日蘭辭典+

15 resultaten voor ‘afscheiden’
日蘭辭典 (trefwoord)
hedateru隔てる
t.w. afscheiden; op een afstand houden; vervreemden. ¶ を隔てて聞く aan den anderen kant van de muur luisteren. ¶ 尺づつ隔ててが立って居る de palen staan drie voet van elkaar.
kukaku區劃
(区画) zn. afdeeling v.; sectie v.; perceel o. ¶ 區劃する afscheiden; verdeelen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afscheiden>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
仕切るshikiru (1) verdelen; delen; indelen; afdelen; afscheiden; partitioneren; (2) [帳簿を] vereffenen; afrekenen; verrekenen; (3) [sumojargon] zich in aanvalspositie; positie stellen
分泌するbunpitsusuru afscheiden; uitscheiden
分離するbunrisuru afzonderen; scheiden; separeren; segregeren; isoleren; (zich) afscheiden; (zich) afsplitsen; (zich) splitsen; zich afscheuren; [geneesk.; m.b.t. dood weefsel] sekwestreren
切り離すkirihanasu afsnijden; afknippen; afhakken; afkappen; doorknippen; afsplitsen; afscheiden; scheiden; splitsen; losmaken
句切る ; 区切るkugiru (1) verdelen; indelen; (2) interpuncteren; leestekens plaatsen; in zinnen verdelen; (3) afscheiden; afzonderen; (4) stoppen
吐く ; 嘔くhaku (1) spuwen; [spreekt.] spugen; opgeven; opspuwen; ophoesten; uitkotsen; (2) braken; overgeven; opgeven; [inform.] kotsen; vomeren; [uitdr.; volkst.] over zijn nek gaan; [uitdr.; volkst.] rendez-vous houden; spelen; [uitdr.] aan Neptunus offeren; (3) uiten; zeggen; uiting geven aan; luchten; slaken; uitdrukken; laten zien; uitspreken; [fig.] spuien; (4) uitstoten; uitwerpen; uitbraken; uitspuwen; [rook enz.] uitademen; [spreekt.] uitspugen; afgeven; afscheiden; van zich doen uitgaan; (5) [泥を] bekennen; opbiechten; toegeven; doorslaan; [Barg.] kotsen; [Barg.] poekelen; [Barg.; uitdr.] poep van zeike gaan
垂れるtareru (1) neerhangen; afhangen; omlaag hangen; [i.h.b.] doorhangen; (2) druipen; neerdruipen; druppelen; neerdruppelen; druppen; sijpelen; [gew.] zijpen; (3) laten bengelen; laten bungelen; laten slingeren; laten schommelen; [頭を] buigen; laten hangen; [釣り糸を] neerlaten; (4) afscheiden; lozen; [おしっこを] een plas doen; (5) uiten; vertellen; debiteren; uitkramen; (6) openbaren; kenbaar maken; [訓示を; 範を] geven; [恩恵を] bewijzen
排泄する ; 排洩するhaisetsusuru lozen; afscheiden; uitscheiden; ontlasten; uitdrijven; afgaan
断ち切る ; 截ち切るtachikiru (1) afsnijden; doorsnijden; afhouwen; doorhouwen; afhakken; doorhakken; afbreken; afscheiden; scheiden van; (2) [関係を] verbreken; ophouden met; breken met; afzweren
発するhassuru (1) vertrekken uit; verlaten; (2) verschijnen; zich voordoen; optreden; gebeuren; voortkomen; voortspruiten; ontspringen; voortspringen; komen uit; uitgaan van; voortvloeien uit; emaneren uit; afkomstig zijn van; z'n oorsprong vinden; (3) ontstaan; tot stand komen; (4) teweegbrengen; veroorzaken; doen ontstaan; beginnen; starten; lanceren; (5) voortbrengen; geven; opleveren; afgeven; afscheiden; verspreiden; uitstoten; uitzenden; uitvaardigen; verstrekken; (6) uiten; uitbrengen; van zich doen uitgaan; formuleren; (7) afvuren; afschieten; (8) sturen; afzenden; afvaardigen
置く ; 措く (bet. 6) ; 擱く (bet. 17)oku (1) plaatsen; zetten; leggen; stellen; installeren; (2) laten liggen; achterlaten; (3) laten; zo laten; toelaten; toestaan; (4) oprichten; vestigen; instellen; stichten; grondvesten; openen; houden; (5) bewaren; opslaan; stockeren; conserveren; houden; een voorraad vormen; (6) uitzonderen; terzijde leggen; (7) erbij laten; er zich verder niet meer mee bemoeien; (8) tewerkstellen; werk geven; in dienst hebben; [bedienden] houden; (9) huisvesten; logeren; logies verlenen; (10) aanstellen als; [een persoon] in een zekere functie plaatsen; benoemen; (11) [soldaten] posteren; legeren; plaatsen; opstellen; (12) een tussenruimte laten; een tijdsinterval laten; tijd tussen laten; afscheiden; op een afstand houden [zie ook het suffix -oki 置き]; (13) verpanden; belenen; in onderpand geven; (14) [m.b.t. een laagje goud; zilver etc.] voorzien; beleggen; bekleden; vergulden; verzilveren; (15) [m.b.t. dauw; rijp; rijm; nachtvorst etc.] zich vormen; (16) iets op voorhand doen; iets alvast doen [na een て-vorm van een werkwoord]; (17) stoppen met schrijven; de pen neerleggen; een brief afsluiten
隔てるhedateru (1) afscheiden; scheiden; verwijderen; afzonderen; af doen liggen van; [een belemmering enz.] in de weg leggen; [een afstand enz.] ertussen leggen; tussenplaatsen; (2) [een zeker tijdsinterval] inlassen; laten verstrijken; (3) vervreemden; aliëneren
離すhanasu (1) scheiden; afscheiden; afzonderen; separeren; uit elkaar halen; uiteenzetten; (2) afhouden; uiteenhouden; weghouden; verwijderd houden; op afstand houden; [ruimte enz.] openlaten
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.98 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 13 treffers (zoekopdracht: 'afscheiden', strategie: exact). 
2005-2021