日蘭辭典+

8 resultaten voor ‘besprenkelen’
日蘭辭典 (trefwoord)
abiseru浴びせる
t.w. begieten; bestrooien; besprenkelen; baden. ¶ 過失を人に浴びせる de schuld op iemand werpen.
kakeruかける
(掛ける, 懸ける) (1) [吊す] ophangen; hangen. (2) [計量する] wegen. (3) [かけ渡す] bouwen; leggen; slaan. (4) [果す] opleggen; heffen. (5) [心配を] veroorzaken; bezorgen. (6) [, 時間を] besteden. (7) [錠を] sluiten. (8) [乘ずる] vermenigvuldigen. (9) [注ぎかける] besprenkelen. i.w. (10) [腰を] gaan zitten. t.w. (11) [を放す] in brand steken. (12) [掛を] afbetalen. (13) [交尾さす] laten paren. (14) [著せる] aankleeden; bekleeden met. (15) [上へ廣げる] overdekken met; overspreiden. (16) [鑑定に] onderwerpen aan. ¶ 電話線をかける telefoon aanleggen. ¶ 刷毛をかける afborstelen. ¶ かける vier met drie vermenigvuldigen. ¶ 電報をかける telegram zenden; telegrafeeren. ¶ 電話を掛ける telefoneeren; opbellen. ¶ 醫者かける dokter consulteeren. ¶ 氣に掛ける ter harte nemen. ¶ 問を掛ける vraag richten tot. ¶ 思を掛ける verliefd worden op. ¶ 讀み掛ける beginnen te lezen. ¶ に掛ける op het vuur zetten.
SUPPLEMENT (trefwoord)
kiiro黄色
zn. geel ¶_市販のバナナはきれいな黄色をしているが、それはもともと 緑だったバナナに化学薬品を撒いた上で、果実を熟成させたものである De bananen die verkocht werden waren mooi geel, maar het het ging om [producten] die gerijpt waren door de oorspronkelijk groene bananen te besprenkelen met een chemisch middel. ¶ 何日か経過するとバナナは黄色になり、柔らかくなる。 Nadat er een aantal dagen was verstreken werden de bananen geel en zacht.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <besprenkelen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
注ぐ sosogu (1) gieten (op; in); begieten (met); uitgieten; uitstorten; overgieten (met); besproeien; besprenkelen; bevloeien (met); irrigeren; [水を] bewateren; [油を] gooien; [涙を] plengen; [涙を] storten; (2) uitschenken; inschenken; (3) [目; 注意を] vestigen (op); concentreren (op); richten (op); schenken (aan); besteden (aan); [fig.] wijden (aan); ; (1) stromen in; uitmonden in; uitstromen in; zich uitstorten in; zich ontlasten in; (2) beregenen; besneeuwen; besproeien
打つ utsu (1) slaan; een slag geven; kloppen; beuken; botsen; [タイプライターを] tikken; typen; aanslaan; (2) [een klok] luiden; [een uurwerk] slaan; (3) roeren; ontroeren; beroeren; indruk maken; raken; (4) [een nagel] indrijven; (5) besprenkelen; besproeien; bewateren; (6) een vlecht maken; vlechten; (7) [een spel] spelen; (8) [land] bebouwen; ploegen; (9) [een zwaard e.d.] smeden; (10) 10. [een net; vangnet] werpen; [een net; vangnet] gooien; (11) 11. [een telegram] sturen
撒く maku (1) strooien; verstrooien; uitstrooien; rondstrooien; [strooibiljetten enz.] uitdelen; verspreiden; (2) [水を] sprenkelen; sprengen; besprenkelen; sproeien; besproeien; begieten; (3) van zich afschudden; zich ontdoen van; kwijtraken; afkomen van; [iem.] ontglippen; op een dwaalspoor brengen; [iem.] het spoor bijster maken [voornamelijk gezegd m.b.t. een ongewenste achtervolger; vervelend gezelschap etc.]
ぱらぱら parapara (1) [聴衆が] verspreid; uiteen liggend; (2) [髪の毛が] los; onsamenhangend; [おからが] verbrokkeld; [ご飯が] niet-kleverig; ; (1) [~と降る] pletsen; spatten; spetten; trippelen; [あられが~と降る] kletteren; [~とふりかける] sprenkelen; besprenkelen; (2) [~とめくる] vluchtig doorbladeren; bladeren door; snel omdraaien; vlug omslaan; [トランプを~と切る] schudden door de twee helften van het kaartspel in elkaar te laten schuiven; (3) verspreid liggend; ver uiteen; [~と咲く] hier en daar
掛ける kakeru (1) ophangen; hangen; behangen; [鉤に] vasthaken; [十字架に] slaan; [審議に] aanhangig maken; (2) zetten tegen; plaatsen tegen; (3) bedekken; afdekken; spreiden over; overspreiden; overdekken; leggen op; [火に] op het vuur zetten; (4) [ケーブルを] leggen; [橋を] aanleggen; slaan; bouwen; installeren; (5) gaan zitten; plaatsnemen; zich neerzetten; (6) besprenkelen; gieten over; uitgieten over; begieten; bestrooien; [火を] in brand steken; [サラダにドレッシングを] aanmaken; (7) [眼鏡を] opzetten; [ショールを] omdoen; bekleden met; aankleden; (8) [ボタンを] dichtdoen; vastmaken; [錠を] sluiten; grendelen; vergrendelen; (9) [電話を] telefoneren; bellen; opbellen; een telefoontje plegen; [電報を] telegraferen; (10) 10. wegen; het gewicht vaststellen; (11) 11. vermenigvuldigen; (12) 12. [望みを] een wens doen; z'n hoop vestigen op; [問いを] richten; [思いを] verliefd worden op; [人に…の疑いを] aankijken op; (13) 13. [税を] opleggen; heffen; [面倒を] berokkenen; veroorzaken; bezorgen; aandoen; [心配を] met bezorgdheid vervullen; bezorgdheid teweegbrengen; zorgwekkend zijn; zorgen baren; verontrusten; troebleren; (14) 14. [機械を] aanzetten; [目覚し時計を] zetten; [ミシンを] met; op de machine naaien; [アイロンを] strijken; [レコード; CDを] opzetten; afdraaien; [時計のねじを] opwinden; (15) 15. [暇; 金を] besteden aan; (16) 16. [賞金を] uitloven; (17) 17. [診療に] onder medische behandeling plaatsen; onderwerpen aan; laten opnemen; [裁判に] voor het gerecht brengen; voor de rechter brengen; voorbrengen; laten voorkomen; consulteren; (18) 18. [雌牛を雄牛に] stieren; naar; onder de stier brengen; laten paren; laten bollen; (19) 19. [心に] denken aan; in acht nemen; in gedachten houden; voor ogen houden; rekening houden met; zich aantrekken; ter harte nemen; indachtig zijn; gedachtig zijn; onthouden
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.4 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 5 treffers (zoekopdracht: 'besprenkelen', strategie: exact). 
2005-2020