日蘭辭典+

14 resultaten voor ‘afspreken’
日蘭辭典 (trefwoord)
yakusoku約束
zn. belofte v.; overeenkomst v.; verbintenis v.; voorwaarde (條件) v. ¶ 約束の時間 het overeengekomen uur. ¶ 約束を守る belofte houden; woord houden. ¶ 約束を守る人 man van zijn woord. ¶ 約束する beloven; overeenkomen; zich verbinden; afspreken. ¶ 約束手形 promesse.
yakusuru約する
t.w. (1) [約束] beloven; afspreken; i.w. overeenkomen. (2) [省略] afkorten; verkorten; herleiden (數學).
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afspreken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
協定するkyouteisuru [価格を] overeenkomen; afspreken; bedingen; een akkoord sluiten; tot een overeenkomst komen
取り決めるtorikimeru beslissen; vastleggen; afspreken; overeenkomen; [日時を] bepalen; [約束を] afsluiten; sluiten
待ち合せる; 待ち合わせる; 待合せるmachiawaseru afspreken; overeenkomen [iemand; elkaar enz.] te ontmoeten; een afspraak maken; opwachten
期するkisuru (1) [時期; 期限を] vastleggen; bepalen; prikken; (2) [必勝を] zich vast voornemen; daadwerkelijk plannen; z'n zinnen zetten op; (3) [生還を] verwachten; hopen op; uitkijken naar; tegemoet zien; afwachten; rekenen op; voorzien; anticiperen; zich voorbereiden op; (4) [再会を] beloven; afspreken
期するgosuru (1) [必勝を] zich vast voornemen; daadwerkelijk plannen; z'n zinnen zetten op; (2) [生還を] verwachten; hopen op; uitkijken naar; tegemoet zien; afwachten; rekenen op; voorzien; anticiperen; zich voorbereiden op; (3) [再会を] beloven; afspreken
期すkisu (1) [時期; 期限を] vastleggen; bepalen; prikken; (2) [必勝を] zich vast voornemen; daadwerkelijk plannen; z'n zinnen zetten op; (3) [生還を] verwachten; hopen op; uitkijken naar; tegemoet zien; afwachten; rekenen op; voorzien; anticiperen; zich voorbereiden op; (4) [再会を] beloven; afspreken
期すgosu (1) [必勝を] zich vast voornemen; daadwerkelijk plannen; z'n zinnen zetten op; (2) [生還を] verwachten; hopen op; uitkijken naar; tegemoet zien; afwachten; rekenen op; voorzien; anticiperen; zich voorbereiden op; (3) [再会を] beloven; afspreken
確定するkakuteisuru (1) beslist worden; vastgelegd worden; vastgesteld worden; bepaald worden; uitgemaakt worden; [veroud.] gedecideerd worden; afgesproken worden; (2) beslissen; vastleggen; vaststellen; bepalen; uitmaken; [veroud.] decideren; afspreken
約すyakusu (1) samenbinden; bundelen; aanhalen; (2) weglaten; achterwege laten; uitlaten; overslaan; laten vallen; (3) afspreken; overeenkomen; een afspraak; contract aangaan; een overeenkomst sluiten; zich verbinden; (4) besparen; bezuinigen; beperken; reduceren; bekorten; afkorten; vereenvoudigen; verkorten; (5) [wisk.] herleiden; reduceren
約束するyakusokusuru (1) beloven; toezeggen; een belofte doen; verzekeren; z'n woord geven; zich verbinden; zich committeren; zich verplichten; (2) afspreken; een afspraak maken; een verbintenis; engagement; contract aangaan; contracteren
言い合わせるiiawaseru (1) afspreken; vooraf overeenkomen; vooraf regelen; (2) een gesprek voeren; converseren; (3) beraadslagen; bespreken; bepraten; discussiëren; bediscussiëren; [w.g.] samenspreken; [veroud.] samenspraak houden
黙約するmokuyakusuru stilzwijgend overeenkomen; afspreken; een stilzwijgend akkoord; contract sluiten
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.59 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 12 treffers (zoekopdracht: 'afspreken', strategie: exact). 
2005-2021