日蘭辭典+

18 resultaten voor ‘beperken’
日蘭辭典 (trefwoord)
sebameru狭める
t.w. vernauwen; versmallen; beperken.
sokubaku束縛
zn. beperking v.; vastbinding v. ¶ 束縛する binden; beperken; in zijn bewegingen belemmeren. ¶ 束縛を脱する zich vrij maken; de boeienslaken.
hikaeru控へる
(控える) t.w. (1) [書き留める] noteeren; aanteekenen. (2) [抑制] beperken; bedwingen.; i.w. zich onthouden van. i.w. (3) [待つ] wachten. ¶ 食物を控へる matig zijn inhet eten. ¶ そのこと今日控へて居た ik het er tot dusverre over gezwegen. ¶ 控へろ houd je mond!; zwijg! ¶ は急ぎの用事を控へて居る ik heb dringende bezigheden. ¶ に控へて居る in de kamer ernaast wachten. ¶ 手編を控へる de teugels inhouden.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <beperken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
詰める tsumeru (1) vullen (met); [koffers enz.] pakken; opvullen (met); stoppen; volstoppen; dichtstoppen; proppen; toeproppen; stouwen; [tandh.] plomberen; (2) (nauwer) doen aansluiten; dicht(er) opeen doen staan; zitten; dichter bij elkaar plaatsen; doen aanschikken; doen opeenpakken; aanhalen; (3) inkorten; verkorten; korter maken; bekorten; korten (met); afkorten; [m.b.t. kledingstuk] inleggen; [m.b.t. voorsprong; afstand] verkleinen; verminderen; [op de uitgaven enz.] besnoeien; bezuinigen; [de uitgaven enz.] beperken; inperken; [m.b.t. adem] inhouden; [m.b.t. vinger] knotten; (4) een eind maken aan [een discussie enz.]; beëindigen; afwikkelen; afronden; z'n beslag geven; ten einde brengen; de laatste hand leggen aan; (5) (onverdroten; onafgebroken; ononderbroken; continu; doorlopend; non-stop; de hele tijd; aanhoudend; constant) blijven ~; (geconcentreerd; ingespannen; intensief; intens) bezig zijn met ~; (6) schaak geven; schaak zetten; (schaak)mat zetten; (schaak)mat geven; ; [op zijn post] blijven; zich paraat houden; op wacht staan; posten
削る kezuru (1) [木材を] schaven; met een schaaf bewerken; vijlen; met een vijl bewerken; [鉛筆を] scherpen; slijpen; (2) een streep halen door; doorhalen; doorstrepen; schrappen; doorschrappen; (3) verminderen; inkrimpen; terugschroeven; beknotten; beperken; korten; bekorten; inkorten; reduceren; (4) [鎬を] een verwoede strijd voeren; een hevige; zware strijd leveren; fel strijden
減らす herasu verminderen; minderen; reduceren; terugbrengen; herleiden; terugschroeven; verkleinen; kleiner maken; besnoeien; afbouwen; verlagen; bekorten; beperken; inkorten; inkrimpen; verkorten; inperken
縮小する shukushousuru verkleinen; verminderen; beperken; reduceren; terugbrengen; terugschroeven; besnoeien; inkrimpen; inkorten; inperken; [fig., euf.] afslanken; downsizen; aftrimmen
縛る shibaru (1) vastbinden; binden; bijeenbinden; samenbinden; opbinden; knevelen; knopen; sjorren; vastsjorren; vastknopen; vastmaken; vastleggen; vastsnoeren; [zeew.] beleggen; [m.b.t. scheepv.] seizen; dichtbinden; dichtsnoeren; dichtrijgen; [m.b.t. wonde] verbinden; afbinden; (2) [fig.] binden; [fig.] inbinden; beperken; [fig.] knevelen; [fig.] kluisteren; [fig.] boeien; [fig.] ketenen; beknotten; [uitdr.] de handen binden; [uitdr.] aan banden leggen
締める (bet. 1, 3-5) shimeru (1) [帯を] aanhalen; omdoen; omgorden; strak trekken; verstrakken; gespannen maken; aanspannen; opspannen; spannen; aanzetten; aansnoeren; vastsnoeren; [栓を] vastdraaien; aandraaien; dichtdraaien; [ねじで] aanschroeven; (2) wurgen; kelen; doen stikken; verwurgen; smoren; verstikken; de strot dichtknijpen; de keel toeknijpen; [w.g.] stranguleren; [m.b.t. pluimvee] de nek omdraaien; [euf.] slachten; [arch.] worgen; (3) afronden; sluiten; [勘定を] afsluiten; [i.h.b.] (alles) bij elkaar optellen; rekenen; nemen; [i.h.b.] sommeren; (4) streng zijn voor; tegen; goed in bedwang hebben; kort houden; [uitdr.] de teugels aanhalen; [uitdr.] de schroeven wat aandraaien; (5) bezuinigen (op); besparen (op); besnoeien (op); zuinig; spaarzaam zijn (met); matigen; economiseren; [m.b.t. uitgaven] inperken; beperken; inkrimpen; bekrimpen; terugbrengen; [uitdr.] de buikriem; broekriem aanhalen; versoberen; [m.b.t. overheid, fig., euf.] ombuigen; (6) [cul.] met zout of azijn behandelen (zodat het (vis)vlees stevig wordt); [i.h.b.] pekelen; [i.h.b.] marineren; [塩で] zouten; [酢で] met azijn behandelen
絞る (alle bet.) shiboru (1) persen; pijnen; pressen; uitpersen; uitknijpen; wringen; uitwringen; [牛乳; 乳を] melken; [涙を] trekken; (2) inspannen; forceren; [智恵を] afpijnigen; pijnigen; [弓を] opspannen; spannen; [従業員を] zwaar drillen; zwaar trainen; (3) afdwingen; afzetten; afpersen; uitzuigen; knevelen; plukken; uitbuiten; exploiteren; (4) berispen; een uitbrander; schrobbering; standje geven; onder handen nemen; ernstig onderhouden; duchtig doorhalen; flink aanpakken; ervan langs geven; uitfoeteren; scherp terechtwijzen; [uitdr.] de mantel uitvegen; [uitdr.] de oren wassen; [uitdr.] het vuur na aan de schenen leggen; [uitdr.] door de wringer halen; (5) samentrekken; dichtrijgen; [レンズを] sluiten; diafragmeren; (6) lager; zachter zetten; minderen; verminderen; reduceren; doen afnemen; [エンジンを] smoren; knijpen; (7) beperken; limiteren; terugbrengen; verengen; verfijnen; (8) [sumō-jargon] in bedwang houden; eronder houden; inklemmen; zijn bewegingsvrijheid ontnemen
制限する seigensuru beperken; begrenzen; limiteren; inperken; afbakenen
節約する setsuyakusuru besparen; bezuinigen; economiseren; uitsparen; sparen (op); zuinig zijn; omspringen; omgaan (met); het zuinig aanleggen; zuinigheid betrachten; spaarzaam zijn (met); beknibbelen; bekrimpen; versoberen; besnoeien; reduceren; beperken; bekorten
削減する sakugensuru verminderen; besnoeien; inperken; reduceren; verlagen; inkrimpen; korten; beperken; bezuinigen (op); beknibbelen (op); terugbrengen; het mes zetten in; kappen in; beknotten
切り詰める kiritsumeru (1) verkorten; korter maken; bekorten; inkorten; korten; besnoeien; bijknippen; bijsnijden; [蝋燭の芯を] snuiten; (2) minderen met; [費用を] beperken; besnoeien; bezuinigen; inperken; inkrimpen; verminderen; terugbrengen; reduceren
緊縮する kinshukusuru (1) aanhalen; aantrekken; aanspannen; samentrekken; contraheren; strak trekken; krapper maken; (2) bezuinigen; besnoeien; besparen; economiseren; inkrimpen; inperken; beperken; beknotten; matigen; versoberen; terugbrengen; inleveren; de buikriem aanhalen
局限する kyokugensuru (tot een bepaalde plaats) beperken; begrenzen; limiteren; een limiet stellen; lokaliseren; binnen bepaalde grenzen houden
約す yakusu (1) samenbinden; bundelen; aanhalen; (2) weglaten; achterwege laten; uitlaten; overslaan; laten vallen; (3) afspreken; overeenkomen; een afspraak; contract aangaan; een overeenkomst sluiten; zich verbinden; (4) besparen; bezuinigen; beperken; reduceren; bekorten; afkorten; vereenvoudigen; verkorten; (5) [wisk.] herleiden; reduceren
カットする kattosuru (1) knippen; kappen; (2) [宝石を] snijden; (3) [sportt.] kappen; snijden; afsnijden; onderscheppen; effect geven; meegeven; een kapbeweging maken; (4) [filmk.] cutten; snijden en lassen; (5) inkorten; verkorten; couperen; weglaten; doorstrepen; doorhalen; schrappen; (6) verminderen; verlagen; reduceren; beperken; inkrimpen; korten; besnoeien; bezuinigen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.36 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 15 treffers (zoekopdracht: 'beperken', strategie: exact). 
2005-2019