日蘭辭典+

22 resultaten voor ‘dik’
日蘭辭典 (trefwoord)
atsuiあつい
(厚い) bn. (1) [厚い] dik. (2) [手篤い] hartelijk; warm. (3) [危篤] kritiek; erg. ¶ 面の皮の厚い onbeschaamd; brutaal.
botteriぼってり
bn. mollig; dik.
niku
zn. (1) [獸] vleesch o. (2) [印] stempelinkt v.; inktkussen o. ¶ 慾 zinnelijke lust. ¶ つく dik worden. ¶ 落ちる mager worden. ¶ の vleeschelijk; des vleesches. ¶ が多い vleezig.
futoru太る
i.w. (1) [肥る] dik worden. (2) [成長する] flink groeien. (3) [豐になる] rijk worden. ¶ 肥った dik. ¶ あの家の身代は近來大分太った die familie is in den laatsten tijd zeer vermogend geworden.
konmoriこんもり
bw. dicht; dik. ¶ こんもりとした森 een dicht woud.
SUPPLEMENT (trefwoord)
tariたり
Hulpwerkwoord van de schrijftaal of het klassiek Japans.
mizenrenyōshūshirentaiizenmeirei
たらたりたりたるたれたれ
たり sluit aan op de renyōkei. Het geeft de voltooiing van een handeling of een proces aan (modern -した) Geeft voortdurend effect van een voltooide handeling of proces (...heeft gedaan; -ている; -てある). (IT:95) たり is het schrijftaal equivalent van spreektaal た. Attributief: たる, predicatief: たり. ¶ 次にあらわれたるは女の顔《次にあらわれたのは女の顔》 het was het gezicht van een vrouw dat vervolgens verscheen ¶ あらわれたるは方屋黒タイツに空色《の》水着を着たデブさん wat is verschenen in de ring [is] Mevrouw dikzak gekleed in een hemelsblauw badpak en zwarte panties De attributieve vorm (たる) nominaliseert het voorafgaande zonder de tussenkomst van の (wat in het modern wel noodzakelijk is). (SEM:838)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <dik>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
親密な shinmitsuna hecht; innig; intiem; vertrouwd; close; dik
親しい shitashii (1) naverwant; (nauw) verwant; [w.g.] na; (2) [m.b.t. vriend(schap)] intiem; amicaal; vriendschappelijk; close; familiair; dik; dierbaar; vertrouwd; innig; (3) in hoogsteigen persoon; hoogstpersoonlijk; minzaam; genadig; [adv.] rechtstreeks [als van hooggeplaatste personen sprake is]
十分 juubun genoeg; voldoende; toereikend; plenty; uitvoerig; genoegzaam; suffisant; sufficiënt; afdoend; bevredigend; volstaan; welletjes; ; in voldoende mate; genoegzaam; naar genoegen; tot iemands volle tevredenheid; ruim; dik; rijkelijk; ruimschoots; meer dan genoeg; zat; dubbel en dwars; ampel; zijn bekomst …
十分に juubunni in voldoende mate; genoegzaam; naar genoegen; tot iemands volle tevredenheid; ruim; dik; rijkelijk; ruimschoots; meer dan genoeg; zat; dubbel en dwars; ampel; zijn bekomst …
自慢する jimansuru (1) trots zijn (op); prat gaan (op); zich beroemen (op); roemen (op); bogen (op); zich verheffen (op); zich laten voorstaan op; (2) opscheppen; snoeven; pochen (op); [Belg.N., inform.] stoefen (op); [form.] stoffen (op); opsnijden; ophakken; zwetsen; pralen; prallen; dik; groot doen; grootspreken; snorken; bluffen (op); [veroud.] brallen (op); [arch.] ronken
濃い koi (1) (van een kleur) donker; (van een kleur) niet licht; (van een kleur); (2) diep; (3) (van koffie; thee; etc.) sterk; (van koffie; thee; etc.) scherp; (4) prikkelend; (5) (van soep) dik; (van soep) rijk; (6) (van mist) dicht; (7) (van baard) zwaar; (van baard) dichtbegroeid; (8) (van een relatie; vriendschap; etc.) intiem; (van een relatie; (9) vriendschap; etc.) vertrouwelijk; (van een relatie; vriendschap; etc.); (10) persoonlijk; (van een relatie; vriendschap; etc.) innig; (van een; (11) relatie; vriendschap; etc.) nauw; (van een relatie; vriendschap; etc.); (12) nabij
濃く koku diep; dik; sterk; geconcentreerd
どろどろの dorodorono (1) modderig; slijkerig; slijkachtig; blubberig; (2) moesachtig; brijachtig; pulpachtig; papperig; pappig; brijig; week; dikvloeibaar; stroperig; [~汁] dik; smeuïg
dai (1) zo groot als; ter grootte van ~; -groot; (2) senior; de oudere; major; (3) universiteit [verkorting van daigaku 大学]; ; (1) groot; [m.b.t. kledingmaten] large; omvangrijk; belangrijk; vooraanstaand; [fig.] zwaar; ernstig; erg; [m.b.t. vriendschap] dik; (2) [m.b.t. zonnekalender] ~ met 31 dagen
近い chikai (1) nabij; dicht(bij); na; vlak (bij); in de buurt van; [目が] bijziend; (2) intiem; nauw; naverwant; [m.b.t. vriendschap] dik; (3) om en (na)bij; nagenoeg; zo goed als; haast; vrijwel; bijna; op het punt; grenzend aan
沈殿物 chindenbutsu sediment; neerslag; bezinksel; afzetting; aanzetsel; grondsop; [chem.] precipitaat; [m.b.t. wijn] depot; droesem; drab; moer; droef; [m.b.t. koffie; chocolade] dik; [gew., m.b.t. koffie] dras; [gew.] grom
太い futoi (1) dik; zwaar; fors; vet; flink; (2) [van stem e.d.] diep; vol; zwaar; (3) driest; boud; vermetel; stoutmoedig; (4) brutaal; vrijpostig; schaamteloos; onbeschaamd
太った futotta dik; vet; weldoorvoed; corpulent; mollig; vlezig; gezet; struis; zwaar; zwaarlijvig
分厚い buatsui lijvig; dik; volumineus; omvangrijk
深い fukai (1) diep; dicht; dik; (2) [van gevoelens, gedachten enz.] diep; intens; diepgaand; diepliggend; diepzinnig; grondig; innig; intiem; (3) [van kleuren, aroma's enz.] donker; zwaar; vol
厚い atsui (1) dik; lijvig; een pil van een ~; (2) innig; hartelijk; warm; vriendelijk
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.39 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'dik', strategie: exact). 
2005-2019