日蘭辭典+

10 resultaten voor ‘afscheid’
日蘭辭典 (trefwoord)
ji-suru辭する
i.w. (1) [辭任] ontslag nemen. t.w. (2) [辭退] weigeren; i.w. zich verschoonen. i.w. (3) [暇乞] afscheid nemen.
gomen御免
zn. (uw) vergunning v.; (uw) vergiffenis v.; (uw) verlof o. ¶ 御免なさい vergeef mij; neem me niet kwalijk. ¶ 一寸御免下さい wil mij een oogenblik excuseeren. ¶ これで御免を蒙ります ik moet nu eens afscheid gaan nemen. ¶ そんなもう御免だ zulke praatjes wensch ik niet te hooren; verschoon mij van zulke praatjes.
ketsubetsu訣別
(決別) zn. afscheid o. ¶ 訣別する afscheid nemen; vaarwel zeggen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afscheid>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
送別会 soubetsukai afscheidsfeest; [pregn.] afscheid
送別 soubetsu afscheid; uitgeleide; [fig.] het uitzwaaien; [arch.] vaarwel
一別 ichibetsu afscheid; laatste; vorige ontmoeting
決別 ketsubetsu afscheid; vaarwel; verlating; scheiding
別れ wakare (1) afscheid; scheiding; het uiteengaan; vertrek; (2) vaarwel; gedag
名残 nagori (1) wat er overblijft; rest; resten; restant; restanten; overblijfsel; overblijfselen; spoor; sporen; (2) herinnering; aandenken; souvenir; (3) vaarwel; afscheid; vertrek; (4) afscheidspijn
告別 kokubetsu het afscheid nemen; afscheid; vaarwel; afscheidsgroet
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.44 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 7 treffers (zoekopdracht: 'afscheid', strategie: exact). 
2005-2020