日蘭辭典+

25 resultaten voor ‘afzetten’
日蘭辭典 (trefwoord)
hai-suru廢する
(廃する) t.w. (1) [王を] afzetten; onttroonen. (2) [制度など] afschaffen. (3) [法律を] intrekken; herroepen. (4) [仕事を] opheffen.
bōshi帽子
zn. hoed m.; hoofddeksel o.; (緣なき) kapje o.; kalotje o.; (山高帽子) kaasbolletje o.; dophoed m.; hooge hoed (シルクハット) m.; (中折帽子) deukhoed m.; slappe hoed m.; sportpet (鳥打帽子) v. ¶ 帽子をかぶる hoed opzetten. ¶ 帽子をかぶって居る hoed ophebben. ¶ 帽子を脱ぐ hoed afzetten. ¶ 帽子取る (挨拶) hoed afnemen.
nugu脱ぐ
i.w. (1) [衣を] zich uitkleeden. t.w. (2) [帽子を] afzetten. ¶ 肌を脱ぐ het bovenlijf ontbloten. ¶ を脱ぐ (が) vervellen; huid afwerpen.
damashitoru騙取る

t.w. afzetten; ontfutselen.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afzetten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
脱ぐ nugu uittrekken; uitdoen; [z'n hoed enz.] afnemen; afzetten; afdoen; lichten; (zich) ontdoen (van); van het lijf doen; afleggen; [het harnas] afgorden
消す kesu (1) (van vuur) uitdoven; (van vuur) blussen; (van vuur) doven; (van vuur) doen ophouden; (van vuur) uitdoen; (van een kaars) uitblazen; (2) (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) uitschakelen; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) afzetten; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) buiten werking stellen; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) doven; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) uitdoen; (3) [ガスを] het gas uitdraaien; uitzetten; afsluiten; de gaskraan dichtdraaien; (4) wegvegen; uitvegen; wegvagen (met een vlakgom); uitwissen (van voetsporen); wissen (uit zijn geheugen); uitvlakken; (5) (een letter; een woord; een passage; etc.) doorhalen; (een letter; een woord; een passage; etc.) doorstrepen; (een letter; een woord; een passage; etc.) schrappen; (een letter; een woord; een passage; etc.) doorschrappen; (6) (van geluid) dempen; (van geluid) smoren; (van geluid) absorberen; (van geluid) niet weerkaatsen; (van geluid) krachteloos maken; (7) (een geur) verdrijven; (een geur) doen verdwijnen; (een geur) verjagen; (een geur) neutraliseren; (8) (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) neutraliseren; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) een tegengif geven tegen ...; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) een antidotum geven tegen ...; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) onschadelijk maken; (9) vermoorden; ombrengen; liquideren; doden; koud maken; afmaken; om zeep helpen; voorgoed tot zwijgen brengen; onschadelijk maken; (10) 10. [姿を] verdwijnen; uit het zicht verdwijnen; van de scène verdwijnen; in rook opgaan; het toneel verlaten; van het toneel verdwijnen
ぼる boru te veel laten betalen; te veel vragen; overvragen; afzetten; flessen; plukken; uitzuigen
包囲する houisuru omsluiten; omvatten; omringen; omcirkelen; [mil.] belegeren; het beleg slaan van; omsingelen; insluiten; blokkeren; een kordon leggen; trekken om; afzetten
退ける shirizokeru (1) wegsturen; terugsturen; wegzenden; terugtrekken; verdrijven; verjagen; wegjagen; (2) [敵を] terugslaan; terugdrijven; terugwerpen; afslaan; afweren; weren; afhouden; [誘惑を] weerstaan; (3) [勧告を] afwijzen; afslaan; afketsen; van de hand wijzen; terugwijzen; weigeren; wegwuiven; [控訴を] verwerpen; (4) de laan uit sturen; de deur wijzen; verwijderen; ontslaan; afzetten; ontheffen
絞る (alle bet.) shiboru (1) persen; pijnen; pressen; uitpersen; uitknijpen; wringen; uitwringen; [牛乳; 乳を] melken; [涙を] trekken; (2) inspannen; forceren; [智恵を] afpijnigen; pijnigen; [弓を] opspannen; spannen; [従業員を] zwaar drillen; zwaar trainen; (3) afdwingen; afzetten; afpersen; uitzuigen; knevelen; plukken; uitbuiten; exploiteren; (4) berispen; een uitbrander; schrobbering; standje geven; onder handen nemen; ernstig onderhouden; duchtig doorhalen; flink aanpakken; ervan langs geven; uitfoeteren; scherp terechtwijzen; [uitdr.] de mantel uitvegen; [uitdr.] de oren wassen; [uitdr.] het vuur na aan de schenen leggen; [uitdr.] door de wringer halen; (5) samentrekken; dichtrijgen; [レンズを] sluiten; diafragmeren; (6) lager; zachter zetten; minderen; verminderen; reduceren; doen afnemen; [エンジンを] smoren; knijpen; (7) beperken; limiteren; terugbrengen; verengen; verfijnen; (8) [sumō-jargon] in bedwang houden; eronder houden; inklemmen; zijn bewegingsvrijheid ontnemen
絞り取る shiboritoru (1) uitpersen; uitwringen; (2) [fig.] afzetten; aderlaten; uitmelken; uitzuigen
誤魔化す gomakasu bedriegen; bedotten; te slim af zijn; oplichten; foppen; misleiden; om de tuin leiden; afzetten; afhandig maken; [inform.] beduvelen; [返事を] omzeilen
切断する setsudansuru afsnijden; [geneesk.] amputeren; afzetten
止める tomeru (1) stoppen; stopzetten; stilleggen; stilhouden; laten stilstaan; stillen; stuiten; tot stilstand brengen; stilzetten; tot staan brengen; parkeren; stallen; [aan de kant enz.] zetten; neerzetten; arrêteren; [de dief enz.] houden; een halt toeroepen; een punt zetten achter ~; een einde maken aan [een ruzie enz.]; ophouden; stremmen; [de aanvoer enz.] staken; afbreken; afsnijden; [een paard enz.] tegenhouden; vasthouden; aanhouden; inhouden; keren; [fig.] afdammen; [m.b.t. geluid, pijn] weren; ophouden; stelpen; (2) [het licht enz.] uitdoen; uitschakelen; [m.b.t. gas, water, radio] uitdraaien; dichtdraaien; afsluiten; uitzetten; afzetten; [de stroom] afbreken; afsnijden; (3) [m.b.t. inflatie enz.] bedwingen; beheersen; afremmen; beteugelen; breidelen; in toom houden; in bedwang houden; intomen; [de groei enz.] belemmeren; (4) beletten; verhinderen; verbieden; voorkomen; ontzeggen; verhoeden
倒す taosu (1) doen (om)vallen; omslaan; tuimelen; kantelen; vellen; omstoten; omverstoten; omverduwen; neerleggen; omhalen; omwerpen; omduwen; omgooien; omwippen; omslaan; omstorten; omsmijten; neerslaan; neerduwen; neervellen; neerhalen; neertrekken; kiepen; tegen de grond werken; gooien; slaan; omkippen; [inform.] omkiep(er)en; [inform., scherts.] omkukelen; [i.h.b.] omverlopen; [i.h.b.] omverrennen; [i.h.b.] omverrijden; [m.b.t. kegelspel] omverkegelen; [i.c.m. 稲を] doen legeren; (2) omverwerpen; omvergooien; omverhalen; ten val brengen; wippen; te gronde richten; uit het zadel werpen; (3) doden; doen sneuvelen; neervellen; neerleggen; ombrengen; [inform.] omleggen; [arch.] vellen; (4) verslaan; slaan; kloppen; onderuithalen; overwinnen; neerwerpen; [fig.] vloeren; [uitdr.] in het zand; stof doen bijten; (5) [m.b.t. schulden] niet delgen; terugbetalen; (financieel) aderlaten; oplichten; afzetten
datsu (1) a. uittrekken; afzetten; afwerpen; (2) b. verwijderen; wegnemen; (3) c. vergeten; bij verzuim weglaten; (4) d. missen; afdwalen; (5) e. ontkomen; vrij raken; ; ont-; de-
断つ tatsu (1) breken; snijden; afsnijden; afbreken; afhakken; doorsnijden; doorhakken; (2) staken; uitscheiden met; stoppen met; ophouden met; laten; niet langer doen; opgeven; [悪習; 麻薬を] afkicken; (3) [電流を] uitschakelen; uitdraaien; afzetten; [接続を] afkoppelen
脱する dassuru (1) [m.b.t. hoofddeksel e.d.] afzetten; afnemen; afdoen; (2) [m.b.t. stop, kurk e.d.] uittrekken; uitdoen; ; ontsnappen aan; ontkomen aan; wegkomen van; zich redden uit; raken; geraken uit; zich bevrijden uit; zich losmaken van; zich loswerken uit; zich vrijmaken van; te boven komen; gaan; erbovenuit komen; stijgen; schieten
截つ tatsu snijden; doorsnijden; uitsnijden; afsnijden; afzetten; amputeren
巻き上げる makiageru (1) opwinden; oprollen; (2) [ほこりを] opjagen; (3) afpakken; ontnemen; afroven; afhandig maken; afzetten; aftroggelen; afpersen
売却する baikyakusuru verkopen; verhandelen; van de hand doen; zetten; afzetten
外す hazusu (1) losmaken; openmaken; [眼鏡を] afzetten; afdoen; [ベッドカバーを] afhalen; [ボタンを] losknopen; loskoppelen; [留金を] loshaken; afhaken; losgespen; afgespen; verwijderen; weghalen; nemen van; wegnemen; weglaten van; van het slot doen; [戸を] uitlichten; uittillen; [i.h.b.] disloqueren; [mech.] debrayeren; [techn.] ontkoppelen; [ギアを] afkoppelen; (2) [機会を] missen; onbenut laten; laten ontglippen; verkijken; mislopen; misslaan; misschieten; (3) ontkomen aan; ontsnappen aan; ontwijken; pareren; afwenden; (4) [席を] verlaten; ervandoor gaan
販売する hanbaisuru verkopen; verhandelen; afzetten; debiteren; aan de man brengen; slijten; doen in; handelen in
囲う kakou (1) omheinen; insluiten; omringen; omgeven; omsluiten; afzetten; omgorden; (2) [妾を] stiekem eropna houden; als maintenee onderhouden; mainteneren; (3) [野菜; 果実を] kweken; telen; (4) beschermen; behoeden; hoeden; beschutten; vrijwaren; (5) bewaren; opslaan
預ける azukeru in bewaring geven; afgeven; afzetten; ter bewaring toevertrouwen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.61 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 21 treffers (zoekopdracht: 'afzetten', strategie: exact). 
2005-2019