日蘭辭典+

21 resultaten voor ‘buigen’
日蘭辭典 (trefwoord)
atama
zn. (1) [頭] hoofd o.; kop m. (2) [頭腦] hersens m. (3) [頭初] begin o. (4) [首領] hoofd o.; aanvoerder m. ¶ 頭の天邊から足の爪迄 van top teen. ¶ 頭をはねる commissie nemen op loon, dat men uitbetaalt. ¶ 頭を痛める zich het hoofd breken; zich ongerust maken. ¶ 頭を刈って貰ふ zijn haar laten knippen. ¶ 頭を上げる het hoofd buigen. ¶ 頭がある verstandig. ¶ 頭なき onverstandig; dom; zinneloos.
ichirei一禮
(一礼) zn. een buiging v.
nabiku靡く
i.w. buigen; zich buigen; toegeven (服從). ¶ に靡く bukken voor de macht van het geld. ¶ 稻がに靡いてゐる de rijsthalmen golven in den wind.
heifuku平伏
zn. diep knielen o. ¶ 平伏する zich op den grond werpen uit eerbied.
SUPPLEMENT (trefwoord)
zenkutsu前屈
zn., suru-ww. voorovergebogen; een voorovergebogen positie; vooroverbuigen. ¶ を開いて前屈のポーズ Ashi wo hiraite zenkutsu no pōzu Een voorovergebogen [positie, houding, pose] met de benen gespreid. ¶ そして膝を曲げずに前屈 Soshite hiza wo magezu ni zenkutsu. Vervolgens vooroverbuigen zonder de knieën te buigen. (blog) NB antoniem: kōkutsu 後屈
kōkutsu後屈
zn., suru-ww. achterovergebogen; achterover buigen. ¶ 今日はヨガの後屈のポーズのおですKyō wa yoga no kōkutsu no pōzu no hanashi desu. Vandaag ga ik het hebben over houdingen in yoga waarbij je achteroverbuigt. ¶ 後屈のポーズには、全身のエネルギーを活性化して、自分でも気づかなかった感情と出会うがあります。 Kōkutsu no pōzu ni wa, zenshin no enerugī wo kasseikashite, jibun de mo kizukanakatta kanjō to deau toki ga arimasu. Bij achterovergebogen houdingen activeer je energie in je hele lichaam en zul je op momenten emoties tegenkomen waarvan je zelf niet eens wist dat je ze had. (blog) NB antoniem: zenkutsu 前屈

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <buigen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
反らす sorasu buigen; verbuigen; krommen; [身体を] achteroverbuigen; achteroverleunen; [胸を] (zich) oprichten; vooruit steken
反る soru krom; scheluw trekken; zich krommen; buigen; ombuigen
屈折する kussetsusuru (1) buigen; krommen; een bocht maken; (2) [natuurk.] breken; (3) [taalk.] verbogen worden; flecteren; flexie hebben; verbuiging kennen
敬礼する keireisuru (1) buigen; nijgen; groeten; begroeten; (2) [mil.] salueren; het geweer presenteren; [veroud.] aanslaan
湾曲する wankyokusuru buigen; een bocht maken; zich krommen; gebogen zijn; krom zijn; knikken
従う shitagau (1) volgen; begeleiden; vergezellen; aan de zijde gaan van; [時勢に] meegaan met; afdrijven met; (2) gehoorzamen; gehoorzaam zijn; opvolgen; zich houden aan; volgen; luisteren naar; zich schikken naar; zich regelen naar; zich voegen naar; naleven; handelen overeenkomstig; [規則に] in acht nemen; [判決に] zich neerleggen bij; eerbiedigen; (3) gehoorzamen (aan); toegeven aan; buigen; zich laten leiden; meeslepen door; zwichten; zich onderwerpen; zich plooien; zich neerleggen bij; (4) [職業に] uitoefenen; beoefenen; dienen (als); werkzaam zijn als; (5) afhangen van
撓む tawamu buigen; krommen; doorbuigen
曲がる magaru (1) buigen; (zich) krommen; knikken; kronkelen; kromtrekken; scheeftrekken; scheluw trekken; kromgroeien; kromlopen; een bocht maken; een draai maken; draaien; [i.h.b.] meegeven; doorbuigen; abduceren; (2) afdraaien; keren; afbuigen; ombuigen; afslaan; [de hoek enz.] omgaan; omslaan; omdraaien; afzwenken; zwenken; (3) afwijken; deviëren; scheefgroeien; de verkeerde weg opgaan; verkeerd lopen; aberreren; ontaarden; verdorven raken
負ける makeru (1) afprijzen; de prijs verminderen; in prijs verlagen; korting geven; reductie geven; goedkoper geven; er wat afdoen; [x% van de prijs enz.] aftrekken; in mindering brengen; [i.h.b.] toegeven; extra geven; (2) door de vingers zien; oogluikend toelaten; over zijn kant laten gaan; ; (1) verliezen; [sportt.] onderuitgaan (tegen); het afleggen tegen; een nederlaag lijden; klop krijgen; [i.h.b.] succumberen; [Belg.N.] de duimen leggen; het onderspit delven; in het stof bijten; in het zand bijten; aan het kortste eind trekken; [uitdr.] voorgaats gaan; [uitdr., volkst.] de vellen krijgen; (2) zwichten; bezwijken voor; onderdoen voor; de mindere zijn van; achterstaan bij; toegeven aan; de wijste zijn; wijken voor; buigen; opzij gaan voor; zich onderwerpen; zich overgeven aan; zich neerleggen; (3) [vol uitslag enz.] komen te zitten; [uitslag e.d.] krijgen; reageren op; een fysieke reactie vertonen op
曲げる; 枉げる (bet. 2) mageru (1) krommen; buigen; verbuigen; ombuigen; [i.h.b.] scheef houden; scheeftrekken; (2) verdraaien; verwringen; vervormen; deformeren; vertekenen; scheef voorstellen; [zijn principes, de wet e.d.] geweld aandoen; naar zijn hand zetten; (3) panden; verpanden; belenen; in pand geven; naar de lommerd brengen
下げる sageru (1) lager maken; doen zakken; neerlaten; laten zakken; [m.b.t. hoofd] buigen; (2) hangen; ophangen; neerhangen; laten hangen; [i.h.b.] uithangen; [m.b.t. wapen, zwaard e.d.] dragen; (3) [m.b.t. tafel] afruimen; afnemen; leegruimen; opruimen; vrijmaken; (4) meer naar achteren zetten; achteruitzetten; achteruit plaatsen; achteruit doen; [m.b.t. wagen] achteruitrijden; (5) [m.b.t. spaargeld enz.] opnemen; (laten) afschrijven; (6) [m.b.t. niveau, graad, waarde e.d.] verlagen; laten zakken; doen dalen; doen afnemen; verminderen; naar beneden halen; reduceren; neerhalen; [i.h.b.] depreciëren; [i.h.b.] degraderen; [i.h.b.] declasseren
御辞儀する ojigisuru (1) buigen; diep buigen; groeten; begroeten; (2) niet aannemen; zich verontschuldigen; van de hand wijzen; afwijzen; weigeren
折れ曲がる oremagaru (1) buigen; plooien; krommen; (2) afbuigen; afslaan; zwenken; neigen; keren; draaien; een draai; bocht nemen; wenden; kronkelen
傾く katamuku (1) neigen; buigen; hellen; schuin staan; overhellen; leunen; (2) geneigd zijn tot; zijn voorkeur hebben voor; (3) ondergaan; zinken; (4) bergafwaarts gaan; slecht gaan; wegebben; achteruitgaan
歪む yugamu buigen; krommen; kromtrekken; verwrongen raken; vertrekken; vervormen; [心が] ontaarden; verworden
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.42 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 15 treffers (zoekopdracht: 'buigen', strategie: exact). 
2005-2020