日蘭辭典+

19 resultaten voor ‘bezitten’
日蘭辭典 (trefwoord)
aru有る
(在る) i.w. (1) [存在] zijn; bestaan; voorkomen. (2) [所在] zijn; liggen; gelegen zijn. (3) [發生] gebeuren; plaats grijpen; plaats vinden; geschieden. (4) [機會が] zich voordoen. (5) [所有] t.w. hebben; bezitten. (6) [容量] meten; wegen; bevatten. ¶ 其の家は今ありますか bestaat dat huis nog? is dat huis er nog? ¶ 日本は支那の東に在り Japan ligt ten oosten van China. ¶ 此家には庭がある dit huis heeft een tuin. ¶ は金がない ik heb geen geld. ¶ 長さ三尺ある het meet drie voet; het is drie voet lang. ¶ 此處に激戰があった hier had een hevige veldslag plaats. ¶ 機會があれば als de gelegenheid zich voordoet.
hana
zn. (1) [植物の] bloem v.; bloesem v. (2) [骨牌] speelkaarten v.mv. (3) [儀] fooi v.; gratificatie v. (4) [精華] bloem v.; de trots v.; de keur v. ¶ が咲く bloeien; bloesems dragen. ¶ を摘む bloemen plukken. ¶ を手折る bloem afplukken; een vrouw bezitten (女を). ¶ 引く kaart spelen. ¶ 軍隊中の keur der troepen. ¶ 國民の de bloem van de natie. ¶ を咲かす furore maken; opgang maken. ¶ 言はぬが het is beter er niet over te spreken. ¶ ある言葉 bloemrijke taal.
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:The Tanaka Corpus露わに
間近から見ると、ものごとはその欠点や本来備わる醜さを露わにする傾向がある。
Van dichtbij bezien hebben dingen de neiging om hun tekortkomingen en de inherente
lelijkheid die ze bezitten en al te openbaren.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <bezitten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
享有するkyouyuusuru genieten; hebben; bezitten; beschikken over; [jur.] het genot hebben van
保有するhoyuusuru bezitten; in bezit hebben; houden; behouden
備えるsonaeru (1) (zich) gereedmaken (voor); (zich) voorbereiden op; (zich) prepareren (voor); zich opmaken voor; (zich) schrap zetten; [form.] zich aangorden; voorbereidingen treffen (voor); toebereidselen maken (om); [veroud.] zich bereiden (tot); [i.h.b.] maatregelen nemen tegen; voorzorgsmaatregelen treffen (tegen); (2) voorzien (van); uitrusten (met); equiperen (met); outilleren (met); toerusten (met); [i.h.b.] installeren; [fig.] wapenen; (3) zich eigen maken; in het bezit zijn (van); hebben; bezitten; begiftigd zijn (met)
備わる ; 具わるsonawaru (1) uitgerust zijn met; ingericht zijn met; geoutilleerd zijn met; toegerust zijn met; voorzien zijn van; geëquipeerd zijn met; (2) bezitten; begaafd zijn met; begiftigd zijn met; bedeeld zijn met; gezegend zijn met
具えるsonaeru (1) (zich) gereedmaken (voor); (zich) voorbereiden op; (zich) prepareren (voor); zich opmaken voor; (zich) schrap zetten; voorbereidingen treffen (voor); toebereidselen maken (om); [veroud.] zich bereiden (tot); [i.h.b.] (voorzorgs)maatregelen nemen; treffen (tegen); (2) voorzien (van); uitrusten (met); equiperen (met); outilleren (met); toerusten (met); [i.h.b.] installeren; [fig.] wapenen; (3) zich eigen maken; [ている] in het bezit zijn (van); [ている] hebben; [ている] bezitten; [ている] begiftigd zijn (met)
ken (1) zowel als; tevens; en gelijktijdig; tegelijkertijd; (a) gelijktijdig uitoefenen; bezitten; cumuleren; (b) vooraf; van tevoren
御座しますowashimasu (1) [honoratieve variant van aru en iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (2) [honoratieve variant van aru] hebben; bezitten; beschikken over; disponeren over; (3) [honoratieve variant van iku] gaan; vertrekken; zich begeven; (4) [honoratieve variant van kuru] komen; arriveren; (5) [honoratieve variant van …てある en …ている
御座すowasu (1) [honoratieve variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (2) [honoratieve variant van aru] hebben; bezitten; beschikken over; disponeren over; (3) [honoratieve variant van iku] gaan; vertrekken; zich begeven; (4) [honoratieve variant van kuru] komen; arriveren; (5) […~] [honoratieve variant van dearu]; (6) […~] [honoratieve variant van aru (continuïteit) of van iku; kuru (verloop; overgang)]
所持するshyojisuru bezitten; in bezit hebben; bij zich hebben; hebben; dragen; meedragen
所有するshyoyuusuru hebben; bezitten; in bezit hebben; in bezit zijn van; beschikken over; houden; in handen hebben; in eigendom hebben; eigenaar zijn van
持つmotsu (1) (bij zich) hebben; houden; dragen; nemen; (2) bezitten; beschikken over; eigenaar zijn van; in eigendom hebben; toegerust zijn met; (3) koesteren; voelen; toedragen; (4) zich belasten met; verantwoordelijk zijn voor; (5) voor zijn rekening nemen; betalen; [de kosten] dragen; (6) meegaan; duren; bruikbaar blijven; duurzaam zijn; houdbaar zijn; aanhouden; (7) volhouden; [het niet lang meer] trekken; uithouden; (ver)dragen; verduren; velen
擁するyousuru (1) in de armen houden; sluiten; omarmen; omhelzen; omvatten; (2) hebben; bezitten; beschikken over; in het bezit zijn van; (3) onder zich hebben; in dienst hebben; aanvoeren; leiding geven aan; (4) als leider aanstellen; erkennen; steunen; (5) omgeven; omringen
有するyuusuru hebben; beschikken over; in bezit hebben; bezitten; bevatten
yuu (1) bezit; (2) bestaan; existentie; (3) [volgend op getal] en nog eens; en daarenboven; (a) zijn; bestaan; (b) hebben; bezitten; (c) daarenboven; en meer; (d) [gebruikt als stopwoord of om het ritme te volmaken]
領有するryouyuusuru bezitten; in bezit hebben; possideren; possederen
ryou (1) [ritsuryō] districthoofd; (2) grondgebied; staatsgebied; territorium; territoir; gebied; bezitting; domein; (3) [maatwoord voor harnassen; kostuums e.d.]; (a) nek; kraag; (b) essentieel deel; (c) gebieden over; bezitten; (d) toezicht; [i.h.b.] chef; (e) ontvangen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.53 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'bezitten', strategie: exact). 
2005-2022