. (2) [藏する] wegbergen; opbergen. ¶ を讀んで了ふ een boek uitlezen. ¶ 試驗を仕舞ひました het examen is afgeloopen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afmaken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
卒業する sotsugyousuru (1) afstuderen; een diploma; bul; getuigschrift; titel behalen; zijn studie afronden; afmaken; voltooien; van school gaan; afgaan van; (2) [fig.] ontgroeien (aan); [i.h.b.] te oud; groot worden (voor); [i.h.b.] genoeg krijgen van; [i.h.b.] welletjes vinden
済ませる sumaseru (1) afmaken; afwerken; afdoen; afronden; ten einde brengen; beëindigen; een einde maken aan; korte metten maken met; (2) betalen; voldoen; vereffenen; delgen; aflossen; afbetalen; restitueren; amortiseren; aanzuiveren; (3) zich behelpen; het moeten doen; het kunnen stellen; toekunnen; het kunnen rooien; zich redden; rondkomen met; (4) afhandelen; afwikkelen; afdoen; regelen; in orde brengen; maken; voor elkaar brengen; oplossen; zijn beslag geven; [安く~] er goedkoop afkomen
打ち上げる uchiageru [波が] aanrollen; aanspoelen; aan land spoelen; ; (1) omhoog sturen; [ミサイルを] lanceren; afvuren; (2) afwerken; afmaken; beëindigen
打ち殺す uchikorosu (1) doodslaan; doodknuppelen; (2) doodschieten; omleggen; neerschieten; neerknallen; (3) [感情を] smoren; onderdrukken; inhouden; (4) morsdood maken; afmaken; afslachten; van kant maken; uit de weg ruimen; (5) verpanden; belenen; in pand geven
消す kesu (1) (van vuur) uitdoven; (van vuur) blussen; (van vuur) doven; (van vuur) doen ophouden; (van vuur) uitdoen; (van een kaars) uitblazen; (2) (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) uitschakelen; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) afzetten; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) buiten werking stellen; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) doven; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) uitdoen; (3) [ガスを] het gas uitdraaien; uitzetten; afsluiten; de gaskraan dichtdraaien; (4) wegvegen; uitvegen; wegvagen (met een vlakgom); uitwissen (van voetsporen); wissen (uit zijn geheugen); uitvlakken; (5) (een letter; een woord; een passage; etc.) doorhalen; (een letter; een woord; een passage; etc.) doorstrepen; (een letter; een woord; een passage; etc.) schrappen; (een letter; een woord; een passage; etc.) doorschrappen; (6) (van geluid) dempen; (van geluid) smoren; (van geluid) absorberen; (van geluid) niet weerkaatsen; (van geluid) krachteloos maken; (7) (een geur) verdrijven; (een geur) doen verdwijnen; (een geur) verjagen; (een geur) neutraliseren; (8) (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) neutraliseren; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) een tegengif geven tegen ...; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) een antidotum geven tegen ...; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) onschadelijk maken; (9) vermoorden; ombrengen; liquideren; doden; koud maken; afmaken; om zeep helpen; voorgoed tot zwijgen brengen; onschadelijk maken; (10) 10. [姿を] verdwijnen; uit het zicht verdwijnen; van de scène verdwijnen; in rook opgaan; het toneel verlaten; van het toneel verdwijnen
決着をつける ketchakuwotsukeru beëindigen; beslissen; besluiten; decideren; een eind; einde maken aan; afmaken; uitmaken; de doorslag geven; z'n beslag geven; beklinken
結末をつける ketsumatsuwotsukeru afmaken; een eind maken aan; z'n beslag geven; afsluiten; besluiten; beëindigen; ten einde brengen; tot een eind brengen; settelen; afhandelen; regelen; afdoen; [Belg.N.] gedaan maken met
終了する shuuryousuru afsluiten; een eind maken aan; tot een einde brengen; afmaken; eindigen; besluiten; beëindigen; termineren; voltooien; afwerken; zijn; haar beslag geven; ; aflopen; er komt een einde aan ~; ten einde lopen; tot een einde komen; een einde nemen; eindigen; ophouden; over; uit; voorbij; gedaan zijn; [i.h.b.] expireren
処分する shobunsuru (1) wegdoen; van de hand doen; afhandelen; beschikken; afdoen; maatregelen treffen; nemen; opruimen; afwikkelen; liquideren; (2) afrekenen met; onder handen nemen; straffen; een appeltje schillen met; (3) ruimen; afmaken; uit zijn lijden helpen; een spuitje geven
仕舞う (bet. 1-3) shimau uit-; af-; ten einde (toe) …; geheel en al … [aangesloten op de constructie RYK + て; duidt aan dat de in het grondwoord genoemde handeling ten einde gevoerd, voltooid, tot het einde toe verricht wordt; signaleert vaak spijt of onwenselijkheid van het eindresultaat]; ; (1) sluiten; dichtdoen; [i.h.b.] voorgoed sluiten; stopzetten; opdoeken; opheffen; [met de zaak enz.] ophouden; (2) opbergen; bergen; wegbergen; wegdoen; wegleggen; wegzetten; wegstoppen; [i.h.b.] terugleggen; [i.h.b.] terugzetten; [i.h.b.] terugplaatsen; [i.h.b.] weer op zijn plaats zetten; leggen; [~ている ; ておく] bewaren; opzijleggen; opslaan; (3) beëindigen; afmaken; eindigen; tot een eind brengen; een einde maken (aan); afsluiten; afronden
仕上げる shiageru beëindigen; afmaken; afwerken; volbrengen; voltooien; afkrijgen; klaarkrijgen; de laatste hand leggen aan; tot een eind brengen; afronden; completeren; [Belg.N.] komaf maken met; [Belg.N.] finaliseren
熟す konasu (1) aan; in; tot gruis slaan; in stukken breken; uit elkaar doen vallen; stukbreken; brekend stukmaken; vergruizen; vergruizelen; verpulveren; verkruimelen; fijnmaken; (2) verteren; verwerken; digereren; (3) afhandelen; behandelen; [仕事を] klaren; opknappen; doen; afdoen; volbrengen; afmaken; afwerken; klaarspelen; fiksen; (4) verkopen; van de hand doen; zetten; (5) [役を] spelen; brengen; zijn rol volhouden; in zijn rol blijven
清算する seisansuru (1) afrekenen; vereffenen; voldoen; clearen; verrekenen; afdoen; [借金を] aflossen; aanzuiveren; (2) [econ.] liquideren; (3) [rel.] weer goedmaken; boete doen voor; boeten voor; (4) [過去を] van zich afzetten; afsluiten; [fig.] begraven; (5) [関係を] verbreken; afmaken; opheffen
屠殺する tosatsusuru slachten; afmaken
畳む tatamu (1) opvouwen; vouwen; samenvouwen; opklappen; [i.c.m. 旗; 帆を] opdoeken; [i.c.m. 旗; 帆を] bergen; [i.c.m. 扇; 翼を] dichtvouwen; [i.c.m. テントを] opbreken; [i.c.m. 本を] sluiten; [i.c.m. 本を] dichtdoen; [i.c.m. 石; 煉瓦 enz.] opstapelen; (2) opdoeken; opheffen; voorgoed sluiten; [uitdr.] zijn matten oprollen; er een einde aan maken; [een zaak enz.] aan de kant doen; zetten; stopzetten; liquideren; (3) [in zijn hart enz.] wegsluiten; [in gedachten enz.] houden; niet uiten; oppotten; [oneig.] opkroppen; (4) afmaken; van kant maken; uit de weg ruimen; opruimen; liquideren; [Barg.] mollen
大成する taiseisuru (1) voltooien; afmaken; completeren; volledig maken; volbrengen; volvoeren; z'n beslag geven; vervolmaken; perfect maken; perfectioneren; (2) een grootschalige compilatie maken; ; een grote meneer; mevrouw worden; een belangrijke persoon worden; van grote betekenis worden; het ver brengen; schoppen
参らせる mairaseru [hum.] […参らせる] doen; verrichten; ; (1) vellen; afmaken; overwinnen; verslaan; kloppen; eronder krijgen; aan het kortste eind doen trekken; (2) [hum.] schenken; aanbieden; geven; aanreiken
履修する rishuusuru (1) voltooien; geheel doorlopen; tot het einde toe volgen; afmaken; (2) zich inschrijving voor; gaan volgen
遣り抜く yarinuku tot het einde volhouden; tot het einde doorzetten; tot een goed einde brengen; het er goed vanaf brengen; uitzingen; afmaken; volbrengen; voltooien; volvoeren; nakomen; uitvoeren
遣っ付ける yattsukeru (1) verslaan; overwinnen; afmaken; uitschakelen; vellen; winnen van; doden; ervan langs geven; de volle laag geven; een pak slaag geven; zwaar aanpakken; de das omdoen; [fig.] afdrogen; inmaken; inblikken; afranselen; afstraffen; afrossen; een afstraffing geven; zijn portie geven; zijn vet geven; ik zal hem!; een gevoelig lesje geven; afrekenen met; korte metten maken; 'em een kantje geven; (2) scherp bekritiseren; heftig tekeergaan tegen; aanvallen; te lijf gaan; uithalen naar; afkammen; afbreken; afkraken; de grond in boren; neerhalen; neersabelen; hekelen; kraken; aftroeven; de grond in trappen; op de korrel nemen; roskammen; de vloer aanvegen met; (3) afwerken; afmaken; afdoen; afhandelen; [問題を] afwikkelen; afronden; komaf maken met; wegdoen; wegwerken; zich ontdoen van; uit de weg ruimen; (4) aandurven te ~; durven te ~; wagen te ~; het bestaan te ~; zo brutaal zijn te ~; het lef hebben te ~; erdoorheen sukkelen; met vallen en opstaan het einde halen; het klaarspelen; het gedaan krijgen; het voor elkaar boksen; het bolwerken; het fiksen; stellen; flikken; opknappen; schiemannen; lappen; het 'm leveren; het presteren om ~; het rooien; weten te ~; (5) vreten; zuipen
ばらす barasu (1) afbreken; demonteren; uit elkaar halen; opbreken; slopen; (2) doden; vermoorden; vellen; doodsteken; neersteken; afmaken; liquideren; elimineren; uit de weg ruimen; van kant maken; koud maken; naar de andere wereld helpen; [Barg.] mollen; (3) verkopen; van de hand doen; (4) goedkoop verkopen; voor een zacht prijsje van de hand doen; dumpen; voor afbraak verkopen; (5) speculatief verkopen van rijst; (6) onthullen; bekendmaken; verraden; verklappen; aan het licht brengen; openbaren; openbaar maken; blootleggen; [veroud.] uitbrengen; (7) [hengelsp.] aan de haak geslagen vis laten ontsnappen
果たす hatasu (1) doen; uitvoeren; ondernemen; verrichten; ten uitvoer brengen; leggen; bewerkstelligen; (2) vervullen; volbrengen; voltooien; volvoeren; voldoen; zich kwijten van; tot stand brengen; bereiken; verwezenlijken; realiseren; tot een goed einde brengen; waar maken; voor elkaar krijgen; (3) een dankbedevaart ondernemen; (4) afmaken; doden; (5) geheel ten einde toe + ww.[1]
打ち殺す buchikorosu (1) morsdood maken; afmaken; afslachten; van kant maken; uit de weg ruimen; (2) verpanden; belenen; in pand geven; (3) [prostitutiejargon] versieren; verleiden
終わらせる owaraseru beëindigen; doen ophouden; een einde maken aan; tot een eind brengen; ten einde brengen; afmaken; afsluiten; eindigen; afronden; completeren; [Belg.N.] komaf maken met
終わる owaru beëindigen; afwerken; afmaken; tot het einde doen; de laatste hand leggen aan; voltooien; ; (1) eindigen; ten einde lopen; ten einde komen; aflopen; afkomen; een einde nemen; (2) klaar zijn; gereed zijn; compleet zijn; (3) [m.b.t. termijn, geldigheid etc.] aflopen; vervallen; verlopen; verstrijken; (4) [na een bijeenkomst, een vergadering etc.] uiteengaan; van elkaar gaan
終える oeru eindigen; aflopen; ophouden; stoppen; ; beëindigen; ten einde brengen; eindigen; afmaken; afdoen; afwerken; voltooien; voleinden; completeren; een einde maken aan; volbrengen
片付ける katazukeru (1) in orde brengen; opruimen; (2) wegzetten; afruimen; terugzetten; (terug) goed zetten; (3) [問題を] oplossen; [借金を] afbetalen; afdoen; afhandelen; in orde brengen; regelen; beëindigen; afmaken; [金で] afkopen
kan (1) a. compleet; volledig; (2) b. voltooien; afmaken; besluiten; ; einde; slot [bij eind van een boek of film]
完結させる kanketsusaseru beëindigen; afronden; besluiten; afmaken; voltooien; afwerken; afsluiten; completeren; volbrengen
完成する kanseisuru voltooien; vervolmaken; afmaken; afwerken; de laatste hand leggen aan
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.4 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 30 treffers (zoekopdracht: 'afmaken', strategie: exact). 
2005-2019