日蘭辭典+

22 resultaten voor ‘breken’
日蘭辭典 (trefwoord)
atama
zn. (1) [頭] hoofd o.; kop m. (2) [頭腦] hersens m. (3) [頭初] begin o. (4) [首領] hoofd o.; aanvoerder m. ¶ 頭の天邊から足の爪迄 van top teen. ¶ 頭をはねる commissie nemen op loon, dat men uitbetaalt. ¶ 頭を痛める zich het hoofd breken; zich ongerust maken. ¶ 頭を刈って貰ふ zijn haar laten knippen. ¶ 頭を上げる het hoofd buigen. ¶ 頭がある verstandig. ¶ 頭なき onverstandig; dom; zinneloos.
attō壓倒
(圧倒) zn. overmeestering v. ¶ 壓倒する overmeesteren; overweldigen; overheerschen; overschaduwen. ¶ 反對者を壓倒する oppositie breken;
yaburu破る
t.w. (1) [裂く] scheuren. (2) [破壞] breken. i.w. (3) [犯す] zich vergrijpen tegen; t.w. breken. t.w. (4) [負かす] verslaan. (5) [計畫を] beletten; verhinderen. (6) [産を] verkwisten. ¶ 破り難き onbreekbaar; onoverwinnelijk. ¶ 約束を破る belofte schenden. ¶ 手紙を破る brief verscheuren.
hazu
(はず) zn. noodzakelijkheid v.; wenschelijkheid v.; verplichting v. ¶ 行く筈だ ik dien wel te gaan; ik behoor te gaan. ¶ 知らぬ筈はない hij behoort het te weten. ¶ が晚餐に來る筈だ ik krijg mijn moeder te eten; mijn moeder komt vanavond eten. ¶ ひとりでにこはれる筈はない het kan niet vanzelf gebroken zijn.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <breken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
屈折する kussetsusuru (1) buigen; krommen; een bocht maken; (2) [natuurk.] breken; (3) [taalk.] verbogen worden; flecteren; flexie hebben; verbuiging kennen
挫く kujiku (1) breken; scheuren; verstuiken; (2) temperen; doen bekoelen; z'n kracht ontnemen; de kop indrukken; fnuiken; drukken; een domper zetten op; dwarsbomen
砕ける kudakeru (1) breken; kapotgaan; uit elkaar vallen; instorten; afbrokkelen; (2) ontwricht raken; gedemoraliseerd raken; moedeloos raken; ontmoedigd raken; de moed verliezen; (3) informeel worden; familiair worden; inschikkelijk worden; beminnelijk worden; minzaam worden
砕く kudaku (1) breken; stukslaan; verbrijzelen; al slaande stukmaken; kapot slaan; in scherven gooien; stukgooien; (2) fijnmalen; stukmalen; tot poeder malen; verpulveren; (3) z'n hersenen pijnigen; zich uitsloven; (4) eenvoudig uitleggen; helder uitleggen
撃破する gekihasuru [敵を] verslaan; overwinnen; kloppen; een nederlaag toebrengen; verpletteren; vernietigen; in de pan hakken; kapotmaken; breken
圧し折る heshioru breken; afbreken
割る waru (1) breken; doorsnijden; hakken; splijten; [hout] kloven; splitsen; klieven; rijten; [m.b.t. noten] kraken; [m.b.t. ertsen] versplinteren; (2) verdelen; portioneren; uitdelen; (3) tussenbeide komen; (4) [rekenk.] delen; (5) aanlengen; verdunnen; dilueren; versnijden; (6) [z'n hart] ontsluiten; (7) lager uitkomen dan; zakken onder; (8) overschrijden
割れる; 破れる wareru (1) breken; splijten; scheuren; knappen; (2) uiteenvallen; uiteengaan; zich splitsen; scheiden; (3) aan het licht komen; zich openbaren; uitkomen; (4) deelbaar zijn
故障する koshousuru defect raken; breken; [Belg.N.] in panne vallen; kapotgaan; stukgaan; het begeven
壊す kowasu (1) breken; afbreken; vernietigen; slopen; kapotmaken; stukmaken; kapotslaan; (2) beschadigen; schade toebrengen aan; schaden; (3) uit elkaar halen; uit elkaar nemen; demonteren; ontmantelen; opbreken; afbreken; neerhalen; (4) in de war sturen; in het honderd doen lopen; verknoeien; verpesten; verprutsen; bederven; onbruikbaar maken
壊れる kowareru (1) breken; gebroken raken; stukgaan; kapotgaan; het begeven; afgebroken worden; vernield worden; gesloopt worden; (2) beschadigd raken; schade oplopen; beschadigd worden; in panne vallen; motorpech oplopen; defect raken; niet meer behoorlijk functioneren; (3) in het honderd lopen; fout aflopen; verkeerd aflopen; op een sisser eindigen
断つ tatsu (1) breken; snijden; afsnijden; afbreken; afhakken; doorsnijden; doorhakken; (2) staken; uitscheiden met; stoppen met; ophouden met; laten; niet langer doen; opgeven; [悪習; 麻薬を] afkicken; (3) [電流を] uitschakelen; uitdraaien; afzetten; [接続を] afkoppelen
違える chigaeru (1) veranderen; wijzigen; (2) zich vergissen in; [Belg.N.] zich vergissen van; verkeerd kiezen; (3) [筋を] verstuiken; verrekken; (4) [約束を] breken; verbreken
縮める chidhimeru verkorten; inkorten; afkorten; korter maken; bekorten; [i.c.m. 記録を] scherper stellen; breken; [i.c.m. 刑期を] verminderen; [i.c.m. 距離を] verkleinen; [i.c.m. サイズを] reduceren; [m.b.t. kledingstuk] inleggen; opkorten; [fig.] condenseren; [fig.] beknotten; [i.c.m. 首を; 足を] intrekken
傷を付ける kizuwotsukeru (1) grieven; kwetsen; krenken; vexeren; wonden; afbreuk doen aan; (2) [娘に] ontmaagden; defloreren; [Sur.N.] breken
破る yaburu (1) scheuren; stuktrekken; stukscheuren; doorscheuren; verscheuren; rijten; (2) breken; stukmaken; vernielen; afbreken; [een deur] inbeuken; forceren; openbreken; inslaan; [een ruit] intikken; stukslaan; verbrijzelen; [een muur] doorslaan; uitbreken; (3) [openbare orde] verstoren; [iemands droom] aan scherven slaan; [de harmonie] verbreken; [de stilte] doorbreken; [een record] verbeteren; breken; (4) [iemands plannen] doorkruisen; dwarsbomen; verijdelen; frustreren; (5) [zijn belofte] schenden; inbreken in [een gebouw]; [een bank] kraken; [een traditie] loslaten; [spelregels] overtreden; inbreuk maken op [iemands rechten]; met voeten treden; zondigen tegen [een gebod]; (6) ontsnappen uit [de gevangenis]; heenbreken door [een barrière]; uitbreken uit; (7) [de vijand] verslaan; overwinnen; [de tegenstander] kloppen; (8) verwonden; wonden; een wond toebrengen aan; kwetsen; blesseren; bezeren; [de huid] openhalen; (9) krenken; grieven; deren; aantasten; ontstemmen
折れる oreru (1) plooien; [i.h.b.] dubbelplooien; (2) breken; afbreken; knappen; [ぽきっと] afknappen; knakken; het begeven; (3) zwenken; afbuigen; afdraaien; afslaan; draaien; een bocht; draai maken; (4) plooien; bijdraaien; tegemoetkomingen doen; toegeven; inbinden; door de bocht gaan; wijken; zwichten; zich gewonnen geven; zich onderwerpen; zich neerleggen; (5) [腰句が] haperen; niet lopen; (6) [Barg.] sterven; doodgaan
折る oru (1) breken; afbreken; plukken; afknappen; (2) vouwen; plooien; (3) omslaan; omvouwen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.45 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 18 treffers (zoekopdracht: 'breken', strategie: exact). 
2005-2020