日蘭辭典+

23 resultaten voor ‘bezoeken’
日蘭辭典 (trefwoord)
au逢ふ
(逢う、会う、遇う、遭う) i.w. (1) [出合] ontmoeten. (2) [邂逅] tegenkomen. (3) [面會] zich onderhouden met. (4) [經驗に] ondergaan; ondervinden; ervaren; lijden. ¶ 酷い目に遭う slecht behandeld worden; leed ondervinden. ¶ 難船に遭う schipbreuk lijden. ¶ 逢ひに行く tegemoet gaan; bezoeken. ¶ 二つの川が此處で會う twee rivieren komen hier samen. ¶ 彼に遭ったことがない ik heb hem nog nooit ontmoet.
kayou通ふ
i.w. heen en weer gaan; verbinding onderhouden; t.w. geregeld bezoeken.¶ 學校に通ふ school bezoeken. ¶ 此針金は電氣が通って居る deze draad is geladen met een electrische stroom. ¶ 斯船は上海長崎間を通ふ dit schip onderhoudt den dienst tusschen Shanghai en Nagasaki. ¶ 血も息も通って居るが正氣を失って居る hij ademt nog wel en zijn hart klopt nog wel maar hij is buiten bewustzijn.
kenbutsu見物
zn. bezichtiging v. ¶ 見物する bezichtigen; gaan kijken naar. ¶ 芝居見物する naar de comedie gaan. ¶ 見物bezoeker (芝居等の); toeschouwer.
tera
zn. Boedhistische tempel m. ¶ 小室 particuliere lagere school. ¶ 詣り bezoek aan een tempel.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <bezoeken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
詣でる mouderu (1) z'n opwachting maken bij; op bezoek gaan bij; een bezoek brengen; afleggen; bezoeken; (2) [rel.] te kerk gaan; ter kerke gaan; zich tempelwaarts begeven; kerken; tempelen; op bedevaart gaan; [gew.] beewegen
来場する raijousuru aanwezig zijn; present zijn; bijwonen; bezoeken
出入りする deirisuru (1) naar binnen en buiten gaan; in- en uitgaan; komen en gaan; over de vloer komen; (2) frequenteren; vaak (als klant) bezoeken
伺う ukagau (1) [een persoon] bezoeken; een bezoek brengen; [een plaats; huis] aandoen; (2) vragen naar; informeren omtrent; inlichtingen inwinnen omtrent; (3) horen; te horen krijgen; vernemen; kennis nemen van
来る kuru (1) komen; verschijnen; opdagen; naderen; niet achterwege blijven; (2) aankomen; arriveren; (zijn bestemming) bereiken; (3) bezoeken; een visite brengen; op bezoek gaan bij; te gast zijn bij; (4) aanbreken; beginnen; voor de deur staan; (5) worden; in een bepaalde toestand raken; in een bepaalde hoedanigheid raken; (6) (een houding) aannemen; (7) invoeren; introduceren; in gebruik laten komen; in zwang brengen; (8) zijn oorzaak vinden in; toe te schrijven zijn aan; te wijten zijn aan; veroorzaakt zijn door; (9) ontsproten zijn uit
見物する kenbutsusuru bezichtigen; gaan kijken naar; bezoeken; bezoeken als toerist; rondreizen in; een vakantiereis maken in; een uitstap doen naar; de tour doen van
訪問する houmonsuru bezoeken; iemand opzoeken; iemand een bezoek brengen; een bezoek afleggen; bij iemand langsgaan; bij iemand langskomen; op bezoek gaan; op bezoek komen; [form.] zijn opwachting maken bij; [journ.] interviewen
邪魔する jamasuru (1) storen; voor de voeten lopen; in de weg lopen; staan; [form.] impediëren; belemmeren; hinderen; [moeilijkheden] in de weg leggen; dwarsbomen; doorkruisen; tegenwerken; dwarszitten; iem. de voet dwars zetten; in iems. vaarwater komen; obstrueren; verstoren; ophouden; lastig vallen; bemoeilijken; beslag leggen op; [m.b.t. gesprek] onderbreken; in de rede vallen; interrumperen; (2) bezoek brengen; bezoeken; een bezoek afleggen; op bezoek; visite komen; op bezoek; visite gaan; opzoeken; langsgaan bij; langskomen; langslopen bij
出席する shussekisuru aanwezig zijn; present zijn; tegenwoordig zijn; verschijnen; bijwonen; bezoeken; [pregn.] gaan; komen naar; zich vertonen; opdagen
見舞う mimau (1) bezoeken [om te troosten]; er zijn medeleven gaan betuigen; (2) bezoeken; berokkenen; aandoen; [een klap e.d.] verkopen
立ち出づ tachiizu (1) vertrekken; weggaan; opstappen; eropuit gaan; trekken; naar buiten komen; (2) langskomen; bezoeken; aankomen; arriveren; (3) zich mengen in; zich bemoeien met; (4) verschijnen; voor de dag komen; opduiken; zich vertonen; tevoorschijn komen; komen opdagen
訪ねる tazuneru (1) bezoeken; een bezoek brengen; afleggen (aan); op bezoek; visite gaan (bij); op bezoek; visite komen (bij); langs gaan (bij); langs komen (bij); langslopen; aangaan (bij); aankomen (bij); aanwippen (bij); binnenwippen (bij); (komen) opzoeken; (2) bezoeken; bezichtigen
参上する sanjousuru bezoeken; komen opzoeken; op bezoek komen; langskomen
列席する ressekisuru aanwezig zijn; present zijn; tegenwoordig zijn; verschijnen; bijwonen; bezoeken; [pregn.] gaan; komen naar; zich vertonen; opdagen
面会する menkaisuru (1) ontmoeten; bezoeken; te zien krijgen; (2) een onderhoud hebben
往復する oufukusuru (1) heen- en teruggaan; komen en gaan; (2) corresponderen; een correspondentie voeren (met elkaar); een briefwisseling onderhouden (met elkaar); brieven schrijven (naar elkaar); (3) contact hebben (met elkaar); contact onderhouden (met elkaar); omgang hebben (met elkaar); (elkaar) bezoeken
顔出しする kaodashisuru (1) z'n gezicht tonen; laten zien; acte de présence geven; [i.h.b.] bezoeken; even aanlopen; bijwonen; (2) verschijnen; zich vertonen; zich manifesteren; zich verraden
上がる agaru 26. [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; ; (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙; 花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂から] uit bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価; 血圧; 気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) 10. [成績; 腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) 11. [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) 12. [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) 13. [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) 14. teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) 15. [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) 16. [双六; トランプ; マージャンで] winnen; uit zijn; (17) 17. [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈; 月経; つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [バッテリーが] het laten afweten; leeglopen; (18) 18. [魚; 貝; 虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) 19. [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) 20. [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) 21. [領地; 役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) 22. [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) 23. [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) 24. [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) 25. [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; ; (1) 27. […~] klaar-; af-; gereed-; (2) 28. […~] hevig …; intens …; compleet …; (3) 29. […~] [krachtterm]
行く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid, schoonzoon, adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst., m.b.t. mannen] schieten; ; 10. blijven ~ [drukt voortduring, voortgang van een handeling of toestand uit]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.39 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 19 treffers (zoekopdracht: 'bezoeken', strategie: exact). 
2005-2019