日蘭辭典+

48 resultaten voor ‘brengen’
日蘭辭典 (trefwoord)
abaku發く
(暴く) t.w. (1) [を] openbreken; schenden. (2) [計略を] blootleggen; aan het licht brengen. (3) [祕密を] verraden; verklappen.
ase
zn. zweet o. ¶ 汗をかく zweeten; transpireeren. ¶ 汗が出る zweeten. ¶ 汗を取って風邪を治す een verkoudheid uitzweeten. ¶ 汗を出す aan het zweeten brengen; zweet drijven;
atoshimatsuosuru後始末をする
t.w. in orde brengen; regelen; opruimen;
jitsu
() zn. (1) [眞實] waarheid v.; werkelijkheid v.; ware toestand m. (2) [誠意] oprechtheid v. (3) [割算] factor m.; getal dat gedeeld kan worden op. ¶ を明かす de waarheid aan het licht brengen. ¶ を盡す oprechtheid toonen; vriendelijkheid bewijzen. ¶ は inderaad; feitelijk. ¶ を言へば om de waarheid te zeggen; ronduit gezegd; openhartig gesproken. ¶ werkelijk; waar; feitelijk. ¶ inderdaad; zeer (甚だ).. ¶ らしい aannemelijk; plausibel.
akarumi明るみ
zn. (1) [公明] licht o. (2) [公開] openbaarheid v. ¶ 明るみに出す aan het licht brengen; openbaar maken; publiek maken. ¶ 明るみに出る aan het licht komen; bekend worden.
yarikomeru遣込める
(遣り込める) t.w. tot zwijgen brengen; den mond snoeren.
madowasu惑はす
(惑わす) t.w. in de war brengen; misleiden; bedriegen.
hazukashime辱め
zn. (1) [恥辱] schande v. (2) [侮辱] beleediging v. ¶ 自ら辱めを招く schande over zichzelf brengen. ¶ 辱めを忍ぶ beleediging dulden.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <brengen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
一報するippousuru informeren; inlichten; verwittigen; op de hoogte stellen; brengen; kennis geven; in kennis stellen; laten weten; berichten
上げるageru (1) heffen; opheffen; omhoogheffen; verheffen; oprichten; tillen; optillen; omhoogtillen; omhoogbrengen; liften; verhogen; eleveren; [凧を] oplaten; opsteken; [棚に] leggen op; opleggen; [帆を] hijsen; ophijsen; omhooghijsen; opbrengen; opvissen; [碇を] lichten; hieuwen; [陸に] landen; aan land zetten; [顔を] opkijken; (2) loven; prijzen; roemen; huldigen; ophemelen; hoog opgeven van; (3) opvoeren; doen toenemen; optrekken; opjagen; opdrijven; [温度を] hoger zetten; [スピードを] vergroten; (4) bevorderen; promoveren; (5) overgeven; braken; opgeven; kotsen; vomeren; over z'n nek gaan; [gew.] opbrengen; (6) [客を] binnenlaten; inlaten; brengen; leiden naar; geleiden; (7) [学校へ] op school doen; (8) geven; aanbieden; toedienen; offreren; schenken; voorzetten; [娘を] wegschenken; (9) offeren; ten offer brengen; (10) overhandigen; ter hand stellen; reiken; overreiken; (11) ten einde brengen; afdoen; afwerken; volbrengen; voltooien; (12) klaarspelen; gedaan weten te krijgen; (13) [式を] houden; vieren; celebreren; fêteren; (14) [例を] geven; vermelden; noemen; aanhalen; citeren; aanvoeren; leveren; opnoemen; opsommen; opgeven; opvissen; (15) [子を] krijgen; [母が] het leven schenken; baren; [父が] verwekken; (16) verbeteren; ontwikkelen; ontplooien; (17) [髪を] doen; opmaken; opsteken; kappen; (18) aanhouden; pakken; oppakken; vatten; inrekenen; snappen; in hechtenis nemen; in de kraag grijpen; arresteren; (19) [芸者を] bestellen; laten komen; erbij halen; uitnodigen; ontbieden; engageren; (20) frituren; in kokend vet bakken; braden; [gew.] fritten; (21) [結果を] behalen; bereiken; verkrijgen; verwerven; realiseren
上演するjouensuru opvoeren; vertonen; voorstellen; uitvoeren; vertolken; spelen; (ten tonele) brengen; presenteren; tonen; een voorstelling geven van; op de planken brengen
乗せる; のせるnoseru (1) [op een vervoermiddel (de bus enz.)] zetten; plaatsen; [van bagage] laden; bevrachten; opladen; [een lifter enz.] oppikken; [iem. op de bus enz.] helpen; [i.h.b.] meevoeren; [passagiers enz.] meenemen; [i.h.b.] een lift geven; aan boord nemen; opnemen; (2) [op tafel enz.] zetten; plaatsen; stellen; leggen; [op de planken enz.] brengen; (3) iem. [door vleierij enz.] voor zich winnen; iem. aan zijn kant krijgen; iem. op zijn hand krijgen; iem. impalmen; iem. inpakken; iem. erin laten lopen; iem. erin laten trappen; iem. overhalen; iem. zover krijgen; (4) iem. [in het werk; complot enz.] betrekken; iem. laten deelnemen aan; iem. laten meedoen; (5) in de maat (laten) zijn met; in harmonie (laten) zijn met; (laten) harmoniëren; (6) [een boodschap enz.] overbrengen [langs telegrafische weg enz.]; transmitteren (via); transporteren (via); overvoeren (per)
仕向けるshimukeru (1) aansporen; aanmoedigen; aandringen; aanzetten; ertoe bewegen; brengen; leiden; nopen; dwingen; (2) sturen; zenden; verzenden; versturen; (3) behandelen; bejegenen
作動させるsadousaseru doen werken; doen draaien; doen lopen; doen functioneren; starten; in beweging zetten; brengen; aan de gang brengen; helpen; in werking brengen; zetten; stellen; activeren; actueren; aandrijven; drijven
取り込むtorikomu (1) inhalen; binnenhalen; naar binnen halen; brengen; inlaten; invoeren; introduceren; (2) overhalen; overreden; voor zich winnen; ompraten; (3) inlijven; innemen; zich toe-eigenen; tot zijn eigendom maken; in bezit nemen; naasten; (4) [comp.] [データを] vastleggen; importeren; (5) op stelten staan; in rep en roer zijn; de handen vol hebben; veel te doen hebben; het druk hebben; [i.h.b.] met gezinsproblemen te kampen hebben; ruzie in het huishouden hebben; 't is rosse maan
将来するshyouraisuru (1) brengen; komen met; meebrengen; aanbrengen; (2) teweegbrengen; veroorzaken; aanrichten; uitlokken; [i.h.b.] zich op de hals halen; [i.h.b.] op zich halen; [i.h.b.] over zich afroepen
shyou (1) legeraanvoerder; aanvoerder; commandant; leider; (2) [mil.] opperofficier; (3) generaal; veldheer; (a) aanvoeren; het commando voeren; legeraanvoerder; (b) brengen; (c) staan te gebeuren; (d) [mil.] generaal
届けるtodokeru (1) zenden; sturen; overbrengen; bezorgen; brengen; bestellen; leveren; afleveren; opsturen; (2) aangeven; ter kennis brengen van; kennis geven van; melden; notificeren; notifiëren; aangifte doen van; bericht geven van; berichten; bekendmaken; rapporteren; aanbrengen; [een adreswijziging enz.] opgeven; [iems. overlijden enz.] aanzeggen; aanzegging doen van
引き下ろすhikiorosu (1) naar beneden trekken; neerhalen; neertrekken; [m.b.t. vlag] strijken; neerhalen; [m.b.t. gestrand schip] vlot trekken; brengen; (2) [m.b.t. hooggeplaatste personen] onderuithalen; wippen; ten val brengen; uit het zadel werpen; lichten; afzetten; verwijderen
引き出す ; 引出すhikidasu (1) te voorschijn halen; naar buiten brengen; eruit halen; eruit trekken; uittrekken; uithalen; uitschuiven; [m.b.t. gegevens uit een databank] opvragen; [m.b.t. conclusie; les] trekken; (2) duidelijk doen uitkomen; naar voren halen; brengen; releveren; (3) [m.b.t. bankrekening] opnemen; opvragen; van de bank halen; afhalen; uit de muur trekken; [i.h.b.] pinnen; [jeugdt.] downloaden; [Barg.] flappen tappen; (4) oproepen; ontbieden; lokken; (5) [m.b.t. geld] loskrijgen; uit iem. krijgen; weten te verwerven; lospeuteren; [Barg.] pienefen; [aan geld] komen; onttrekken; ontfutselen; ontlokken; voor de dag doen komen met; doen ophoesten
引っ張り出すhipparidasu eruit halen; tevoorschijn halen; brengen; naar buiten brengen; voor de dag komen met; eruit trekken; [fig.] opvissen
引っ張る ; 引張るhipparu (1) trekken (aan); rukken (aan); halen; (2) spannen; strak trekken; aantrekken; (3) [een arrestant e.d.] opbrengen; meebrengen; [naar het politiebureau enz.] meenemen; (4) uitstellen; [de tijd enz.] rekken; [iem.] aan het lijntje houden; (5) [honkbal] naar links uithalen [of naar rechts in het geval van een linkshandige slagman]; (6) [tot toetreding enz.] overhalen; [naar de overwinning] brengen
持ち出すmochidasu (1) mee naar buiten nemen; brengen; mee (uit) nemen; (2) achterhouden; verduisteren; verdonkeremanen; (3) erbij betrekken; erbij halen; ter sprake brengen; naar voren brengen; in het midden brengen; de aandacht vragen voor; aansnijden; voorleggen; beginnen te praten over; (4) voor de dag komen met; opbrengen; [fig.] ophoesten
持って来るmottekuru meebrengen; aanbrengen; brengen; halen; komen aanzetten met
掲げるkakageru (1) [櫛で] opkammen; in de hoogte kammen; (2) [簾を] oprollen; omrollen; [裾を] opstropen; omstropen; [gew.] opsloven; [gew.] opstroppen; (3) [火を] opstoken; aanwakkeren; aanstoken; aanjagen; (4) in de hoogte heffen; steken; opheffen; hoog opsteken; lichten; tillen; optillen; ophijsen; hijsen; oplaten; (5) [fig.] [迷いを] opheffen; lichten; uit de weg ruimen; doen verdwijnen; (6) afficheren; in de kijker plaatsen; bekendmaken; afkondigen; melden; ophangen; [Belg.N.] uithangen; [政策; 理想を] huldigen; (7) [記事を] publiceren; voeren; brengen; opgeven
敬意を表するkeiiwohyousuru eer bewijzen; aandoen; hulde doen; brengen; eerbied betonen; een blijk van achting geven; z'n respect betuigen
断る ; 判るkotowaru (1) weigeren; niet toelaten; niet vergunnen; niet inwilligen; (2) afslaan; afwijzen; verwerpen; niet accepteren; niet (willen) aannemen; van de hand wijzen; van tafel vegen; bedanken; weigeren; wegwuiven; wegwimpelen; [w.g.] declineren; (3) zijn verontschuldiging aanbieden; zijn excuses maken; zijn excuses aanbieden; excuus vragen; pardon vragen; zich schoon praten; (4) vooraf kennisgeven; informeren; inlichten; meedelen; mededelen; waarschuwen; verwittigen; vertellen; berichten; op de hoogte stellen; brengen; (5) toelating vragen; toestemming vragen; verlof vragen; (6) ontslaan; ontslag geven; de laan uitsturen; op straat zetten; aan de dijk zetten; (7) verbieden; door een verbod ontzeggen
施工するshikousuru ten uitvoer leggen; brengen; uitvoeren
施工するsekousuru ten uitvoer leggen; brengen; uitvoeren
殺害するsatsugaisuru vermoorden; ombrengen; om het leven brengen; doden; moorden; doodmaken; kapot maken; doodslaan; killen; om zeep helpen; brengen; uit de weg ruimen
演奏するensousuru [muz.] spelen; brengen; ten gehore brengen
熟すkonasu (1) aan; in; tot gruis slaan; in stukken breken; uit elkaar doen vallen; stukbreken; brekend stukmaken; vergruizen; vergruizelen; verpulveren; verkruimelen; fijnmaken; (2) verteren; verwerken; digereren; (3) afhandelen; behandelen; [仕事を] klaren; opknappen; doen; afdoen; volbrengen; afmaken; afwerken; klaarspelen; fiksen; (4) verkopen; van de hand doen; zetten; (5) [役を] spelen; brengen; zijn rol volhouden; in zijn rol blijven
生かす ; 活かすikasu (1) iem. (in) het leven sparen; in het leven laten; laten leven; [魚を~] spenen; (2) weer tot leven wekken; brengen; bij iem. de levensgeesten weer opwekken; nieuw leven inblazen; levend maken; doen herleven; reanimeren; [習慣を] opnieuw invoeren; doen opleven; teruggrijpen op; (3) benutten; zich bedienen van; gebruik maken van; gebruiken; aanwenden; toepassen
着けるtsukeru (1) aanleggen; [scheepv.] (af)meren; (aan de wal) vastleggen; vastmaken; stilhouden; stoppen; parkeren; [aan de kant enz.] zetten; [i.h.b.] voorrijden (tot aan ~); (2) doen raken; ertegenaan brengen; in aanraking brengen met; [de eerste hand enz.] leggen aan; (3) [iem. in een bep. positie] brengen; plaatsen; zetten; doen zitten; doen plaatsnemen; zitting doen nemen in; (4) aantrekken; aandoen; zich [in het zwart enz.] steken; zich kleden; [een lint in het haar enz.] steken; [een broche enz.] opsteken; [m.b.t. masker] opzetten; aanbrengen; (5) zich eigen maken; zich verwerven; aanleren
興行するkougyousuru op de planken brengen; opvoeren; uitvoeren; spelen; vertonen; brengen
kou tot bloei komen; brengen
行く ; 往く ; 逝くyuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid; schoonzoon; adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst.; m.b.t. mannen] schieten; (10) blijven ~ [drukt voortduring; voortgang van een handeling of toestand uit]
認めるshitatameru (1) neerschrijven; opschrijven; optekenen; schrijven; noteren; op papier zetten; brengen; opstellen; maken; (2) eten; nuttigen; (3) ordenen; schikken; (4) voorbereiden; (5) [hofdamesjargon] koken
講じるkoujiru (1) doceren; lesgeven; onderwijzen; [meton.] geven; (2) [詩歌を] voordragen; opzeggen; declameren; [meton.] brengen; (3) [手段を] nemen; treffen; ondernemen; (4) [和を] onderhandelen; bemiddelen
講ずるkouzuru (1) doceren; lesgeven; uitleggen; instrueren; onderrichten; (2) [手段; 方法; 対策を] uitdenken; bedenken; nemen; treffen; ondernemen; (3) [和を] vrede stichten; sluiten; (4) [詩歌を] voordragen; opzeggen; reciteren; declameren; [meton.] brengen
貢ぐmitsugu (1) financieel ondersteunen; financiële steun verlenen; geldelijk steunen; geld geven; van geld voorzien; geldmiddelen; de nodige middelen verschaffen; financieren; in de levensbehoeften voorzien van; (2) cijns betalen; tribuut geven; opbrengen; brengen
載せるnoseru (1) [op een vervoermiddel (de bus enz.)] zetten; plaatsen; [van bagage] laden; bevrachten; opladen; [een lifter enz.] oppikken; [iem. op de bus enz.] helpen; [i.h.b.] meevoeren; [passagiers enz.] meenemen; [i.h.b.] een lift geven; aan boord nemen; opnemen; (2) [op tafel enz.] zetten; plaatsen; stellen; leggen; [op de planken enz.] brengen; (3) iem. [door vleierij enz.] voor zich winnen; iem. aan zijn kant krijgen; iem. op zijn hand krijgen; iem. impalmen; iem. inpakken; iem. erin laten lopen; iem. erin laten trappen; iem. overhalen; iem. zover krijgen; (4) iem. [in het werk; complot enz.] betrekken; iem. laten deelnemen aan; iem. laten meedoen; (5) in de maat (laten) zijn met; in harmonie (laten) zijn met; (laten) harmoniëren; (6) [een boodschap enz.] overbrengen [langs telegrafische weg enz.]; transmitteren (via); transporteren (via); overvoeren (per); (7) [een advertentie in de krant enz.] zetten; plaatsen; opnemen; publiceren; optekenen; vermelden; te boek stellen
追い詰めるoitsumeru in het nauw drijven; brengen; jagen; insluiten; klemzetten; vastzetten; [隅に] in een hoek drijven; [gew.] in een hoek bezetten; [Belg.N.] in nauwe schoentjes brengen; de strop om de hals doen; de klem op de neus zetten
通知するtsuuchisuru mededelen; berichten; aankondigen; inlichten; laten weten; op de hoogte stellen; brengen; kennisgeven; bericht geven; notificeren; notifiëren; in kennis stellen; ter kennis brengen; informeren; aanzeggen; bekendmaken; verwittigen
連れ出すtsuredasu (1) mee naar buiten nemen; brengen; mee uit nemen; (2) weglokken; wegtronen; [niet alg.] wegtroggelen
運ぶhakobu (1) vorderen; vooruitgaan; opschieten; (vlot) verlopen; vooruitkomen; (goed) gaan; (2) vervoeren; transporteren; overbrengen; aanvoeren; aanbrengen; brengen; voeren; (3) [zijn schreden enz.] wenden naar; [koers enz.] richten naar; [geen stap; voet enz.] verzetten; (4) voortgaan met; voortzetten; vervolgen; [de pen enz.] voeren
釈迦に説法shyakaniseppou ± men moet een oude aap geen muilen; smoelen leren trekken; ± uilen naar Athene dragen; brengen; ± het ei moet niet wijzer willen zijn dan de kip; [Lat.] ± ne sus Minervam doceat; [Lat.] ± piscem natare doces
齎すmotarasu brengen; aanbrengen; meebrengen; opleveren; aanrichten; aandoen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.66 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 40 treffers (zoekopdracht: 'brengen', strategie: exact). 
2005-2021