日蘭辭典+

19 resultaten voor ‘betalen’
日蘭辭典 (trefwoord)
ate
(宛て) zn. (1) [宛名] adres o. ¶ 宛の geadresseerd aan; aan de order van (小切手の); geconsigneerd aan (貨物). (2) [各々] vmw. elk. ¶ 一人三つ宛やった ik heb er elk drie gegeven. ¶ 一哩一圓宛に拂った ik heb een yen per mijl betaald. (3) [抵當] onderpand o.
harau拂ふ
(払う) t.w. (1) [掃除] wegvegen; wegvagen. (2) [驅逐] verdrijven. (3) [賣拂] verkoopen. (4) [支拂ふ] betalen; voldoen. ¶ 綺麗に拂ふ geheel afbetalen; schuld voldoen. ¶ 注意を拂ふ aandacht schenken. ¶ 燒拂ふ platbranden. ¶ を切り拂ふ takken snoeien.
kanjō勘定
zn. rekening v.; afrekening (決算) v. ¶ 勘定する berekenen; rekening opmaken. ¶ 決算する afrekenen; betalen. ¶ 勘定はいくら hoeveel is het bij elkaar? ¶ 勘定をして下さい mag ik mijn rekening hebben? ¶ 勘定をしませう ik zal wel betalen. ¶ 勘定違ひ misrekening. ¶ 勘定違ひをする zich verrekenen. ¶ 勘定書 rekening. ¶ 勘定saldo.
kakekin掛金
zn. storting v.; afbetaling v. ¶ に五十圓掛金する maandelijks vijftig yen afbetalen.
shishutsu支出
zn. betaling v.; uitbetaling v.; uitgave v. ¶ 支出する betalen; uitgeven. ¶ 支出 uitbetaald bedrag; uitgegeven som.
dasu出す

t.w. (1) [突出] uitstrekken; uitsteken. (2) [取出] uithalen; voor den dag halen. (3) [を] aanwenden; inspannen. (4) [發送] verzenden; sturen. (5) [發行] uitgeven. (6) [食事を] opdienen; serveeren. (7) [解雇] ontslaan. (8) [差出] inzenden. (9) [拂ふ] betalen. (10) [開業] beginnen. (11) [產出] voortbrengen. (12) [口に] zeggen. (13) [供給] aanschaffen. ¶ 出す bladeren krijgen. ¶ 質物を出す pand terughalen. ¶ 狂言をだす comedie opvoeren. ¶ 寄附出す bijdrage schenken. ¶ 國旗を出す nationale vlag uitsteken. ¶ 切符をを出しなさい verzoeke uw kaartjes te vertoonen. ¶ 降り出す beginnen te regenen. ¶ 泣き出す beginnen te huilen.

SUPPLEMENT (trefwoord)
nan to ka何とか
(frase) (1) op de een of andere wijze; op een of andere manier; enigerlei wijze; het een of ander; dit of dat; zus of zo. ¶ なんとかそのテストに受かった。 Nan to ka sono tesuto ni ukatta. Op een of andere manier ben ik geslaagd voor de test. ¶ なんとか日曜日までに家賃を払わないといけない。 Nan to ka nichiyōbi made ni yachin wo harawanai to ikenai. Op een of andere manier moet ik uiterlijk zondag de huur betalen. ¶ はなんとか時間までそこに着いた。 Boku wa nan to ka jikan made ni soko ni tsuita. Op een of andere manier lukte het me om er op tijd te komen. ¶ 彼女はなんとかして世間体をつくろった。 Kanojo wa nan to ka shite sekentei wo tsukurotta. Op een of andere wijze wist ze haar gezicht te bewaren. (2) (in plaats van de naam van iets of iemand) zus of zo; je-weet-wel; nog wat; hoe-heet-hij [zij, het]-ook al weer; ding; dinges. ¶ 田中なんとかというから電話がありました。 Tanaka nan to ka to iu hito kara denwa ga arimashita. Er was een telefoontje van een Tanaka-nog-wat voor je. ¶ 事部長のなんとかさんが捜してたよ。 Jinji buchō no nan to ka-san ga sagashite ta yo. De manager van personeelszaken, hoe heet hij ook al weer, was naar je op zoek. (yamasv) (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <betalen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
持つ motsu (1) (bij zich) hebben; houden; dragen; nemen; (2) bezitten; beschikken over; eigenaar zijn van; in eigendom hebben; toegerust zijn met; (3) koesteren; voelen; toedragen; (4) zich belasten met; verantwoordelijk zijn voor; (5) voor zijn rekening nemen; betalen; [de kosten] dragen; (6) meegaan; duren; bruikbaar blijven; duurzaam zijn; houdbaar zijn; aanhouden; (7) volhouden; [het niet lang meer] trekken; uithouden; (ver)dragen; verduren; velen
納入する nounyuusuru [税を] betalen; [品物を] leveren; afleveren; bestellen; bezorgen; afgeven; voorzien van; verschaffen
済ませる sumaseru (1) afmaken; afwerken; afdoen; afronden; ten einde brengen; beëindigen; een einde maken aan; korte metten maken met; (2) betalen; voldoen; vereffenen; delgen; aflossen; afbetalen; restitueren; amortiseren; aanzuiveren; (3) zich behelpen; het moeten doen; het kunnen stellen; toekunnen; het kunnen rooien; zich redden; rondkomen met; (4) afhandelen; afwikkelen; afdoen; regelen; in orde brengen; maken; voor elkaar brengen; oplossen; zijn beslag geven; [安く~] er goedkoop afkomen
計算する keisansuru (1) berekenen; uitrekenen; becijferen; (2) ramen; schatten; begroten; taxeren; (3) afrekenen; vereffenen; (het verschuldigde bedrag) betalen
弁済する bensaisuru terugbetalen; betalen; aflossen; afbetalen; vereffenen; voldoen; afrekenen; verrekenen; liquideren; kwijten; presteren; delgen
支払う shiharau betalen; neertellen; neerleggen; voldoen; vereffenen; contenteren; [m.b.t. rekening] gladmaken; [m.b.t. rekening] afrekenen; [inform.] dokken; [inform.] offeren; [fig., scherts., inform.] afschuiven; [i.h.b.] afbetalen; [i.h.b., inform.] afdokken; [m.b.t. een wissel] rembourseren; [m.b.t. een schuld] terugbetalen; [m.b.t. een schuld, obligaties] aflossen; [m.b.t. een schuld] honoreren; [m.b.t. een schuld] delgen; [m.b.t. een schuld] kwijten; [m.b.t. een schuld] afdoen; [m.b.t. een schuld] afkomen; [m.b.t. rente] vergoeden; [m.b.t. loon] uitbetalen; uitkeren; [fig.] uittellen; [m.b.t. kosten] dragen; bekostigen; [uitdr.] voor zijn rekening nemen; [uitdr.] over de brug komen; [uitdr.] zijn beurs; portemonnee trekken; [fig.] overkomen; [Barg.] roeren; [Barg.] besjollemen
支給する shikyuusuru uitkeren; voorzien van; verschaffen; leveren; verstrekken; uitbetalen; betalen; toekennen
給与する kyuuyosuru vergoeden; uitkeren; betalen
払う harau (1) verwijderen; wegdoen; opruimen; wegnemen; wegruimen; vrijmaken; ontruimen; (uit de weg) ruimen; weghalen; wegvegen; vegen; wissen; [een telraam] terugzetten op nul; zuiveren (van); [tranen enz.] afvegen; ontdoen van; [tuinb.] dieven; [tuinb.] afsnoeien; afhelpen van; verdrijven; verjagen; [een kwaal enz.] boeten; (2) [een zwaard e.d.] zwaaien; maaien; [i.h.b. iem. de voet] lichten; [een uithaal e.d.] afslaan; (3) betalen; neertellen; neerleggen; delgen; kwijten; contenteren; [een schuld] afdoen; [een schuld] afkomen; [een schuld] honoreren; [inform.] dokken; vereffenen; over de brug komen; overkomen; [m.b.t. rekening] gladmaken; [Barg.] roeren; [Barg.] besjollemen; (4) [eer] betuigen; [eer] bewijzen; [eerbied] betonen; zich [inspanningen] getroosten; zich [moeite] geven; (5) van de hand doen; verkopen; (6) [~に注意を] acht slaan op; aandacht besteden aan; aandacht schenken aan; letten op; opletten; bij de les blijven; achten; acht geven; oppassen
収める osameru (1) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (2) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (3) opdragen aan; toewijden aan; [神社へ] offeren aan; aanbieden; consacreren; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; schikken; slechten; beslechten; afhandelen; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [鳥が羽を] z'n vleugels vouwen; (10) 10. aannemen; accepteren; aanvaarden
納める osameru (1) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (2) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (3) opdragen aan; toewijden aan; offeren aan [een godheid]; aanbieden [aan een godheid]; consacreren; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [m.b.t. een vogel] zijn veren vouwen; (10) 10. aannemen; accepteren; aanvaarden
入金する nyuukinsuru (1) geld ontvangen; (2) (gedeeltelijk) betalen; afbetalen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.47 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 12 treffers (zoekopdracht: 'betalen', strategie: exact). 
2005-2019