日蘭辭典+

40 resultaten voor ‘baas’
日蘭辭典 (trefwoord)
aruji主人
() zn. meester m.; baas m.; heer des huizes; gastheer (客に對して) m. ¶ 主人顏をする den baas spelen. ¶ 主人を出せ roep je baas;
yakusuru扼する
t.w. beheerschen; in bedwang houden; i.w. de baas zijn over; Noot: In modern Japans: 扼す
yatoi
(傭、傭い、雇い) zn. dienst m.; huur v.; (雇人) employé m.; beambte m. ¶ 雇外國人 vreemdeling in dienst van Japanners. ¶ 雇賃 loon; bezoldiging; huur. ¶ 雇口 baantje; betrekking; dienst; werk. ¶ 傭兵 huurling; huurtroepen. ¶ 雇入れ dienst; in-dienstneming. ¶ 雇入れる in dienst nemen; huren; charteren (を). ¶ 雇人 bediende; employé. ¶ 雇人口入所 bediendenkantoor; verhuurkantoor van personeel; arbeidsbeurs. ¶ 雇主 werkgever; baas.
taishō大將
(大将) zn. generaal m.; admiraal (海軍) m; (首領) hoofd o.; aanvoerder m.; leider m.; baas m.; (俗) ouwe m.
danna旦那
zn. (1) [主人] heer m.; meester m. (2) [良人] echtgenoot m.; man m. (3) [敬稱] mijnheer m.; meneer m. ¶ 旦那顏をする den baas spelen. ¶ 旦那取りする gemainteneerd worden.
kakae抱へ
zn. (1) [抱くこと] omhelzing v. (2) [雇入] dienst m.; emplooi o. ¶ 抱への in dienst. ¶ 抱主 baas; meester. ¶ 抱車 eigen rijtuig. ¶ 抱醫 lijfarts. ¶ 抱入れる in dienst nemen. ¶ 抱へる in de armen houden; onder den arm houden; omhelzen; in dienst hebben; houden.
chikuden逐電
zn. vlucht v. ¶ 逐電する er van door gaan; op den loop gaan; wegloopen. ¶ 主人を持って逐電した hij is er met het geld van zijn baas van door gegaan.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <baas>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
お上okami (1) [hon.] keizer; majesteit; shogun; (2) [hon.] regering; shogunaat; rijksoverheid; overheid; gevestigde macht; [meton.] de kroon; (3) [hon.] edele heer; vrouwe; hoogheid; (4) [hon.] heer; vrouw des huizes; meester; meesteres; baas; bazin; (5) [hon.] uw; zijn vrouw; echtgenote; mevrouw; (6) waardin; kasteleinse
キャップkyappu (1) pet; muts; [Belg.N.; spreekt.] klak; (2) dop; beschermkapje; sluiting; (3) baas; meerdere; chef; hoofd; leider; [チームの] aanvoerder; captain; [Belg.N.] kapitein
チーフchiifu baas; chef; hoofd
ヘッドheddo (1) hoofd; (2) verstand; (3) kop; bovenste gedeelte; (4) hoofd; baas; meerdere; chef; leider; (5) [テープ・レコーダー; ビデオ・レコーダーの] kop; opnamekop; wiskop; (6) [バットの] uiteinde; [ゴルフ・クラブの] blad; clubhoofd; clubhead
ボスbosu (1) kopstuk; leider; voorman; leidende figuur; [ギャングの] bendeleider; bendehoofd; (2) baas; chef; (3) [techn.] naaf; (4) Voss [= Noorse gemeente]
マスターmasutaa (1) baas; patron; chef; eigenaar; [i.h.b.] waard; herbergier; kastelein; (2) master; [oneig.] meester [academische graad]
上の人uenohito meerdere; superieur; hogere in rang; chef; baas
上司joushi meerdere; superieur; hogere in rang; chef; baas
上役uwayaku meerdere; hogere in rang; chef; superieur; baas
上手jouzu (1) expert (in); deskundige; meester; vakkundige; kenner; baas; piet; [inform.] kei; [inform.] kraan; (2) vleierij; mooipraterij; flemerij; (3) goed (in); vaardig; bedreven; behendig; kundig; knap; meesterlijk; deskundig; vakkundig; bekwaam; sterk; ervaren; habiel; handig; geverseerd; onderlegd; [Belg.N.; niet alg.] beslagen
主人shyujin (1) heer (des huizes); huisheer; pater familias; gezinshoofd; (2) baas; meester; mijnheer; meneer; [m.b.t. zaak] patroon; chef; principaal; [i.h.b.] waard; [i.h.b.] hospes; (3) echtgenoot; man; (4) gastheer
aruji (1) heer des huizes; huisheer; meester; [arch.] mijnheer; (2) baas; chef; patroon; (3) landsheer; landsvorst; vorst; prins; (4) gastheer
名人meijin (1) meester; virtuoos; baas; bolleboos; [inform.] kraan; (2) meijin; grootmeester in het go of shōgi
大将taishyou (1) [mil.] generaal; veldheer; (2) [mar.] admiraal; (3) baas; chef; oude; ouwe; (4) maat; kerel
yatsu (1) kerel; vent; gast; knul; man; baas; knaap; gozer; heerschap; snuiter; vriend; jongen; [inform.] klant; creatuur; sujet; (2) ding; zaak; exemplaar; geval; (3) [denigrerend of sympathiserend] hij; zij
家主yanushi (1) huisbaas; huiseigenaar; huiseigenares; huisheer; verhuurder; verhuurster; hospes; hospita; kamerverhuurder; kostbaas; [Barg.; studentent.; veroud.] schoft; (2) landheer; pachtheer; grondeigenaar; grondheer; verpachter; verpachtster; (3) gezinshoofd; heer des huizes; baas
御主人 ; ご主人goshyujin (1) echtgenoot; man; huwelijkspartner; (2) gezinshoofd; het hoofd van een huishouden; huisvader; pater familias ; (3) gastheer; gastvrouw; heer des huizes; vrouw des huizes; (4) werkgever; persoon die werkkrachten in dienst heeft; baas; chef; meerdere; (5) uitbater; eigenaar; winkelier; winkelhouder; hotelhouder; waard; kastelein
旦那 ; 檀那danna (1) meester; heer; baas; mijnheer; meneer; (2) iems. echtgenoot; iems. man; (3) mainteneur; beschermheer; patroon; (4) [als aanspreektitel] mijnheer; meneer
旦那さんdannasan (1) meester; heer; baas; mijnheer; meneer; (2) echtgenoot; man; (3) mainteneur; beschermheer; patroon; (4) mijnheer; meneer
旦那様dannasama (1) meester; heer; baas; mijnheer; meneer; (2) echtgenoot; man; (3) mainteneur; beschermheer; patroon; (4) mijnheer; meneer
棟梁touryou (1) vorst en balken [hoofddelen van een dakconstructie]; (2) [Jap.gesch.] gouverneur; (3) hoofd; leider; aanvoerder; chef; baas; voorman; (4) ploegbaas; [i.h.b.] meester-timmerman
otoko (1) man; persoon van het mannelijke geslacht; (2) kerel; vent; makker; baas; oude baas; oude knar; (3) volwassene; volwassen man; (4) knecht; huisknecht; dienstbode; bediende; dienaar; (5) mannelijkheid; viriliteit; manhaftigheid; flinkheid; eer; reputatie; goede naam; eergevoel; ponteneur; (6) minnaar; geliefde; vrijer; lief; beminde
胴元doumoto (1) [賭けゲームの] bankhouder; bank; bankier; croupier; [フェローで] tailleur; (2) bookmaker; (3) manager; baas
ei (1) bloem; bloemkroon; corolla; (2) superioriteit; meerderheid; hogere kwaliteit; grootheid; uitmuntendheid; voortreffelijkheid; uitnemendheid; (3) meerdere; superieur; uitmuntend iemand; held; bol; kei; baas; kraan; uitblinker; bolleboos; poehaan; hoogvlieger; [veroud.] overvlieger; coryfee; [gew.] uitloper; [gew.] kadee; (4) Engeland; [afk.] Eng.; [bij uitbr.] Groot-Brittannië; het Verenigd Koninkrijk
親分oyabun baas; chef; leider; aanvoerder; leidende figuur; patroon
親方oyakata (1) meester; patroon; baas; coach; (2) [aanspreekvorm] chef; (3) [sumō-jargon] senior; (4) leider; voorman; (5) pleegouder; voogd; (6) oudere broer; [i.h.a.] senior
親父 ; 親仁oyaji (1) pa; vader; ouweheer; ouwe heer; ouwe; (2) ouwe; vadertje; oude man; (3) baas; chef; ouwe; waard
親父yajio (1) pa; vader; ouweheer; ouwe heer; ouwe; (2) ouwe; vadertje; oude man; (3) baas; chef; ouwe; waard
酋長shyuuchou (1) opperhoofd; stamhoofd; hoofd; (2) chef; leider; baas; voorman
chou (1) hoofd; chef; baas; leider; oudste; aanvoerder; meerdere; meester; directeur; voorzitter; patroon; president; principaal; (2) meerdere in jaren; (3) het beste (onder ~); sterk punt; gunstig element; goede eigenschap; fort; kwaliteit; voordeel; merites; (4) [muz.] majeur; dur
雇い主yatoinushi werkgever; baas; patroon
kashira (1) hoofd; kop; (2) hoofdhaar; (3) begin; kop; (4) chef; baas; leider; boss; hoofd; aanvoerder; voorman; ploegbaas; (5) hoofd; kop van een pop; poppenkop; (6) [nō-jargon] langharige pruik; (7) [nō-jargon] aanhef van een stuk; (8) degenknop; knop aan zwaardgevest; (9) radicaal in het topdeel van een kanji; (10) [maatwoord voor mensen; dieren]; (11) [maatwoord voor boeddhistische beelden]; (12) [maatwoord voor leiders (i.h.b. generaals; daimyō)]; (13) [maatwoord voor eboshi-hoofddeksels]
飼い主kainushi eigenaar; baas; bazin; baasje; vrouwtje
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.52 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 33 treffers (zoekopdracht: 'baas', strategie: exact). 
2005-2021