日蘭辭典+

44 resultaten voor ‘chef’
日蘭辭典 (trefwoord)
chō
zn. (1) [首領] hoofd o.; chef m.; voornaamste m.; leider m. (2) [長所] verdienste v.; voortreffelijkheid v.
shuchō首長
zn. hoofd o.; chef m.; leider m.; aanvoerder m.
SUPPLEMENT (trefwoord)
sanさん
[samentrekking van sama ] (1) drukt respect of beleefdheid uit wanneer toegevoegd aan de naam of het beroep van een persoon. ¶ 田中さん Tanaka-san Meneer Tanaka. 課長さん Kachō-san. Afdelingshoofd; Chef. (2) drukt affectie uit wanneer toegevoegd aan namen van dieren en dergelijke. ¶ お家の中には、猫さんにとってどんな危険があるのかを、リストアップしてみました。 o-uchi no naka ni wa, neko-san ni totte donna kiken ga aru no ka wo, risuto-appu-shite mimashita. Ik heb een lijst gemaakt van welke gevaren er zijn voor ‘meneer de kat’ in z’n huis. NB uitgesproken als chan (ちゃん) is het een woord dat expliciet affectie of familiariteit uitdrukt bij zowel mensen als dieren ¶ 春子ちゃん。 Haruko-chan. Haruko. ¶ お姉ちゃん onee-chan [oudere] zus; zusje. ¶ おじいちゃんに買ってもらったんだー! Ojii-chan ni katte morattan daa! Opa heeft het voor mij gekocht! (3) drukt repect of beleefdheid uit wanneer toegevoegd aan een (zelfstandige vorm van) een woord dat met de ander in verband kan worden gebracht. ¶ お世話さん Osewa-san. Uw hulp; Uw zorg. ¶ ご苦労さまです。Gokurō-sama desu. Dank u wel voor uw inspanningen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <chef>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
キャップkyappu (1) pet; muts; [Belg.N.; spreekt.] klak; (2) dop; beschermkapje; sluiting; (3) baas; meerdere; chef; hoofd; leider; [チームの] aanvoerder; captain; [Belg.N.] kapitein
コック長kokkuchou chef-kok; chef de cuisine; maître; meester-kok; hoofdkok; eerste kok
シェフshixefu [cul.] chef-kok; chef de cuisine; maître; meester-kok; hoofdkok; eerste kok
チーフchiifu baas; chef; hoofd
パーサーpaasaa purser; administrateur; chef-hofmeester; opperhofmeester
ヘッドheddo (1) hoofd; (2) verstand; (3) kop; bovenste gedeelte; (4) hoofd; baas; meerdere; chef; leider; (5) [テープ・レコーダー; ビデオ・レコーダーの] kop; opnamekop; wiskop; (6) [バットの] uiteinde; [ゴルフ・クラブの] blad; clubhoofd; clubhead
ボスbosu (1) kopstuk; leider; voorman; leidende figuur; [ギャングの] bendeleider; bendehoofd; (2) baas; chef; (3) [techn.] naaf; (4) Voss [= Noorse gemeente]
マスターmasutaa (1) baas; patron; chef; eigenaar; [i.h.b.] waard; herbergier; kastelein; (2) master; [oneig.] meester [academische graad]
マネージャーmaneejaa (1) manager; bestuurder; beheerder; gerant; bewindvoerder; leider; patron; chef; directeur; administrateur; [Belg.N.] uitbater; (2) impresario
上の人uenohito meerdere; superieur; hogere in rang; chef; baas
上司joushi meerdere; superieur; hogere in rang; chef; baas
上役uwayaku meerdere; hogere in rang; chef; superieur; baas
主人shyujin (1) heer (des huizes); huisheer; pater familias; gezinshoofd; (2) baas; meester; mijnheer; meneer; [m.b.t. zaak] patroon; chef; principaal; [i.h.b.] waard; [i.h.b.] hospes; (3) echtgenoot; man; (4) gastheer
主幹shyukan hoofd; chef; [i.h.b.] hoofdredacteur
主管shyukan (1) beheer; management; leiding; bestuur; supervisie; opzicht; toezicht; oppertoezicht; superintendentie; (2) beheerder; manager; leider; bestuurder; chef; supervisor; hoofdopzichter; opzichter; opziener; oppertoezichthouder; toezichthouder; superintendent; [Belg.N.; niet alg.] toezichter
aruji (1) heer des huizes; huisheer; meester; [arch.] mijnheer; (2) baas; chef; patroon; (3) landsheer; landsvorst; vorst; prins; (4) gastheer
事務長jimuchou (1) chef-administratie; bureauchef; chef de bureau; (2) [op passagiersboten en verkeersvliegtuigen] administrateur; purser; chef-hofmeester; opperhofmeester
rei (1) bevel; order; (2) regel; wet; (3) [Meiji-periode] gouverneur; prefect (1871-1886); (4) [Kamakura-periode] subhoofd van het Mandokoro 政所; (5) [ritsuryō] kwartiermeester; wijkmeester; buurtmeester; (6) [Chin.gesch.] gouverneur; prefect; (a) opdragen; bevelen; order; (b) regel; wet; (c) hoofd; chef; (d) goed; gelukkig; (e) [uit respect voor andermans familie]
名作meisaku meesterwerk; meesterstuk; prachtwerk; prachtstuk; chef-d'œuvre
大将taishyou (1) [mil.] generaal; veldheer; (2) [mar.] admiraal; (3) baas; chef; oude; ouwe; (4) maat; kerel
tsukasa (1) overheidsdienst; dienst; (2) overheidsdienaar; ambtenaar; (3) ambt; betrekking; post; (4) hoofdzaak; het voornaamste; (5) hoofd; chef; directeur
御主人 ; ご主人goshyujin (1) echtgenoot; man; huwelijkspartner; (2) gezinshoofd; het hoofd van een huishouden; huisvader; pater familias ; (3) gastheer; gastvrouw; heer des huizes; vrouw des huizes; (4) werkgever; persoon die werkkrachten in dienst heeft; baas; chef; meerdere; (5) uitbater; eigenaar; winkelier; winkelhouder; hotelhouder; waard; kastelein
所長shyochou chef; manager; leider; directeur
料理長ryourichou [cul.] chef-kok; chef de cuisine; maître; meester-kok; hoofdkok; eerste kok
棟梁touryou (1) vorst en balken [hoofddelen van een dakconstructie]; (2) [Jap.gesch.] gouverneur; (3) hoofd; leider; aanvoerder; chef; baas; voorman; (4) ploegbaas; [i.h.b.] meester-timmerman
sei (1) correctheid; juistheid; (2) het officiële; (3) hoofd; overste; (4) [wisk.] positief; groter dan nul zijn; (5) [nat.] positief geladen zijn; (6) [fil.] these; (7) tien tot de veertigste macht; (a) correct; juist; (b) verbeteren; corrigeren; (c) regelmatig zijn; (d) precies; exact; (e) jaarbegin; nieuwjaar; (f) belangrijkste; hoofd; (g) wezenlijk; legitiem; (h) chef; (i) [wisk.] positief; groter dan nul zijn
番頭bantou (1) chef-winkelbediende; winkelchef; gerant; zaakvoerder; manager; (2) badmeester; (3) hoofdbewaker; (4) wacht; bewaking; (5) jonge assistente van een oiran-courtisane
経営者keieishya beheerder; bestuurder; manager; uitbater; leider; administrateur; chef; [i.h.b.] eigenaar; [verzameln.] management; leiding; bestuur
親分oyabun baas; chef; leider; aanvoerder; leidende figuur; patroon
親方oyakata (1) meester; patroon; baas; coach; (2) [aanspreekvorm] chef; (3) [sumō-jargon] senior; (4) leider; voorman; (5) pleegouder; voogd; (6) oudere broer; [i.h.a.] senior
親父 ; 親仁oyaji (1) pa; vader; ouweheer; ouwe heer; ouwe; (2) ouwe; vadertje; oude man; (3) baas; chef; ouwe; waard
親父yajio (1) pa; vader; ouweheer; ouwe heer; ouwe; (2) ouwe; vadertje; oude man; (3) baas; chef; ouwe; waard
責任者sekininshya verantwoordelijke; hoofd; chef
酋長shyuuchou (1) opperhoofd; stamhoofd; hoofd; (2) chef; leider; baas; voorman
osa hoofd; chef; leider; aanvoerder
chou (1) hoofd; chef; baas; leider; oudste; aanvoerder; meerdere; meester; directeur; voorzitter; patroon; president; principaal; (2) meerdere in jaren; (3) het beste (onder ~); sterk punt; gunstig element; goede eigenschap; fort; kwaliteit; voordeel; merites; (4) [muz.] majeur; dur
隊長taichou (1) [mil.] commandant; bevelhebber; (2) leider; hoofd; chef; aanvoerder; kapitein
ryou (1) [ritsuryō] districthoofd; (2) grondgebied; staatsgebied; territorium; territoir; gebied; bezitting; domein; (3) [maatwoord voor harnassen; kostuums e.d.]; (a) nek; kraag; (b) essentieel deel; (c) gebieden over; bezitten; (d) toezicht; [i.h.b.] chef; (e) ontvangen
kashira (1) hoofd; kop; (2) hoofdhaar; (3) begin; kop; (4) chef; baas; leider; boss; hoofd; aanvoerder; voorman; ploegbaas; (5) hoofd; kop van een pop; poppenkop; (6) [nō-jargon] langharige pruik; (7) [nō-jargon] aanhef van een stuk; (8) degenknop; knop aan zwaardgevest; (9) radicaal in het topdeel van een kanji; (10) [maatwoord voor mensen; dieren]; (11) [maatwoord voor boeddhistische beelden]; (12) [maatwoord voor leiders (i.h.b. generaals; daimyō)]; (13) [maatwoord voor eboshi-hoofddeksels]
首班shyuhan hoofd; chef; leider; [内閣の] premier; minister-president; eerste minister
首領shyuryou bendeleider; bendehoofd; leider; hoofd; chef; aanvoerder
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.5 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 41 treffers (zoekopdracht: 'chef', strategie: exact). 
2005-2022