日蘭辭典+

13 resultaten voor ‘afwachten’
日蘭辭典 (trefwoord)
toki
zn. (1) [時間] tijd m.; uur o. (2) [瞬間] oogenblik m. (3) [期] tijd m.; gelegenheid v. (4) [場合] geval o. (5) [時代] periode v.; tijdperk. (6) [季節] seizoen o. (7) [期限] termijn m.(8) [文法の] tijd m. ¶ 十の op tienjarigen leeftijd. ¶ に應じて al naar het uitkomt. ¶ に合ふ gelegenheid afwachten. ¶ を待つ tijd besteden. ¶ を誤らずに來る stipt op tijd komen. ¶ 外れの ontijdig; ongelegen. ¶ の toenmalig; van dien tijd. ¶ に toen; als; wanneer. ¶ 丁度よいに juist bij tijds. ¶ 私が子供のに toen ik nog een kindwas; in mijn jeugd. ¶ には in geval van; gesteld, dat ...... ¶ としては soms; van tijd tottijd.
matsu待つ
t.w. (1) [待つ] wachten; afwachten; i.w. wachten op. t.w. (2) [期待する] verwachten. i.w. (3) hopen op. ¶ 伏して待つ op wachten. ¶ 明日まで待つ tot morgen wachten. ¶ 好機を待つ gelegenheid afwachten. ¶ すこし待て wacht even. ¶ 待つ身は長い als men wacht, valt de tijd lang. ¶ 言を待たず onnoodig te zeggen ......; het spreekt van zelf dat...... ¶ ではお待ち申して居ります ik verwacht u dus.
kaitō囘答
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afwachten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
予期するyokisuru verwachten; afwachten; uitzien naar; tegemoet zien; anticiperen
候ふsamorafu (1) wachten op een goede gelegenheid; afwachten; verbeiden; beiden; (2) dienen; bedienen; in dienst zijn van
待ち受けるmachiukeru wachten op; afwachten; inwachten; opwachten; [form.] beiden; [form.] verbeiden
待つ ; 俟つmatsu (1) wachten (op); verbeiden; afwachten; beiden; opwachten; verwachten; tegemoet zien; uitzien naar; in afwachting zijn van; inwachten; [Barg.; volkst.] darren; [arch.] vertoeven; (2) rekenen op; staat maken op; aangewezen zijn op; behoeven; vergen
期するkisuru (1) [時期; 期限を] vastleggen; bepalen; prikken; (2) [必勝を] zich vast voornemen; daadwerkelijk plannen; z'n zinnen zetten op; (3) [生還を] verwachten; hopen op; uitkijken naar; tegemoet zien; afwachten; rekenen op; voorzien; anticiperen; zich voorbereiden op; (4) [再会を] beloven; afspreken
期するgosuru (1) [必勝を] zich vast voornemen; daadwerkelijk plannen; z'n zinnen zetten op; (2) [生還を] verwachten; hopen op; uitkijken naar; tegemoet zien; afwachten; rekenen op; voorzien; anticiperen; zich voorbereiden op; (3) [再会を] beloven; afspreken
期すkisu (1) [時期; 期限を] vastleggen; bepalen; prikken; (2) [必勝を] zich vast voornemen; daadwerkelijk plannen; z'n zinnen zetten op; (3) [生還を] verwachten; hopen op; uitkijken naar; tegemoet zien; afwachten; rekenen op; voorzien; anticiperen; zich voorbereiden op; (4) [再会を] beloven; afspreken
期すgosu (1) [必勝を] zich vast voornemen; daadwerkelijk plannen; z'n zinnen zetten op; (2) [生還を] verwachten; hopen op; uitkijken naar; tegemoet zien; afwachten; rekenen op; voorzien; anticiperen; zich voorbereiden op; (3) [再会を] beloven; afspreken
狙うnerau (1) op de loer liggen; wachten [op prooi]; azen (op); 't gemunt hebben op; een oogje hebben op; op het oog hebben; uit zijn op; [zijn kans] afwachten; uitkijken naar; ogen (naar); vlassen op; [naar iem. leven] staan; [i.h.b.] onder schot nemen; in de gaten houden; (2) mikken (op); richten (op); aanleggen (op); doelen op; viseren; pointeren; (3) beogen; streven naar; nastreven; najagen; willen (bemachtigen); trachten te behalen; proberen te bereiken; bedoelen
窺うukagau (1) gluren; loeren; turen; [Belg.N.] piepen; (2) afwachten; uitzien naar; loeren op; (3) bestuderen; opnemen; aandachtig bekijken; (4) opmaken; concluderen; uitmaken; afleiden; deduceren; infereren
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.7 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 10 treffers (zoekopdracht: 'afwachten', strategie: exact). 
2005-2022