日蘭辭典+

30 resultaten voor ‘baan’
日蘭辭典 (trefwoord)
ushinau失ふ
t.w. verliezen; i.w. kwijtraken; beroofd worden van. ¶ 子を失ふ een kind verliezen. ¶ 職を失ふ buiten betrekking geraken; baantje verliezen. ¶ 失ふ blind worden. ¶ 面目失ふ beschaamd staan.
shigoto仕事
zn. werk o.; arbeid (勞働) m.; taak () v. ¶ 仕事をする werken. ¶ 仕事日 werkdag. ¶ 仕事賃 werkloon; arbeidsloon. ¶ 仕事著 werkpak. ¶ 仕事嫌ひ arbeidschuw. ¶ 仕事werker. ¶ 針仕事 naaiwerk.
shokugyō職業
zn. beroep o.; bedrijf o.; werk o.; vak o.; kostwinning v.; (俗) baantje o.; ¶ 職業紹介所 arbeidsbureau; arbeidsbeurs. ¶ 自由職業 vrij beroep.
yatoi
(傭、傭い、雇い) zn. dienst m.; huur v.; (雇人) employé m.; beambte m. ¶ 雇外國人 vreemdeling in dienst van Japanners. ¶ 雇賃 loon; bezoldiging; huur. ¶ 雇口 baantje; betrekking; dienst; werk. ¶ 傭兵 huurling; huurtroepen. ¶ 雇入れ dienst; in-dienstneming. ¶ 雇入れる in dienst nemen; huren; charteren (を). ¶ 雇人 bediende; employé. ¶ 雇人口入所 bediendenkantoor; verhuurkantoor van personeel; arbeidsbeurs. ¶ 雇主 werkgever; baas.
kuchi
zn. (1) [] mond m. (2) [言語] taal v. ; woord v. (3) [味感] smaak m. (4) [入] deur v.; ingang m. (5) [吸] mondstuk o. (6) [] opening v.; gat o. (7) [空位] vacature v.; vacante plaats v.; betrekking v. (8) [人數] aantal personen m. (9) [割前] aandeel o.; portie v.; (10) [部類] soort v.; artikel o.; merk o. ¶ 開く den mond opendoen. ¶ をきく spreken met. ¶ 出す zich mengen in; zich bemoeien met. ¶ がすべる zich verspreken. ¶ 惡い gemeene taal uitslaan. ¶ と腹とは違ふ niet meenen wat men zegt. ¶ 合ふ naar den smaak zijn. ¶ を探す een baantje zoeken. ¶ 此のは品切れになりました dit artikel is uitverkocht; deze soort hebben wij niet meer. ¶ にて mondeling.
fuchi扶持
zn. bezoldiging (給金) v.; rantsoen (食料) o. ¶ 扶持にありつく een betrekking hebben; () een baantje hebben. ¶ 扶持に離れる zijn betrekking verliezen. ¶ 扶持する in het onderhoud voorzien. ¶ 扶持金 ondersteuning; onderstand; maandgeld. ¶ 扶持米 rantsoen.
SUPPLEMENT (trefwoord)
ganbatte頑張って
Uitdr. Houd vol! Geef niet op! Zet door! Doorzetten! Volhouden! ¶ なら成功できるよ、がんばって。は見捨てない。 ♂ Jij kunt het echt wel, houd vol. Ik zal je niet in de steek laten. ¶ できるだけがんばってやってみます。Ik zal mijn uiterste best doen. ¶ はその難しい課題をがんばってやった。Hij bleef zijn best doen op die lastige lessen. ¶ 新しい仕事がんばってください。Zet hem op met je nieuwe baan / succes met je nieuwe baan.
mensetsu面接
znw. interview; sollicitatiegesprek; beoordelingsgesprek. ¶ 面接がとてもうまくいったので、彼はその仕事についた。 mensetsu ga totemo umaku itta no de, kare wa sono shigoto ni tsuita. Aangezien het sollicitatiegesprek enorm goed was verlopen kreeg hij de baan. ¶ 就職の面接には派手なネクタイよりも地味なネクタイのが好ましい。 shūshoku no mensetsu ni wa hade na nekutai yori mo jimi na nekutai no hō ga konomashii. Voor een sollicitatiegesprek heeft een ingetogen stropdas de voorkeur boven een opzichtige stropdas.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <baan>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ストライプ sutoraipu streep; strook; baan; lijn
勤め tsutome (1) Boeddhistische dienst; (2) werk; baan; dienst; betrekking; ambt; functie; werkzaamheden
kuchi (1) mond; muil; bek; [inform.] bakkes; (2) taal; spraak; woord; (3) smaak; smaakzin; (4) persoon ten laste; mond die gevoed moet worden; (5) openstaande betrekking; vacature; vacante plaats; (6) betrekking; dienstbetrekking; baan; job; aanstelling; (7) mondstuk (van een muziekinstrument); (8) kurk; stop (van een fles); (9) opening; gat; fuit; (10) 10. route; bergpad; riviermonding; estuarium; natuurlijke haven; (11) 11. deur; poort; ingang; uitgang; (12) 12. soort; artikel; merk; (13) 13. begin; (14) 14. gerucht; praatje; verhaal dat de ronde doet; (15) 15. aandeel; actie; effect; portie; (16) 16. opening van een zweer
車線 shasen [maatwoord voor rijstroken, rijbanen]; ; rijstrook; rijbaan; baan; [Belg.N.] rijvak; [Belg.N.] vak
職業 shokugyou beroep; vak; metier; professie; betrekking; ambacht; werk; baan; job; [niet alg.] stiel; [fig.] roeping
職場 shokuba (1) werkplek; [fig.] werkvloer; [i.h.b.] kantoor; (2) [meton.] werk; post; betrekking; baan; job
shoku (1) werk; baan; job; post; emplooi; (2) ambt; functie; dienst; betrekking; officie; positie; [form.] officium; [高い~] waardigheid; (3) vak; beroep; metier; ambacht; [niet alg.] stiel; [i.h.b.] vaardigheid; [i.h.b.] vakkundigheid
仕事 shigoto (1) werk; arbeid; karwei; klus; taak; affaire; zaak; opgave; bezigheid; werkzaamheid; (2) werk; baan; job; beroep; betrekking; emplooi; (3) [nat., techn.] arbeid
shima streep; [m.b.t. vlag] baan; striatie
shima (1) eiland; [fig.] geïsoleerd gebied; [i.h.b.] machtsgebied; (2) Japanse tuin met kunstmatige heuveltjes; vijvertjes enz.; (3) streep; [旗の] baan; striatie
michi (1) weg; baan; route; straat; (2) reis; reisroute; koers; tocht; (3) zeden; juist gedrag; ware pad; pad der deugd; plicht; gerechtigheid; (4) leer; juiste weg [van het boeddhistische geloof enz.]; (5) methode; middel; stap; uitweg; manier; kunst; (6) onderwerp; materie; terrein; branche; vakgebied; (7) loop; gang; proces
道筋 michisuji (1) weg; pad; (2) route; baan; traject; (3) rede; logica
コース koosu [maatwoord voor banen, pistes]; ; (1) route; reisweg; vaarweg; koers; (2) koers; beleid; politiek; policy; (3) volgorde; rangorde; orde; rangschikking; (4) [sportt.] baan; piste; (5) cursus; studiecursus; leergang; (6) gang; onderdeel van een maaltijd; onderdeel van een menu
コート kooto (1) jas; overjas; mantel; (2) baan; tennisbaan; veld; terrein
トラック torakku (1) track; strook; spoor; [m.b.t. plaat; cd] nummer; (2) baan; wedstrijdbaan; piste; (3) truck; vrachtwagen; vrachtauto
弾道 dandou baan; kogelbaan; projectielbaan
サーキット saakitto (1) [自動車レースの] circuit; racebaan; baan; (2) [elektr.] circuit; stroomketen
軌道 kidou (1) baan; omloop; omloopbaan; [ruimtev.] orbit; (2) spoor; spoorlijn; spoorweglijn
yaku [maatwoord voor taken, functies, (toneel)rollen]; ; (1) plicht; taak; functie; rol; opdracht; verantwoordelijkheid; pakkie-an; (2) (openbare) betrekking; (regerings)ambt; staatsbetrekking; post; positie [bij het Rijk]; officie; officium; [in zijn] hoedanigheid [van]; portefeuille; baan; job; dienst; (3) toneelrol; rol; (4) vroondienst; corvee; herendienst; hand- en spandienst; (5) cijns; schatting; tiend; belasting; recht; (6) [m.b.t. kaartspel; mahjong] roemer; roem in het kaartspel of bij mahjong; roemkaarten of -schijven; (7) menstruatie; maandbloeding; ongesteldheid; menses; maandstonden
レーン reen regen-; ; (1) rijstrook; rijbaan; baan; [Belg.N.] rijvak; (2) [sportt.] baan
稼業 kagyou beroep; werk; vak; beroepsbezigheid; baan; job; stiel; metier
滑走路 kassouro [luchtv.] startbaan; landingsbaan; baan; landingsstrip; landingsstrook; airstrip; strip
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.38 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'baan', strategie: exact). 
2005-2019