日蘭辭典+

39 resultaten voor ‘afnemen’
日蘭辭典 (trefwoord)
shiken試驗
(試験) zn. examen o.; proef (實驗) v. ¶ 試驗を執行する examen afnemen. ¶ 試驗受ける examen doen. ¶ 試驗的に bij wijze van proef. ¶ 試驗する onderzoeken; beproeven. ¶ 試驗管 reageerbuisje. ¶ 試驗委員 examencommissie; examinator. ¶ 試驗紙 lakmoespapier. ¶ 試驗刷 drukproef; proefdruk.
kakeru缺ける
(欠ける) i.w. (1) [怠る] tekort schieten in; nalatig zijn in; in gebreke blijven; t.w. veronachtzamen; verzuimen. i.w. (2) [破損] beschadigd zijn. (3) [不足] ontbreken. ¶ が虧けて行く de maan is aan het afnemen.
bōshi帽子
zn. hoed m.; hoofddeksel o.; (緣なき) kapje o.; kalotje o.; (山高帽子) kaasbolletje o.; dophoed m.; hooge hoed (シルクハット) m.; (中折帽子) deukhoed m.; slappe hoed m.; sportpet (鳥打帽子) v. ¶ 帽子をかぶる hoed opzetten. ¶ 帽子をかぶって居る hoed ophebben. ¶ 帽子を脱ぐ hoed afzetten. ¶ 帽子取る (挨拶) hoed afnemen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afnemen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
持ち上げる mochiageru (1) opheffen; (omhoog) heffen; optillen; omhoog tillen; opbeuren; omhoog trekken; (op)hijsen; opnemen; omhoog brengen; oplichten; oppakken; oprapen; omhoog steken; [m.b.t. hoed] afnemen; (2) vleien; ophemelen; flemen; door vleierij brengen tot; overhalen
低減する teigensuru (1) verminderen; verlagen; terugbrengen; (2) reduceren; korten; afslaan; ; verminderen; dalen; afnemen; teruglopen
脱ぐ nugu uittrekken; uitdoen; [z'n hoed enz.] afnemen; afzetten; afdoen; lichten; (zich) ontdoen (van); van het lijf doen; afleggen; [het harnas] afgorden
拭い取る nuguitoru afnemen; afdrogen; afvegen; wegvegen; uitwissen
奪い取る ubaitoru roven; beroven; stelen; bestelen; afnemen; ontnemen; wegnemen
薄らぐ usuragu dunner worden; verdunnen; slijten; afnemen; minder worden; [色が] vervagen; verschieten; verbleken; [興味が] verflauwen; bekoelen; [熱; 痛みが] verminderen; zakken; dalen; wegtrekken
薄れる usureru verflauwen; vervagen; afzwakken; afnemen; verzwakken; [色が] verschieten; verbleken
癒える ieru (1) [病が] genezen; beter worden; beteren; [傷が] helen; dichtgaan; (2) [悲しみ; 苦しみ; 痛みが] slijten; afnemen
減少する genshousuru afnemen; teruglopen; dalen; verminderen; zakken; slinken; minderen; krimpen; achteruitgaan; vallen
減退する gentaisuru verminderen; afnemen; achteruitgaan; teruggaan; dalen; teruglopen; slinken; zakken
凹む hekomu (1) invallen; inzinken; inzakken; ineenzakken; bezwijken; hol worden; een deuk krijgen; deuken; (2) afnemen; achteruitgaan; afkalven; verlies lijden; (3) inbinden; zwichten; inschikken; een toontje lager zingen
減る heru (1) afnemen; verminderen; krimpen; teruglopen; kleiner worden; minder worden; minderen; achteruitgaan; dalen; slinken; zakken; inkrimpen; [i.h.b.] slijten; verslijten; (2) terugdeinzen; terugschrikken; versagen [meestal in combinatie met een negatie]
静まる shizumaru (1) stil worden; rustig worden; tot stilte komen; tot rust komen; stillen; stiller worden; verstillen; (2) bedaren; kalmeren; kalm(er) worden; tot bedaren komen; luwen; [m.b.t. storm] gaan liggen; [m.b.t. wind] afnemen
取る toru (1) nemen; vatten; pakken; grijpen; hanteren; (2) krijgen; ontvangen; winnen; halen; aannemen; aanvaarden; (3) kiezen; uitkiezen; pikken; (4) vragen; aanrekenen; innen; (5) begrijpen; interpreteren; opvatten; (6) wegnemen; verwijderen; weghalen; (7) vangen; oogsten; binnenhalen; (8) afnemen; afpakken; stelen; pikken; (9) vergen; vereisen; (10) 10. boeken; reserveren; vastleggen; (11) 11. innemen; bezetten
取り外す torihazusu (1) wegnemen; afnemen; afhalen; verwijderen; weghalen; losmaken; (2) ontmantelen; demonteren; uit elkaar halen; nemen; onttakelen; [テントを] opbreken; [車両を] ontkoppelen
取り上げる toriageru (1) opnemen; oppakken; (2) [een woord in een taal enz.] opnemen; honoreren; ingaan op; [een mening, ontslag, bezwaar enz.] aanvaarden; aannemen; [een mening enz.] opvatten; [een voorstel enz.] overnemen; [een idee enz.] adopteren; [een zaak enz.] entameren; in behandeling nemen; [een interessant punt enz.] opbrengen; aan de orde stellen; aanhangig maken; aandragen; ter tafel brengen; [fig.] aansnijden; (3) afnemen; afpakken; ontnemen; afhandig maken; [iem. iets] uit de hand slaan; [iem. van zijn bevoegdheden enz.] beroven; [een vergunning enz.] intrekken; [iem. uit de ouderlijke macht enz.] ontzetten; aanslaan; confisqueren; verbeurdverklaren; in beslag nemen; beslag leggen op; [smokkelwaar e.d.] aanhalen; [i.h.b.] onteigenen; [i.h.b.] expropriëren; [goederen] arresteren; (4) [m.b.t. kinderen] halen; geboren doen worden; ter wereld helpen
脱する dassuru (1) [m.b.t. hoofddeksel e.d.] afzetten; afnemen; afdoen; (2) [m.b.t. stop, kurk e.d.] uittrekken; uitdoen; ; ontsnappen aan; ontkomen aan; wegkomen van; zich redden uit; raken; geraken uit; zich bevrijden uit; zich losmaken van; zich loswerken uit; zich vrijmaken van; te boven komen; gaan; erbovenuit komen; stijgen; schieten
縮む chidhimu (1) krimpen; schrompelen; inlopen; inkrimpen; (zich) samentrekken; [i.h.b.] verschrompelen; [i.h.b.] ineenschrompelen; [i.c.m. 日が] korten; korter worden; [i.c.m. サイズが] afnemen; kleiner worden; slinken; contraheren; [m.b.t. (wereld)record] (fig.) verscherpen; (2) [van angst enz.] ineenkrimpen; in elkaar kruipen; duiken; zich klein maken
縮まる chidhimaru krimpen; (zich) samentrekken; inkrimpen; slinken; kleiner; korter worden; afnemen; inkorten; [niet alg.] verkorten
去る saru (1) verwijderen; afhalen; weghalen; wegwerken; uithalen; wegnemen; afdoen; afnemen; verbannen; zich af maken van; (2) zich ontdoen van; bannen; uitbannen; afzetten (van); laten varen; (3) [m.b.t. baan] opgeven; stoppen met; [m.b.t. ambt] neerleggen; verlaten; opzeggen; afstand doen van; bedanken voor; vaarwelzeggen; [m.b.t. toneel] afgaan (van); ; (1) verlaten; weggaan (bij; van); vertrekken (bij; van; uit); ervandoor gaan; [gew.] aangaan; ertussenuit knijpen; opstappen; heengaan (van); heenlopen; [i.h.b.] sterven; scheiden (van; uit); [m.b.t. echtgenoot; echtgenote] zich laten scheiden van; zich verwijderen van; aflopen van; weglopen van; verdwijnen; wegkomen; zich wegscheren; [veroud.] zich wegpakken; [inform.] opdonderen; [inform.] ophoepelen; [inform.] opflikkeren; [inform.] oprukken; [w.g.] opdoeken; [studentent.] opzooien; [uitdr.] zich uit de voeten maken; (2) achter zich laten; op [x uur afstand enz.] liggen; afliggen van; verwijderd liggen van; (3) wijken; afnemen; wegtrekken; verdwijnen; overgaan; eindigen; ophouden te bestaan; aflopen; ten einde lopen; voorbijgaan; vergaan; (4) [m.b.t. seizoen, tijdruimte] verstrijken; voorbijgaan; vergaan; [i.h.b.] voorbijvliegen; verlopen; passeren; [fig.] omgaan; [fig.] omlopen; [fig.] omkomen; ; totaal ~; volledig ~; compleet ~; geheel en al ~; volkomen ~ [voorafgegaan door een ren'yōkei]; ; jongstleden; [afk.] jl.; laatstleden; [afk.] ll.; ~ dezer; vorige ~; verleden ~; gepasseerde ~
下げる sageru (1) lager maken; doen zakken; neerlaten; laten zakken; [m.b.t. hoofd] buigen; (2) hangen; ophangen; neerhangen; laten hangen; [i.h.b.] uithangen; [m.b.t. wapen, zwaard e.d.] dragen; (3) [m.b.t. tafel] afruimen; afnemen; leegruimen; opruimen; vrijmaken; (4) meer naar achteren zetten; achteruitzetten; achteruit plaatsen; achteruit doen; [m.b.t. wagen] achteruitrijden; (5) [m.b.t. spaargeld enz.] opnemen; (laten) afschrijven; (6) [m.b.t. niveau, graad, waarde e.d.] verlagen; laten zakken; doen dalen; doen afnemen; verminderen; naar beneden halen; reduceren; neerhalen; [i.h.b.] depreciëren; [i.h.b.] degraderen; [i.h.b.] declasseren
下がる sagaru (1) dalen; zakken; naar beneden komen; [ズボン; 靴下が] afzakken; zinken; (2) neerhangen; omlaag hangen; afhangen; [カーテンが] vallen; (3) achteruitgaan; achterwaarts gaan; naar achteren wijken; achteruitwijken; (4) [段階; 程度; 数値が] dalen; naar beneden gaan; afnemen; zakken; minder worden; teruglopen; minderen
差し押さえる sashiosaeru in beslag nemen; beslag leggen op; confisqueren; verbeurdverklaren; aanslaan; arresteren; afnemen
冷める sameru (1) afkoelen; koelen; koud worden; (2) bekoelen; koelen; betijen; bedaren; luwen; minder worden; flauwer worden; verslappen; verflauwen; verkillen; afnemen; verminderen; slinken; [fig.] tanen; afslijten; [ook m.b.t. koorts] slijten; [m.b.t. koorts] dalen; [m.b.t. koorts] zakken
和らぐ yawaragu milder; zachter worden; verslappen; bedaren; zich matigen; afnemen; verminderen; minder (intens; streng) worden; luwen; [風が] gaan liggen
弱まる yowamaru verzwakken; zwak; zwakker worden; verslappen; minder intensief worden; verminderen; afnemen; verflauwen; [風が] gaan liggen
弱る yowaru (1) verzwakken; zwak; zwakker worden; achteruitgaan; verminderen; afnemen; verflauwen; verslappen; minder worden; teruglopen; [過労で] uitgeput raken; opraken; ervan weten; een klop van de hamer krijgen; [fig.] een kater hebben; (2) in de knel raken; in een moeilijke situatie raken; in de penarie raken; ten einde raad zijn; geen raad meer weten; van z'n stuk gebracht worden; niet weten wat te doen; in de rats zitten; ermee omhoog zitten; opgelaten zijn met; in z'n maag zitten met; [Belg.N.] verveeld zitten; (3) de dupe zijn; de sigaar zijn; erbij zijn; [volkst.] gesjochten zijn; (4) in de put raken; gedeprimeerd raken; ontmoedigd raken; zich verslagen voelen; neerslachtig worden; depressief worden; terneergeslagen raken; versomberen; somber worden; de fut verliezen; mismoedig worden; flippen
撥ねる haneru (1) omverrijden; aanrijden; overrijden; (2) [een percentage] inhouden; afnemen; afpakken; (3) verwerpen; afwijzen [ook van examinandus]; van de hand wijzen; weigeren; afkeuren; (4) [fonet.] [n; m enz.] als een syllabische nasaal uitspreken; (5) [het penseel] ophalen; opwaarts strijken; opstrijken; ; [van haar enz.] krullen; opkrullen; omkrullen
フェード・アウト feedoauto het uitfaden; het (laten) afnemen; het (laten) vervagen; [m.b.t. film] uitvloeier; fade-out
寝入る neiru (1) in slaap vallen; inslapen; (2) [fig.] inslapen; afnemen; verflauwen; minder worden
押収する oushuusuru confisqueren; arresteren; in arrest nemen; (conservatoir) beslag leggen op; in beslag nemen; in bewaring nemen; verbeurdverklaren; aanslaan; benaderen; afnemen; aanhalen
衰える otoroeru zwakker worden; minder worden; achteruitgaan; afnemen; verzwakken; verminderen; aftakelen; in verval raken; bergaf gaan; achteruitboeren
掠め取る kasumetoru (1) roven; beroven; stelen; bestelen; afnemen; ontnemen; (2) verschalken; afhandig maken; afluizen; ontkapen
引く hiku (1) 16. achteruitgaan; teruggaan; terugtrekken; afgaan (van); terugwijken; (2) 17. zich retireren; zich terugtrekken; verlaten; [veroud.] resigneren; (3) 18. afnemen; zakken; dalen; wijken; wegtrekken; teruglopen; ; (1) trekken (aan); halen; [een hendel, de trekker enz.] overhalen; [naar zich] toetrekken; aanhalen; [een boog] spannen; opspannen; (2) [de aandacht] trekken; [klanten] aantrekken; [sympathie] winnen; [belangstelling] wekken; (3) [een vaartuig] jagen; slepen; [een schip] treilen; [een trekdier] geleiden; leiden; (4) citeren; aanhalen; (5) stammen uit; afstammen van; [系統を] afkomen van; spruiten uit; [i.h.b.] aarden naar; (6) [hout] zagen; [op een pottenbakkersschijf] draaien; (7) malen; vermalen; fijnmalen; (8) [een lijn, een draad] trekken; lijnen; spinnen; [een rechte] beschrijven; (9) aanhouden; rekken; (10) 10. [gordijnen] dichttrekken; dichtdoen; (11) 11. aanbrengen; besmeren; bedekken; bestrijken; (12) 12. [elektriciteit] aanleggen; installeren; aansluiten; [water (door buizen enz.)] aanvoeren; [veroud.] aanleiden; (13) 13. [een getal] aftrekken; [een bedrag] afhouden; in mindering brengen; afnemen; [iets in prijs] verlagen; afdoen; verminderen; reduceren; terugbrengen; [i.h.b.] korting geven; (14) 14. [de troepen] terugtrekken; intrekken; [visnetten] ophalen; [de handen (van iets)] aftrekken; (15) 15. overrijden; omrijden; omverrijden; aanrijden
褪せる aseru (1) verfletsen; flets; fletser worden; z'n kleur verliezen; ontkleuren; verkleuren; verschieten; verbleken; vervagen; [gew.] afgaan; [veroud., gew.] verschijnen; (2) [fig.] tanen; in glans achteruitgaan; afnemen; verflauwen; wegkwijnen
緩む yurumu (1) losgaan; loskomen; losraken; los(ser) worden; gaan loszitten; [Belg.N.] lossen; (2) ontspannen; verslappen; verminderen; afnemen; slappen; slabakken; verflauwen; vervlakken; kwijnen; [スピードが] minderen; [勾配が] minder steil; scherp worden; [氷が] smelten; (3) [気が] relaxen; ontstressen; [fig.] de teugels vieren; [m.b.t. aandacht] scherpte; intensiteit verliezen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.65 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 36 treffers (zoekopdracht: 'afnemen', strategie: exact). 
2005-2019