日蘭辭典+

36 resultaten voor ‘compleet’
日蘭辭典 (trefwoord)
zenbu全部
zn. geheel o.; alle deelen o.mv.; bw. geheel; totaal; volledig. ¶ 全部で totaal; alles tezamen; in het geheel. ¶ 全部揃って compleet. ¶ 全部に亙って geheel en al. ¶ 全部の volledig; al; geheel; compleet.
sorou揃ふ
(揃う) i.w. (1) [一致] het eens zijn; overeenstemen. (2) [集る] vergaderen; bijeenkomen. (3) [整ふ] volledig zijn; geordend zijn; in orde zijn. ¶ 揃った compleet; volledig; geordend. ¶ 揃はぬ onvolledig; niet compleet; niet in orde. ¶ 人數は揃ひましたか zijn wij compleet? zijn wij voltallig? ¶ 兄弟三人揃ひも揃って alle drie broers; de broers, alle drie.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <compleet>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
きっぱりとkipparito (1) kordaat; ronduit; stellig; beslist; uitdrukkelijk; resoluut; (2) helemaal; volledig; compleet; eens en voorgoed; definitief
ころっkoro (1) [~と転がる] [= aanduiding van een rolbeweging van een klein; licht voorwerp]; (2) [~と変わる] plots; ineens; pardoes; [~と忘れる] rats; compleet; totaal; glad; (3) [~と参る] sportief; zonder vezet; vlot; (4) [~と寝てしまう] als een blok
ころりkorori (1) [~と倒れる; 横になる] rollend; vlijend; (2) [~と負ける; だます] gemakkelijk; moeiteloos; zomaar; al te snel; (3) [~と変わる] compleet; radicaal; volledig; [~と忘れる] helemaal; glad; [Belg.N.] rats; [異性に~と参る] tot over zijn oren; volkomen; halsoverkop; (4) [~と死ぬ] plotseling; onverwacht; zomaar; pardoes; (5) [muntw.] honderd mon; (6) cholera
さっぱりsappari (1) verschrikkelijk; echt erg; (2) keurig; net; netjes; [gew.] deftig; (3) verfrist; opgefrist; opgeknapt; opgekikkerd; [i.h.b.] opgelucht [i.c.m. shita した]; (4) openhartig; vrijmoedig; oprecht; frank; rechtuit; rondborstig [i.c.m. shita した]; (5) [m.b.t. culinaria] eenvoudig; licht gekruid [i.c.m. shita した]; (6) compleet; totaal; helemaal; in het geheel; volkomen; volledig; gans [i.c.m. to と]
すっかりsukkari volledig; helemaal; (in zijn) geheel; [form.] gans; integraal; compleet; in zijn totaliteit; volkomen; onverdeeld; ten volle; volmaakt [tevreden; gelukkig enz.]; totaal; grondig; volop
そっくりsokkuri (1) geheel; al; volledig; helemaal; totaal; compleet; in zijn geheel; totaliteit; met ~ en al; intact; integraal; zoals het is; (2) precies lijken op; als twee druppels water lijken op; sprekend lijken op; iem. gelijken op een prik; in alles lijken op; het evenbeeld zijn van; precies; exact; net; op-en-top
コンプリートkonpuriito compleet; volledig; voltallig
丸々 ; 〇〇marumaru (1) lege plek; blanco gedeelte; opengelaten plaats; leeg gelaten passage; (2) ene; een zeker(e); niet nader genoemd(e); (3) vol; bol; rond; mollig; bolrond; (4) volledig; compleet; volkomen; helemaal; geheel en al; totaal
丸々とmarumaruto (1) vol; bol; rond; mollig; bolrond; (2) volledig; compleet; volkomen; helemaal; geheel en al; totaal
丸っ切りmarukkiri volkomen; volstrekt; absoluut; geheel en al; helemaal; compleet
全くmattaku (1) geheel; geheel en al; heel; volledig; helemaal; straal; absoluut; volstrekt; rechtaf; volkomen; puur; totaal; volslagen; door en door ~; [attr.] ~ in het kwadraat; hartstikke; op-en-top; compleet; ten enenmale; ganselijk; gladweg; vlak; [volkst.] helendal; (2) werkelijk; inderdaad; waarlijk; echt; zonder meer; regelrecht; hoe ~!
全くのmattakuno volkomen; volmaakt; volslagen; compleet; totaal; algeheel; onverbeterlijk; onvervalst; absoluut; je reinste; pur sang; van het zuiverste water
全幅zenpuku (1) totale; volle breedte; (2) [luchtv.] spanwijdte; vleugelspan; vleugelspanning; (3) [~の] al; volledig; algeheel; gans; absoluut; compleet
全然zenzen (1) helemaal niet; in het geheel niet; niet in het minst; geringste; absoluut niet; volstrekt niet; hoegenaamd niet; in genen dele [i.c.m. negatie]; (2) heel; erg; zeer; verschrikkelijk [in informeel taalgebruik]; (3) compleet; volstrekt; totaal; geheel; helemaal; geheel en al; volkomen; volslagen; volledig; op-en-top; in alle opzichten; door en door [affirmatief en nadrukkelijk]
全部zenbu (1) geheel; al; algeheel; alle; alles; totaal; [inform.] het hele zootje; de hele mikmak; de hele bende; [attr.] compleet; (2) volledig; allemaal; algeheel; heel; totaal; volkomen; in alle opzichten; onverdeeld; [arch.] gans
全面的zenmenteki grootscheeps; totaal; compleet; alomvattend; alles omvattend; alles insluitend; extensief
全面的にzenmentekini grootscheeps; totaal; compleet; alomvattend; extensief; voluit; over de hele linie
zen (1) volledige; complete; integrale; voltallige versie; (2) in totaal (… boekdelen); alles bij elkaar (… banden); (3) alle …; hele …; gehele …; volledige …; complete …; al-; alles-; omn-; pan-; pant-; panto-; (a) gaaf; heel; volledig; intact; (b) al; alles; geheel; compleet; (c) voltooien; vervolmaken
凡そoyoso (1) samenvatting; kort overzicht; resumé; de voornaamste punten; (2) over het algemeen; in principe; (3) geheel; volkomen; compleet; totaal
十全juuzen (1) volkomenheid; perfectie; volmaaktheid; (2) volkomen veiligheid; (3) [fil.] adaequatio; (4) volkomen; perfect; volmaakt; compleet; absoluut; (5) volkomen veilig; ongevaarlijk
去るsaru (1) verlaten; weggaan (bij; van); vertrekken (bij; van; uit); ervandoor gaan; [gew.] aangaan; ertussenuit knijpen; opstappen; heengaan (van); heenlopen; [i.h.b.] sterven; scheiden (van; uit); [m.b.t. echtgenoot; echtgenote] zich laten scheiden van; zich verwijderen van; aflopen van; weglopen van; verdwijnen; wegkomen; zich wegscheren; [veroud.] zich wegpakken; [inform.] opdonderen; [inform.] ophoepelen; [inform.] opflikkeren; [inform.] oprukken; [w.g.] opdoeken; [studentent.] opzooien; [uitdr.] zich uit de voeten maken; (2) achter zich laten; op [x uur afstand enz.] liggen; afliggen van; verwijderd liggen van; (3) wijken; afnemen; wegtrekken; verdwijnen; overgaan; eindigen; ophouden te bestaan; aflopen; ten einde lopen; voorbijgaan; vergaan; (4) [m.b.t. seizoen; tijdruimte] verstrijken; voorbijgaan; vergaan; [i.h.b.] voorbijvliegen; verlopen; passeren; [fig.] omgaan; [fig.] omlopen; [fig.] omkomen; (5) verwijderen; afhalen; weghalen; wegwerken; uithalen; wegnemen; afdoen; afnemen; verbannen; zich af maken van; (6) zich ontdoen van; bannen; uitbannen; afzetten (van); laten varen; (7) [m.b.t. baan] opgeven; stoppen met; [m.b.t. ambt] neerleggen; verlaten; opzeggen; afstand doen van; bedanken voor; vaarwelzeggen; [m.b.t. toneel] afgaan (van); (8) totaal ~; volledig ~; compleet ~; geheel en al ~; volkomen ~ [voorafgegaan door een ren'yōkei]; (9) jongstleden; [afk.] jl.; laatstleden; [afk.] ll.; ~ dezer; vorige ~; verleden ~; gepasseerde ~
kan (1) einde; slot [bij eind van een boek of film]; (a) compleet; volledig; (b) voltooien; afmaken; besluiten
完全なkanzenna perfect; compleet; volledig; integraal; volkomen; volslagen; volstrekt; totaal; gaaf; ongeschonden; volmaakt; afgerond; intact
完全にkanzenni perfect; compleet; volledig; geheel; van a tot z; integraal; volkomen; volmaakt; volslagen; volstrekt; absoluut; totaal; afgerond; intact; ongeschonden; [w.g.] restloos
完敗するkanpaisuru een totale; verpletterende nederlaag lijden; compleet; volslagen mislukken; verpletterend verslagen worden
思いっ切りomoikkiri (1) heftig; hevig; krachtig; energiek; (2) afschuwelijk; afgrijselijk; vreselijk; verschrikkelijk; ontzettend; gruwelijk; (3) naar hartelust; zonder zich te beperken; (4) met alle macht; uit alle macht; (5) grondig; door en door; compleet; volledig
思い切り ; 思いきりomoikiri (1) berusting; gelatenheid; geestestoestand waarbij men alle hoop opgegeven heeft; het afzien van iets; (2) besluit; beslissing; voornemen; (3) heftig; hevig; krachtig; energiek; (4) afschuwelijk; afgrijselijk; vreselijk; verschrikkelijk; ontzettend; gruwelijk; (5) naar hartelust; zonder zich te beperken; (6) met alle macht; uit alle macht; (7) grondig; door en door; compleet; volledig
残らずnokorazu al; alles; helemaal; heel; geheel; compleet; volledig; exhaustief; integraal; uitputtend; één en al; geheel en al; stuk voor stuk; tot de laatste [man; cent; druppel enz.]; zonder uitzondering; [arch.] gans
満足manzoku (1) tevredenheid; genoegen; voldoening; satisfactie; bevredigdheid; genoegzaamheid; genoeglijkheid; vergenoegdheid; voldaanheid; (2) genoegdoening; bevrediging; vervulling; vergenoeging; (3) voldoening schenkend; bevredigend; tevredenstellend; voldoende; genoegzaam; genoeg; toereikend; sufficiënt; adequaat; fatsoenlijk; behoorlijk; (4) compleet; intact; perfect; volschapen
mina (1) al; alle; allen; alles; ieder; iedereen; elkeen; alleman; (2) algeheel; geheel; gans; heel; helemaal; compleet; totaal
minna (1) al; alle; allen; alles; ieder; iedereen; elkeen; alleman; (2) algeheel; geheel; gans; heel; helemaal; compleet; totaal
総じてsoujite (1) globaal; ruim genomen; in; over 't algemeen; ruwweg; over het geheel genomen; alles bij elkaar; (2) geheel; integraal; volledig; compleet
見事; 美事migoto (1) mooi; prachtig; fraai; keurig; excellent; schitterend; fantastisch; magnifiek; briljant; voortreffelijk; uitstekend; heerlijk; meesterlijk; reuze; (2) volkomen; volslagen; volledig; compleet; helemaal; afgerond; totaliter
返るkaeru (1) terugkeren; teruggaan; weerkeren; wederkeren; terugkomen; terug naar het uitgangspunt gaan; weer in het bezit komen van; terugvallen aan; (2) zich herstellen; weer in de vorige toestand terugkeren; [veroud.] keer nemen; (3) terugkaatsen; terugspringen; terugstuiten; [こだまが〜] weergalmen; weerklinken; (4) kantelen; omslaan; zich omkeren; (5) [年が〜] wisselen; nieuwjaar worden; (6) verkleuren; van kleur veranderen; (7) […~] compleet; volkomen … worden; (8) […~] telkens … ; blijven …
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.59 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 34 treffers (zoekopdracht: 'compleet', strategie: exact). 
2005-2021