日蘭辭典+

29 resultaten voor ‘bereiken’
日蘭辭典 (trefwoord)
onna
zn. vrouw v.; meid (下婢) v. ¶ になる huwbaren leeftijd bereiken. ¶ に迷ふ dol verliefd zijn op een vrouw. ¶ vrouwelijk. ¶ の世界 de vrouwenwereld. ¶ 道樂 lichtmisserij; hoerenjagerij. ¶ acteur, die vrouwerollen speelt. ¶ 嫌ひ vrouwenhater. ¶ 狂 lichtmisserij; hoerenlooperij; verslaafdheid aan de vrouwen. ¶ 食ひ souteneur. ¶ 臭い vrouwelijk; verwijfd. ¶ 兄弟 zusters. ¶ 給仕 kellnerin; kamermeisje. ¶ の子 meisje. ¶ らしい vrouwelijk. ¶ 政治 vrouwenregeering. ¶ 役者 actrice; tooneelspeelster. ¶ gemakkelijke helling. ¶ 好き liefhebber van de vrouwen.
otoko
zn. (1) [子] man m.; volwassen man (大人) m. (下僕) bediende m.; knecht m.; mannelijkheid (子の意氣) v. (2) [情夫] minnaar m. ¶ の mannelijk. ¶ 盛り bloei van de mannelijke kracht; kracht van het leven. ¶ になる (が) climacterische leeftijd bereiken. ¶ 今度赤ちゃんですかですか is het een jongen of een meisje? ¶ 知らず maagdelijk.
hatasu果す
(果たす) t.w. vervullen; volvoeren; volbrengen.
wataru渡る
t.w. (1) [越えて行く] overtrekken; oversteken. i.w. (2) [渡來する] ingevoerd worden. t.w. (3) [及ぶ] bereiken; i.w. zich uitstrekken. i.w. (4) [繼續] duren. (5) [通ずる] goed op de hoogte zijn van; zich thuisvoelen in. (6) [暮す] leven; t.w. doorbrengen. t.w. (7) [を] oversteken; doorwaden. ¶ 他人渡る in andere handen overgaan. ¶ 二時間に亙る twee uur duren. ¶ 河を渡る rivier oversteken. ¶ 支那から渡った品 een artikel, dat uit China komt.
eru得る
t.w. (1) [獲得] krijgen; verkrijgen; i.w. slagen. (2) [可能] i.w. kunnen; in staat zijn. ¶ 得らるべき verkrijgbaar. ¶ の信用を得る iemand’s vertrouwen winnen. ¶ 利益を得る voordeel hebben van. ¶ 日沒辛うじてことを得たり wij slaagden erin nog juist voor donker de plaats te bereiken.
iroke色氣
(色気) zn. (1) [色彩] kleur v. (2) [情慾] geslachtsdrift v.; zinnelijkheid v. ¶ 色氣ある verliefd; geil; heet. ¶ 色氣なき onnoozel. ¶ 色氣のないひとぢゃありませんか wat een dooje diender. ¶ 色氣附く den manbaren leeftijd bereikt hebben. ¶ 色氣拔きの宴會 feestmaal zonder geisha’s.
kokorozashi
zn. (1) [意向] wil m.; meening v. (2) [意圖] bedoeling v. (3) [目的] doel o. (4) [親切] welwillendheid v.; vriendelijkheid v. (5) [贈物] geschenk o. ¶ 志を達する zijn doel bereiken; zijn wensch vervuld zien. ¶ 志を抱く een doel hebben. ¶ お志だけ澤山です ik neem gaarne den wil voor de daad.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <bereiken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
上る noboru (1) opgaan; omhooggaan; stijgen; klimmen; opstijgen; [i.h.b.] stroomopwaarts gaan; [i.h.b.] opvaren; [ten hemel enz.] varen; [de troon] bestijgen; [de troon] beklimmen; opklimmen (tot); omhoogkomen [in de maatschappij]; [de trap enz.] oplopen; [de ladder enz.] opgaan; opstappen; (2) richting centrum gaan; [i.h.b.] naar de hoofdstad trekken; [i.h.b.] naar Tokio opkomen; (3) belopen; bedragen; oplopen (tot); bereiken; (4) [ter sprake, ter tafel, aan de orde enz.] komen
出る deru (1) naar buiten gaan; naar buiten komen; zich vertonen; uitbreken; uitgaan; uitkomen; verlaten; vandaan gaan (bij); vertrekken; [m.b.t. boot] afvaren; [i.h.b.] afstuderen (aan); [i.h.b.] aftrek vinden; weggaan; (2) verschijnen; opkomen; voor de dag komen; opduiken; te voorschijn komen; zich voordoen; rijzen; voorkomen; [aan de telefoon enz.] komen; [m.b.t. zon] opgaan; rijzen; doorkomen; [m.b.t. bloemknoppen enz.] uitkomen; uitlopen; [i.h.b.] ontdekt worden; [m.b.t. geesten, spoken] waren; (3) uitsteken; naar buiten steken; opsteken; uitspringen; oprijzen; (4) bijwonen; aanwezig zijn bij; gaan naar; deelnemen aan; meedoen aan; [voor het gerecht enz.] verschijnen; in [zaken; het bedrijfsleven; de politiek enz.] gaan; (5) [m.b.t. wegen] leiden naar; voeren naar; uitkomen op; tegenkomen; bereiken; aantreffen; vinden; stuiten op; (6) te buiten gaan; overschrijden; gaan over; passeren; (7) ontspruiten (aan); komen uit; voortkomen (uit); voortspringen uit; ontstaan uit; beginnen; ontspringen; ontsnappen; [fig.] opwellen; [lit.t.] ontwellen; zijn oorsprong ontlenen aan; zijn oorsprong vinden in; teruggaan op; afstammen van; afkomen van; stammen uit; voortspruiten uit; (8) verschijnen; uitkomen; uitgegeven worden; gepubliceerd worden; [i.h.b. de pers enz.] halen; (9) krijgen; verkrijgen; [arch.] bekomen; [m.b.t. gerecht] opgediend worden; geserveerd worden; [m.b.t. bedrag, premie] uitgekeerd worden; (10) 10. toenemen; rijzen; [m.b.t. wind] opsteken; aanwakkeren; [m.b.t. snelheid] optrekken; (11) 11. zich … gedragen; een … houding nemen; (12) 12. [m.b.t. thee] trekken
通じる tsuujiru (1) aanleggen; erdoor voeren; erdoor leiden; [stroom enz.] zetten op; (2) verraden aan; doorspelen aan; uitbrengen aan; laten weten; ; (1) leiden naar; uitkomen op; voeren naar; gaan naar; in verbinding staan met; lopen naar; doorlopen tot; [m.b.t. transportmiddel] rijden naar; [m.b.t. elektriciteit] stromen; [m.b.t. lift] passeren langs; (2) doordringen (tot); [m.b.t. telefonie] aansluiting; contact; verbinding krijgen met; bereiken; begrepen worden (door); [i.h.b.] geapprecieerd worden; geaccepteerd worden; (3) vertrouwd zijn met; goed op de hoogte zijn van; goed ingelicht zijn over; goed ingevoerd zijn in; goed thuis zijn in; geverseerd zijn in; doorkneed zijn in; bedreven zijn in; goed onderlegd zijn in; bekend zijn met; wegwijs zijn in; (4) in geheime verstandhouding staan met; heimelijk heulen met; konkelen met; samenspannen met; geheime contacten hebben met; in het geheim een (liefdes)verhouding; affaire hebben met
通ずる tsuuzuru (1) [natuurk.] doorlaten; geleiden; [電流を] onder stroom zetten; (2) duidelijk maken; bekendmaken; kenbaar maken; informeren; inlichten; doorgeven; op de hoogte brengen; kennis geven van; communiceren; overbrengen; [敵に] verraden; (3) [一年を] zich uitstrekken over; beslaan; bestrijken; omvatten; innemen; in beslag nemen; belopen; (4) [情けを] vreemdgaan; overspel plegen; [veroud.] achteruitslaan; (5) 10. inzenden; insturen; indienen; bezorgen; [名前; 名刺を] geven; (6) 11. [ラジオを] als medium gebruiken; ; (1) lopen; passeren; heen en weer gaan; voeren naar; leiden naar; uitgeven op; uitkomen op; toegang geven; verlenen tot; in verbinding staan met; communiceren; verbinden; aansluiten op; [電話が] verbinding; contact krijgen met; bereiken; (2) overkomen; begrepen worden; verstaan worden; duidelijk zijn; [言語が] gesproken worden; (3) bedreven zijn in; ervaren zijn in; geverseerd zijn in; vertrouwd zijn met; goed op de hoogte zijn van; goed ingelicht zijn over; thuis zijn in; z'n weetje weten van; bekend zijn met; goed kennen; veel afweten van; beheersen; (4) intieme omgang hebben; een affaire hebben met; in het geheim een liefdesverhouding hebben met; vreemdgaan; overspel plegen; [Barg.] eisjedies gaan; (5) [敵に] in verbinding staan met de vijand; onder een hoedje spelen; samenzweren; collaboreren; samenspannen; handjeklap doen; spelen; handjeklappen; gemene zaak maken; heulen met
着く tsuku (1) arriveren; aankomen (in); [zijn bestemming enz.] bereiken; [scheepv.] binnenlopen; aanlanden; [m.b.t. trein] binnenkomen; (2) [席に] plaatsnemen; (op z'n plaats) gaan zitten; z'n plaats innemen; (3) [食卓に] zich aan tafel zetten; aanschikken; aan tafel gaan; aan de tafel gaan zitten; [Belg.N.] z'n benen onder tafel steken; (4) raken; aanraken; komen tegen
伝わる tsutawaru (1) overgeleverd worden; overgedragen worden; overgaan; vererven aan; overerven; [i.h.b.] versterven; (2) overgaan; overkomen; zich verplaatsen; [m.b.t. natuurverschijnselen] zich voortplanten; [m.b.t. spanning, stemming enz.] overslaan; zich overzetten (op); (3) zich verspreiden; zich verbreiden; alom bekend worden; ruchtbaar worden; over komen; [i.h.b.] bereiken; (4) ingang vinden; zich verspreiden
迎える mukaeru (1) tegemoet gaan; tegengaan; verwelkomen; ontvangen; onthalen; begroeten; inhalen; (2) [嫁に] tot vrouw nemen; tot vrouw maken; [養子に] aannemen; [国王に] inhalen; (3) bereiken; komen tot; voor ogen hebben; [新時代を] ingaan; (4) laten komen; roepen; halen; ontbieden; uitnodigen
至る itaru (1) gaan naar; zich begeven naar; tijgen naar; (2) aankomen; arriveren; bereiken; (3) [m.b.t. een weg] leiden naar; (4) leiden tot; resulteren in; als gevolg hebben; worden
来る kuru (1) komen; verschijnen; opdagen; naderen; niet achterwege blijven; (2) aankomen; arriveren; (zijn bestemming) bereiken; (3) bezoeken; een visite brengen; op bezoek gaan bij; te gast zijn bij; (4) aanbreken; beginnen; voor de deur staan; (5) worden; in een bepaalde toestand raken; in een bepaalde hoedanigheid raken; (6) (een houding) aannemen; (7) invoeren; introduceren; in gebruik laten komen; in zwang brengen; (8) zijn oorzaak vinden in; toe te schrijven zijn aan; te wijten zijn aan; veroorzaakt zijn door; (9) ontsproten zijn uit
成る naru (1) worden; raken; geraken; [i.h.b.] worden van; [i.h.b.] terechtkomen van; [i.h.b.] gebeuren met; [i.h.b.] aflopen met; (2) worden; beginnen te; [het warm enz.] krijgen; (3) [m.b.t. hoogte, lengte, gewicht enz.] worden; bedragen; uitmaken; komen op; bereiken; neerkomen op; (4) worden; veranderen (in); overgaan (in); [m.b.t. positie, status, toestand enz.] bereiken; uitlopen op; zich ontwikkelen tot; (5) verwezenlijkt worden; volbracht worden; voltooid worden; bereikt worden; (ten slotte ~) blijken; uitlopen op; (6) bestaan uit; omvatten; samengesteld zijn uit; opgebouwd zijn uit; [x leden enz.] tellen; [deel enz.] uitmaken; vormen; (7) kunnen; mogen [vaak i.c.m. ontkenning of retorische vraag]; (8) dienen als; [de rol van ~] vertolken; (9) promoveren (tot) [m.b.t. shōgipion]; ; 10. zich verwaardigen te ~ [Tangconstructie waarbij tussen het beleefdheidsprefix (o お of go ご) en de combinatie ni naru になる een dōshi in de ren'yōkei of een deverbatief meishi staat. Drukt respect voor het onderwerp van het gezegde uit.]
為る naru (1) worden; raken; geraken; [i.h.b.] worden van; [i.h.b.] terechtkomen van; [i.h.b.] gebeuren met; [i.h.b.] aflopen met; (2) worden; beginnen te; [het warm enz.] krijgen; (3) [m.b.t. hoogte, lengte, gewicht enz.] worden; bedragen; uitmaken; komen op; bereiken; neerkomen op; (4) worden; veranderen (in); overgaan (in); [m.b.t. positie, status, toestand enz.] bereiken; uitlopen op; zich ontwikkelen tot; ; zich verwaardigen te ~ [tangconstructie waarbij tussen het beleefdheidsprefix (o お of go ご) en de combinatie ni naru になる een dōshi in de ren'yōkei of een deverbatief meishi staat. Drukt respect voor het onderwerp van het gezegde uit.]
満つ mitsu bereiken; halen; voldoen; beantwoorden
届く todoku (1) bereiken; aankomen; arriveren; terechtkomen; (2) bereiken; komen bij; halen; reiken tot; dragen tot; zich uitstrekken tot; raken; geraken tot; (3) overkomen; aanslaan; overslaan; gehoor vinden; raken; roeren; treffen; (4) (tot in de puntjes) zijn weg vinden tot
到達する toutatsusuru bereiken; komen bij; tot; aankomen bij; halen
到着する touchakusuru aankomen; arriveren; aanlanden; bereiken; komen tot; [m.b.t. schepen, treinen] binnenkomen
遂げる togeru volbrengen; uitvoeren; tot stand brengen; tot een goed einde brengen; voltooien; volvoeren; vervullen; realiseren; verwezenlijken; [目的を] bereiken; [進歩を] boeken; [死を] vinden
達成する tasseisuru bereiken; vervullen; waarmaken; realiseren; halen
達する tassuru (1) [i.c.m. 望み, 目的 enz.] realiseren; waarmaken; verwezenlijken; (2) [i.c.m. 命令を] uitvaardigen; [i.c.m. 知らせ] doen toekomen; ; (1) bereiken; geraken tot; reiken tot; komen tot; het brengen tot; aankomen in; halen; verwerven; (2) oplopen tot; neerkomen op
極める kiwameru (1) [山頂を] bereiken; (2) tot het uiterste drijven; doordrijven; zo ver mogelijk doorzetten; doorvoeren; tot het uiterste gaan met; tot het uiterste brengen; ten uiterste voeren
果たす hatasu (1) doen; uitvoeren; ondernemen; verrichten; ten uitvoer brengen; leggen; bewerkstelligen; (2) vervullen; volbrengen; voltooien; volvoeren; voldoen; zich kwijten van; tot stand brengen; bereiken; verwezenlijken; realiseren; tot een goed einde brengen; waar maken; voor elkaar krijgen; (3) een dankbedevaart ondernemen; (4) afmaken; doden; (5) geheel ten einde toe + ww.[1]
上げる ageru (1) heffen; opheffen; omhoogheffen; verheffen; oprichten; tillen; optillen; omhoogtillen; omhoogbrengen; liften; verhogen; eleveren; [凧を] oplaten; opsteken; [棚に] leggen op; opleggen; [帆を] hijsen; ophijsen; omhooghijsen; opbrengen; opvissen; [碇を] lichten; hieuwen; [陸に] landen; aan land zetten; [顔を] opkijken; (2) loven; prijzen; roemen; huldigen; ophemelen; hoog opgeven van; (3) opvoeren; doen toenemen; optrekken; opjagen; opdrijven; [温度を] hoger zetten; [スピードを] vergroten; (4) bevorderen; promoveren; (5) overgeven; braken; opgeven; kotsen; vomeren; over z'n nek gaan; [gew.] opbrengen; (6) [客を] binnenlaten; inlaten; brengen; leiden naar; geleiden; (7) [学校へ] op school doen; (8) geven; aanbieden; toedienen; offreren; schenken; voorzetten; [娘を] wegschenken; (9) offeren; ten offer brengen; (10) 10. overhandigen; ter hand stellen; reiken; overreiken; (11) 11. ten einde brengen; afdoen; afwerken; volbrengen; voltooien; (12) 12. klaarspelen; gedaan weten te krijgen; (13) 13. [式を] houden; vieren; celebreren; fêteren; (14) 14. [例を] geven; vermelden; noemen; aanhalen; citeren; aanvoeren; leveren; opnoemen; opsommen; opgeven; opvissen; (15) 15. [子を] krijgen; [母が] het leven schenken; baren; [父が] verwekken; (16) 16. verbeteren; ontwikkelen; ontplooien; (17) 17. [髪を] doen; opmaken; opsteken; kappen; (18) 18. aanhouden; pakken; oppakken; vatten; inrekenen; snappen; in hechtenis nemen; in de kraag grijpen; arresteren; (19) 19. [芸者を] bestellen; laten komen; erbij halen; uitnodigen; ontbieden; engageren; (20) 20. frituren; in kokend vet bakken; braden; [gew.] fritten; (21) 21. [結果を] behalen; bereiken; verkrijgen; verwerven; realiseren
行く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid, schoonzoon, adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst., m.b.t. mannen] schieten; ; 10. blijven ~ [drukt voortduring, voortgang van een handeling of toestand uit]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.37 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'bereiken', strategie: exact). 
2005-2019