日蘭辭典+

31 resultaten voor ‘chef’
日蘭辭典 (trefwoord)
chō
zn. (1) [首領] hoofd o.; chef m.; voornaamste m.; leider m. (2) [長所] verdienste v.; voortreffelijkheid v.
shuchō首長
zn. hoofd o.; chef m.; leider m.; aanvoerder m.
SUPPLEMENT (trefwoord)
sanさん
[samentrekking van sama ] (1) drukt respect of beleefdheid uit wanneer toegevoegd aan de naam of het beroep van een persoon. ¶ 田中さん Tanaka-san Meneer Tanaka. 課長さん Kachō-san. Afdelingshoofd; Chef. (2) drukt affectie uit wanneer toegevoegd aan namen van dieren en dergelijke. ¶ お家の中には、猫さんにとってどんな危険があるのかを、リストアップしてみました。 o-uchi no naka ni wa, neko-san ni totte donna kiken ga aru no ka wo, risuto-appu-shite mimashita. Ik heb een lijst gemaakt van welke gevaren er zijn voor ‘meneer de kat’ in z’n huis. NB uitgesproken als chan (ちゃん) is het een woord dat expliciet affectie of familiariteit uitdrukt bij zowel mensen als dieren ¶ 春子ちゃん。 Haruko-chan. Haruko. ¶ お姉ちゃん onee-chan [oudere] zus; zusje. ¶ おじいちゃんに買ってもらったんだー! Ojii-chan ni katte morattan daa! Opa heeft het voor mij gekocht! (3) drukt repect of beleefdheid uit wanneer toegevoegd aan een (zelfstandige vorm van) een woord dat met de ander in verband kan worden gebracht. ¶ お世話さん Osewa-san. Uw hulp; Uw zorg. ¶ ご苦労さまです。Gokurō-sama desu. Dank u wel voor uw inspanningen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <chef>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
上役 uwayaku meerdere; hogere in rang; chef; superieur; baas
経営者 keieisha beheerder; bestuurder; manager; uitbater; leider; administrateur; chef; [i.h.b.] eigenaar; [verzameln.] management; leiding; bestuur
ボス bosu (1) kopstuk; leider; voorman; leidende figuur; [ギャングの] bendeleider; bendehoofd; (2) baas; chef; (3) [techn.] naaf; (4) Voss [= Noorse gemeente]
ヘッド heddo (1) hoofd; (2) verstand; (3) kop; bovenste gedeelte; (4) hoofd; baas; meerdere; chef; leider; (5) [テープ・レコーダー; ビデオ・レコーダーの] kop; opnamekop; wiskop; (6) [バットの] uiteinde; [ゴルフ・クラブの] blad; clubhoofd; clubhead
首領 shuryou bendeleider; bendehoofd; leider; hoofd; chef; aanvoerder
酋長 shuuchou (1) opperhoofd; stamhoofd; hoofd; (2) chef; leider; baas; voorman
主管 shukan (1) beheer; management; leiding; bestuur; supervisie; opzicht; toezicht; oppertoezicht; superintendentie; (2) beheerder; manager; leider; bestuurder; chef; supervisor; hoofdopzichter; opzichter; opziener; oppertoezichthouder; toezichthouder; superintendent; [Belg.N., niet alg.] toezichter
主人 shujin (1) heer (des huizes); huisheer; pater familias; gezinshoofd; (2) baas; meester; mijnheer; meneer; [m.b.t. zaak] patroon; chef; principaal; [i.h.b.] waard; [i.h.b.] hospes; (3) echtgenoot; man; (4) gastheer
首班 shuhan hoofd; chef; leider; [内閣の] premier; minister-president; eerste minister
主幹 shukan hoofd; chef; [i.h.b.] hoofdredacteur
上司 joushi meerdere; superieur; hogere in rang; chef; baas
所長 shochou chef; manager; leider; directeur
事務長 jimuchou (1) chef-administratie; bureauchef; chef de bureau; (2) [op passagiersboten en verkeersvliegtuigen] administrateur; purser; chef-hofmeester; opperhofmeester
御主人 goshujin (1) echtgenoot; man; huwelijkspartner; (2) gezinshoofd; het hoofd van een huishouden; huisvader; pater familias; (3) gastheer; gastvrouw; heer des huizes; vrouw des huizes; (4) werkgever; persoon die werkkrachten in dienst heeft; baas; chef; meerdere; (5) uitbater; eigenaar; winkelier; winkelhouder; hotelhouder; waard; kastelein
責任者 sekininsha verantwoordelijke; hoofd; chef
棟梁 touryou (1) vorst en balken [hoofddelen van een dakconstructie]; (2) [Jap.gesch.] gouverneur; (3) hoofd; leider; aanvoerder; chef; baas; voorman; (4) ploegbaas; [i.h.b.] meester-timmerman
大将 taishou (1) [mil.] generaal; veldheer; (2) [mar.] admiraal; (3) baas; chef; oude; ouwe; (4) maat; kerel
マスター masutaa (1) baas; patron; chef; eigenaar; [i.h.b.] waard; herbergier; kastelein; (2) master; [oneig.] meester [academische graad]
料理長 ryourichou [cul.] chef-kok; chef de cuisine; hoofdkok
chou (1) hoofd; chef; baas; leider; oudste; aanvoerder; meerdere; meester; directeur; voorzitter; patroon; president; principaal; (2) meerdere in jaren; (3) het beste (onder ~); sterk punt; gunstig element; goede eigenschap; fort; kwaliteit; voordeel; merites; (4) [muz.] majeur; dur
チーフ chiifu baas; chef; hoofd
キャップ kyappu (1) pet; muts; [Belg.N., spreekt.] klak; (2) dop; beschermkapje; sluiting; (3) baas; meerdere; chef; hoofd; leider; [チームの] aanvoerder; captain; [Belg.N.] kapitein
親父 yajio (1) pa; vader; ouweheer; ouwe heer; ouwe; (2) ouwe; vadertje; oude man; (3) baas; chef; ouwe; waard
rei (1) a. opdragen; bevelen; order; (2) b. regel; wet; (3) c. hoofd; chef; (4) d. goed; gelukkig; (5) e. [uit respect voor andermans familie]; ; (1) bevel; order; (2) regel; wet; (3) [Meiji-periode] gouverneur; prefect (1871-1886); (4) [Kamakura-periode] subhoofd van het Mandokoro 政所; (5) [ritsuryō] kwartiermeester; wijkmeester; buurtmeester; (6) [Chin.gesch.] gouverneur; prefect
名作 meisaku meesterwerk; meesterstuk; prachtwerk; prachtstuk; chef-d'œuvre
パーサー paasaa purser; administrateur; chef-hofmeester; opperhofmeester
親方 oyakata (1) meester; patroon; baas; coach; (2) [aanspreekvorm] chef; (3) [sumō-jargon] senior; (4) leider; voorman; (5) pleegouder; voogd; (6) oudere broer; [i.h.a.] senior
親父 oyaji (1) pa; vader; ouweheer; ouwe heer; ouwe; (2) ouwe; vadertje; oude man; (3) baas; chef; ouwe; waard
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.46 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 28 treffers (zoekopdracht: 'chef', strategie: exact). 
2005-2020