日蘭辭典+

84 resultaten voor ‘doen’
日蘭辭典 (trefwoord)
suruする
i.w. (1) [行ふ] handelen; t.w. doen. t.w. (2) [作る] maken i.w. (3) [價する] kosten.
amegafuru雨が降る
i.w. regenen. ¶ 拳骨の雨を降らす slagen doen regenen.
annai案內

(案内) zn. (1) [嚮導] geleide v.; voorlichting v. (2) [通知] inlichting v. (3) [招待] uitnoodiging v. (4) [熟知] bekendheid v. ¶ 貨物發送の案內をする mededeeliing doen van de verzending van goederen; de verzending van goederen adviseeren. ¶ 御案內の通り zoals u bekend is. ¶ 案內する geleiden; binnenleiden; den weg wijzen; uitnoodigen (招待). ¶ 案內狀 (通知書) kennisgeving; mededeeling; (招待狀) uitnoodiging; invitatie. (會員招集狀) convocatiebiljet; oproeping. ¶ 案內者 gids. ¶ 案內書 gids; handboek.

araidate洗立
(洗い立て) zn. onderzoek o.; navraag v. ¶ 洗立する onderzoek instellen; navraag doen; informaties inwinnen;
aratana新な
(新たな) bn. versch; nieuw. ¶ 新に opnieuw. ¶ 新にする vernieuwen; ververschen; opnieuw doen. ¶ 記憶に新なる所です het ligt nog versch in ons geheugen;
arau洗ふ
(洗う) t.w. (1) [洗ふ] wasschen. ¶ 身體を洗ふ zich wasschen. ¶ 汚點を洗ひ落す vlekken uitwasschen. (2) [調査] nagaan; onderzoek doen. ¶ 足を洗ふ het leven der zonde vaarwel zeggen; op het rechte pad terugkeeren;
atomawashi後廻し
(後回し) zn. uitstel o. ¶ 後廻しにする uitstellen; later doen.
aganau贖ふ
(贖う購う) t.w. boeten; boete doen voor; loskoopen; vrijkoopen. ¶ 罪を贖う zijn schuld boeten. ¶ 因人を贖う een gevangene loskoopen. ¶ 損害を贖う schade vergoeden.
aibiau步合ふ
i.w. tot een compromis komen; wederzijds concessies doen. N.B. Vergelijkbaar standaard Japans is 歩み寄る ‘ayumiyoru’, ( 広辞苑 (1992) 歩み寄る bet. 2「 …互いに譲歩し合う。折れ合う。」).
akinau商ふ
(商う) i.w. handelen in; zaken doen in; doen in. ¶ 陶器を商ふ doen in aardewerk.
yarakasuやらかす
(遣らかす) tw doen; begaan.
yarikata遣方
(遣り方) zn. manier om iets te doen; methode v.
yarikuchi遣口
(遣り口) zn. methode v.; manier om iets te doen.
yarisokonai遣損
(遣り損い) zn. mislukking v.; fout v.; vergissing v. ¶ 遣損ふ verkeerd doen; niet slagen.
yarisugiru遣過ぎる
(遣り過ぎる) t.w. te veel doen; te veel geven; i.w. te ver gaan.
yaritsukeru遣つける
(遣りつける) i.w. gewend zijn om te doen.
yaruやる
(遣る; やる) t.w. (1) [與へる] geven; schenken. (2) [爲す] doen; verrichten. (3) [送る] zenden. ¶ 旨く遣る goed doen; netjes doen. ¶ 手紙を遣る brief sturen. ¶ 祝儀を遣る fooi geven. ¶ 醫者をやる dokters praktijk uitoefenen. ¶ やつて見る probeeren. ¶ 日本語をやる Japansch studeeren. ¶ 酒をやる van drank houden; drinken.
yasagashi家探
(家探し) zn. huiszoeking v. ¶ 家探しをする huiszoeking doen.
de
vw. en; wel ...... ; dus; toen. ¶ では行かなかった en toen ben ik niet gegaan. ¶ で何様しようと云ふのか wel, wat denk je nu te gaan doen?
yōji用事
zn. zaken. v.mv ¶ 用事ある zaken hebben; bezig zijn; wat te doen hebben.
waza
(技、伎) zn. (1) [所] daad v.; handeling v.; werk o. (2) [職業] beroep o. (3) [技術] kunstgreep m.; kunstje o. ¶ それ容易ではない het is geen gemakkelijke taak. ¶ 人間業とは思へない geen menschenwerk; wonder. ¶ 彼奴のしたに相違ない natuurlijk heeft hij dat gedaan.
itasu致す
t.w. (1) [行ふ] doen; verrichten. (2) [招來] te weeg brengen; veroorzaken. (3) [輸送] vervoeren; transporteeren. ¶ どう致しまして niet te danken. ¶ 失禮いたしました neem mij niet kwalijk. ¶ 致す een dienst bewijzen; zijn best doen voor. ¶ 致す zijn leven opofferen. ¶ は自ら禍を致したのだ hij heeft het aan zichzelf te wijten; het is zijn eigen schuld. ¶ 富を致す rijkdom vergaren.
hataraku働く
i.w. (1) [勞働] arbeiden; werken. (2) [骨折る] zich inspannen. t.w. (3) [犯す] plegen; begaan; doen. ¶ 働いて居る aan het werk zijn. ¶ 生計の働く werken voor zijn brood. ¶ 惡事働く misdaden begaan.
kiseki奇蹟
(奇跡) zn. wonder o. ¶ 奇蹟を行ふ wonderen verrichten; wonderen doen. ¶ 奇蹟的 wonderbaarlijk.
mama
(まま) bw. (1) [其の儘] zooals het is; in den tegenwoordigen toestand. (2) [意の] naar verkiezen; zoals men wil. ¶ で met zijn schoenen aan. ¶ 聞いた話す vertellen zooals men het gehoord heeft. ¶ もとのである hetzelfde gebleven zijn; onveranderd zijn. ¶ 何卒其 derangeer u niet; blijft toch zitten. ¶ 思ふする doen wat men wil; zijn eigen zin doen. ¶ なるなら als ik mijn zin kreeg. ¶ そのにして置く het erbij laten; geen moeite doen het te veranderen.
iya嫌、厭
zn. afkeer m.; ergernis v.; verveling v. ¶ 嫌な onaangenaam; ergerlijk; vervelend. ¶ 嫌な stank. ¶ いやな天氣 beroerd weer. ¶ 嫌な beroerde vent; lamme vent. ¶ 厭になる iets moede zijn; het land hebben aan. ¶ 貸して呉れ嫌か leen me wat, of wil je het niet? ¶ 嫌ですよ laat dat toch!; je hindert me; niet doen!
owasu負はす
(負わす) t.w. (1) [擔はす] een ander doen dragen. (2) [負擔さす] beschuldigen; ten laste leggen. ¶ 傷を負はす wond toebregen.
mushikaesu蒸返す
(蒸し返す) t.w. opnieuw doen.
furi
(振り) (1) [ぶらぶらすること] schommeling v.; slingering v.; trilling v. (2) [仕振] manier van doen; wijze v. (3) [態度] gedrag o.; optreden o. (4) [姿] uiterlijk o. (5) [見せかけ] mom o.; schijn m. ¶ 風をする voorgeven; doen alsof. ¶ 知らぬ振りをする zich van den domme houden. ¶ 一振り een zwaardslag.
kugyō苦行
zn. ascetisme o.; zelfkwelling v. ¶ 苦行する boete doen. ¶ 苦行者 asceet.
hatato礑と

bw. (1) [音] met een klap. (2) [突然] plotseling. [全然] geheel. ¶ 礑と實感する niet weten, wat te doen; uit het veld geslagen zijn.

funpatsu奮發

(奮発) zn. uiterste krachtsinspanning v. ¶ 奮發する zijn uiterste best doen.

SUPPLEMENT (trefwoord)
ganbatte頑張って
Uitdr. Houd vol! Geef niet op! Zet door! Doorzetten! Volhouden! ¶ なら成功できるよ、がんばって。は見捨てない。 ♂ Jij kunt het echt wel, houd vol. Ik zal je niet in de steek laten. ¶ できるだけがんばってやってみます。Ik zal mijn uiterste best doen. ¶ はその難しい課題をがんばってやった。Hij bleef zijn best doen op die lastige lessen. ¶ 新しい仕事がんばってください。Zet hem op met je nieuwe baan / succes met je nieuwe baan.
zus, zuster

[de, zussen; zusters] (1.a.a) [oudere zus(ter); mijn [onze] zus(ter)] ane (beleefheid: geen of nederig; richting: geschikt voor benoemen van de eigen zuster tegen tweede persoon; over een derde persoons oudere zuster (niet erend, niet beleefd); over een oudere zuster in algemene zin). ¶ 回転いいAne wa atama no kaiten ga ii. Mijn zus is vlot van begrip. 料理先生にして習いました。 Ryōri wa ane wo sensei ni shite naraimashita. Mijn zus heeft me koken geleerd. (TTC) (1.a.b.) [oudere zus; jongedame; aanspreekvorm serveerster] 姉さん anesan (algemeen of neutraal beleefd).

(1.b) [oudere zus(ter), uw [hun] zus(ter); aanspreekvorm serveerster] 姉さん neesan; お姉さん oneesan (beleefdheid: erend of algemeen beleefd; richting: over tweede of derde persoons oudere zuster; binnen wij-groep over of naar de eigen oudere zuster; in algemene zin); おちゃん oneechan (idem, maar meer familiair of vertroetelend). NB met name onder en naar kinderen worden deze vormen ook gebruikt om in algemene zin naar oudere zussen te verwijzen. ¶ メアリーは遊園地で一人で泣いている男の子を見つけて、やさしくをかけた。「ねえぼくどうしたの? 迷子になっちゃったの? おちゃんが迷子センターに連れてってあげようか?」 Mearii wa yūenchi de hitori de naite iru otoko no ko wo mitsukete, yasashiku koe wo kaketa. ‘Nee, boku, dōshita no? Meigo ni nattyatta no? Oneechan ga meigo-sentā ni tsurete tte ageyō ka?’ In het pretpark vond Mary een huilend jongetje. Met zachte stem sprak ze: ‘Hee, jongetje, wat is er aan de hand? Ben je je ouders kwijt? Zal ik [lett. de oude zus] je naar de informatiebalie brengen [lett. zoekgeraakte-kinderen-afdeling]?’ (TTC)

(2.a) [jongere zusje/zuster, mijn [onze] zuster/zusje] imōto (beleefheid: geen of nederig; richting: geschikt voor benoemen van de eigen zuster tegen tweede persoon; over een derde persoons jongere zuster (niet erend, niet beleefd); over een jongere zuster in algemene zin). ¶ の咲子ですと年子で、受験生ですImōto no Sakiko desu. Boku to toshigo de, ima jukensei desu. Dit is mijn zusje Sakiko. Ze minder dan een jaar jonger dan ik en studeert nu voor haar toelatingsexamens. ¶ をパーティーに連れて行きます。 Imōto wo paatii ni tsurete ikimasu. Ik neem mijn zus mee naar het feestje. (TTC) NB in een wij-groep noemen oudere broers en zussen hun jongere zuster alleen bij naam (dit vloeit voort uit de hiërarchie), omgekeerd spreken jongere broers en zussen hun oudere zussen normaal gesproken als姉さん oneesan aan. (Miura)

(2.b) [jongere zusje/zus(ter), uw [hun] zusje/zus(ter)] さん imōtosan (beleefdheid: erend of algemeen beleefd; richting: over tweede of derde persoons jongere zuster, of in algemene zin). ¶ 今度さんを連れていらっしゃい。 Kondo wa imōtosan wo tsurete irasshai. Neem de volgende keer je zus mee. ¶ さんによろしくね。 Imōtosan ni yoroshiku ne. Doe de groetjes aan je zus. (TTC)

(3) [zusters, zussen, zusjes] shimai; [oudere zus en jongere broer] 姉弟 kyōdai;[oudere broer en jongere zus] 兄妹 kyōdai; [broer en zus] 兄姉 kyōdai; [broers of broer en zus] 兄弟 kyōdai.

(4) [verpleegster] 看護婦 kangofu; [verpleger m/v] 看護士 kangoshi.

(5) [non] 修道女 shūdōjo; 修道尼 shūdōni; 尼僧 nisō.

TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Minami Hiroshi╱De psychologie van Japanners 〈61:12-15〉南博『日本人の心理』
忍從精神を、徹底的に説いたこの修養書を、益軒は『訓』とよんだのである。ではどんな目にあっても「一體人間とはこんなものだと思い我慢して」、怒らないで居て、「得る心境達するには、どうしたらいいのか。それはあまり書いてない。とにかく我慢していればよいことがあるという、一種の結果論であって、それ以外理由はない。

Ninjū no seishin wo, tetteiteki ni toita kono shūyōsho wo, Ekiken wa, /Raku-Kun/ to yonda no de aru. De wa, donna me ni atte mo ‘ittai ni ningen to wa konna mono da to omoigamansite’, okoranaide ite, ‘raku wo eru’ shinkyō ni tassuru ni wa, dō shitara ii no ka. Sore wa amari kaite nai. Tonikaku gamanshite ireba yoi koto ga aru to yū, isshu no kekkaron de atte, sore igai ni riyū wa nai.

Het lesboek waarin Ekiken de geest van onderwerping grondig uitlegt heet /Instructies voor gemak/. Echter, wat moet je doen om voor elkaar moet krijgen dat je onder alle omstandigheden ‘dingen verdraagt met de gedachte dat mensen nu eenmaal zijn zoals ze zijn’, en zonder je op te winden een gemoedstoestand van ‘gemak bereikt’? Dat schrijft hij niet echt. Hij zegt dat je iets goeds zult hebben wanneer je op een of andere manier volhoudt - een soort redenatie die uitgaat van de uitkomst, anders dan dat is er geen verklaring.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <doen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
持ち切る mochikiru (1) voortduren; aanhouden; (2) hét onderwerp van gesprek zijn; er de hele tijd over praten; over niets anders praten dan; ; (1) blijven dragen; (2) alles dragen; (3) behouden; in stand houden; handhaven; doen; laten voortduren
申す mousu (1) zeggen; heten; noemen; meedelen; kond doen van; (2) doen; verrichten; [politiek] bedrijven; (3) verzoeken; vragen (om)
申し上げる moushiageru (1) zeggen; verklaren; meedelen; betuigen; betonen; (2) doen; verrichten; [uitleg] geven; [een dienst] bewijzen
貰う morau laten ~; doen ~; gedaan krijgen; ; krijgen; ontvangen; verkrijgen; bekomen; verwerven; behalen; boeken; scoren; in ontvangst nemen; winnen; [in zijn gezin] opnemen; [tot vrouw] nemen; tot zijn eigendom maken; [een infectie] opdoen; oplopen
掃除する soujisuru schoonmaken; reinigen; in orde brengen; redderen; opredderen; opknappen; uitmesten; [pregn.] doen; [pregn.] een beurt geven; [veroud.] netten; [i.h.b.] poetsen; schoondweilen; vegen; aanvegen; afstoffen; schrobben; [gew.] hemelen
沿う sou (1) parallel lopen met; lopen langs; langs de rand gaan van; (2) volgen; in overeenstemming zijn met; overeenkomen met; in overeenkomst zijn met; sporen met; op één lijn zijn met; doen; zijn volgens ~
手配する tehaisuru opsporen; op de gezochtenlijst zetten; ; een regeling treffen; maatregelen nemen; treffen; voorzieningen treffen; stappen ondernemen; doen; voorzorgen nemen; voorbereidingen treffen; schikkingen treffen; toebereidselen maken; zich voorbereiden
為る suru (1) zich voordoen; gebeuren; plaatsvinden; (2) verstrijken; voorbijgaan; verlopen [voorafgegaan door een meishi die een bep. tijdseenheid aanduidt]; (3) bedragen; kosten; waard zijn [voorafgegaan door een meishi die een bep. waarde, bedrag aanduidt]; (4) beslissen; besluiten; ervoor kiezen [in de constructie … to suru …とする of … ni suru …にする]; (5) hebben; merken; voelen [m.b.t. gewaarwording; in de constructie … ga suru …がする]; ; (1) doen; begaan; maken; verrichten; aanvangen; aandoen; uitvoeren; bedrijven; uitoefenen; beoefenen; praktiseren; doen (aan); [m.b.t. zaak, winkel enz.] runnen; (2) [van beroep …] zijn; werken (als); dienst doen (als); [m.b.t. ambt] waarnemen [in de constructie … o suru …をする]; (3) maken; maken (tot); [er een … van] maken [in de constructie … ni suru …にする]; (4) gebruiken als; bezigen als; doen dienen als [in de constructie … ni suru …にする]; (5) 10. vinden; achten; beschouwen; aanzien; dunken [in de constructie … to suru …とする]; (6) 11. (ver)onderstellen (dat); aannemen (dat); stellen (dat) [in de constructie … to suru …とする]; (7) 12. aandoen; dragen [m.b.t. kledingstuk]; (8) 13. hebben; zijn [m.b.t. een bep. vorm, toestand enz.]
su (1) zijn; bestaan; (2) zich voordoen; gebeuren; voorkomen; voorvallen; ; (1) doen; verrichten; bedrijven; (2) […~] doen; plegen; (3) in een bep. toestand brengen; maken tot; (4) […~] beschouwen; vinden; achten
好き suki (1) houden van; graag hebben; doen; (graag) lusten; leuk vinden; (graag) mogen; bevallen; aanspreken; gesteld zijn op; een …-liefhebber zijn; (2) favoriet; lievelings-; geliefkoosd; geliefd; (3) nieuwsgierig; excentriek; [i.h.b.] wellustig; (4) zoals men het wil; zo … men maar wil
動く ugoku (1) bewegen; zich bewegen; in beweging zijn; (2) van plaats veranderen; van positie veranderen; zich verplaatsen; (3) schommelen; wiegen; heen en weer bewegen; schudden; (4) [m.b.t. machine; toestel] lopen; aan staan; werken; in werking zijn; aangeschakeld zijn; functioneren; gaan; (5) handelen; doen; actief zijn; werken; bezig zijn; onledig zijn; in de weer zijn; in het getouw zijn; (6) beïnvloed worden; een invloed ondergaan; beheerst worden; wankelen; fluctueren; schommelen; (7) ontroerd zijn; geroerd zijn; onder de indruk zijn; getroffen zijn; geraakt zijn; geëmotioneerd zijn; (8) veranderen; veranderd worden; zich wijzigen; een wijziging ondergaan; (9) overgeplaatst worden [naar een andere positie; werkplaats]; een andere standplaats krijgen
致す itasu (1) doen; verrichten; (2) teweegbrengen; doen ontstaan; veroorzaken
一服する ippukusuru (1) een kop thee drinken; nemen; [inform.] een bakkie doen; (2) eentje roken; een trekje nemen; doen; (3) kort onderbreken; adempauze nemen; een korte pauze inlassen; wat rust nemen; even rusten; [i.h.b.] een rookpauze; theepauze; koffiepauze inlassen; (4) [株式の買いが] kalm verlopen
下す kudasu (1) neerlaten; laten zakken; strijken; (2) geven; schenken; verlenen; toekennen; (3) [命令を] uitvaardigen; [判決を] uitspreken; vellen; strijken; [結論を] trekken; (4) [自ら手を] doen; uitvoeren; verrichten; (5) [おなかを] buikloop; diarree hebben; [虫を] wormen hebben; (6) [敵を] verslaan; winnen van; overwinnen; kloppen
芸をする geiwosuru [犬が] kunstjes vertonen; doen
諂う hetsurau slijmen; vleien; ophemelen; bewieroken; naar de mond praten; pluimstrijken; stroopsmeren; strooplikken; gatlikken; likken; aduleren; kruiperig zijn; doen; kruipen; in de gunst proberen te komen bij; een wit voetje proberen te halen bij; zoete broodjes bakken bij; aap; wat heb je mooie jongen spelen
為す nasu (1) doen; bedrijven; begaan; plegen; beoefenen; verrichten; voeren; betrachten; (2) [van emoties: bang, boos, woest enz.] worden; (3) [fortuin, naam] maken; [zijn doel] verwezenlijken; vormen; uitmaken; (4) x tot y maken; er ~ van maken
為さる nasaru [honoratieve variant van suru en nasu] doen; verrichten; ; […(お; ご)~] [hon. hulpwerkwoord] doen; verrichten
為される nasareru [honoratieve variant van suru en nasu] doen; verrichten; ; […(お; ご)~] [hon. hulpwerkwoord] doen; verrichten
知らせる shiraseru doen; laten weten; bekendmaken; boodschappen; waarschuwen; aankondigen; notificeren; notifiëren; inlichten; informeren; onderrichten (van); berichten; melden; aanmelden; mededelen; vertellen; op de hoogte stellen (van); kenbaar maken; te kennen geven; [Belg.N.] verwittigen; in kennis stellen (van); ter kennis brengen (van); kennis geven (van); bericht geven; sturen; zenden; [lit.t.] kondschappen; [veroud., lit.t.] konden; [arch.] kond doen; maken; aangifte doen (van); aangeven; verwittigen (over); rapporteren; aanzeggen; aanzegging; aanzeg doen
手術する shujutsusuru opereren; een operatie verrichten; doen; uitvoeren; operatief ingrijpen
従事する juujisuru zich bezighouden (met); doen; in dienst zijn bij; werkzaam zijn bij; in
叙述する jojutsusuru beschrijven; afschilderen; voorstellen; schetsen; verhalen; vertellen; een relaas geven; verslag geven; doen; een beeld tonen
小便をする shoubenwosuru urineren; wateren; plassen; een plas doen; een kleine boodschap doen; [euf.] plaatsmaken; zijn behoefte doen; [euf., inform.] een kleintje doen; [kindert.] een plasje plegen; doen; [kindert.] een kleine bah doen; [kindert.] pipi doen; [♂, kindert.] piemelen; [inform.] pissen; [inform.] piesen; [inform.] sassen; [inform.] zijn water lozen; [scherts., euf.] z'n uraten lozen; [inform.] zijn water aftappen; [gew.] z'n water afslaan; [inform.] de bloemetjes water geven; [gew.] even afzetten; [gew.] miegen; [gew.] mijgen; [jachtt.] pekelen; [vulg.] zeiken; [fig., vulg.] de aardappels afgieten; [♂, volkst.] even naar het vlees kijken; [♂, volkst.] zijn zwager een hand geven; [♀, vulg.] de pruim uitwringen; [m.b.t. ongecastreerde katers] spuiten
仕返し shikaeshi (1) het overdoen; het nog eens (beter) doen; (2) wraak; weerwraak; wraakneming; het wreken; vergelding; wedervergelding; revanche; represaille; retaliatie
仕出かす shidekasu [pej.] doen; begaan; bedrijven; aanrichten; uithalen
質問する shitsumonsuru vragen; een vraag stellen; doen; ondervragen; interrogeren; [pol.] interpelleren
行動する koudousuru (1) handelen; doen; een daad verrichten; een daad stellen; optreden; in actie komen; optreden; (2) zich gedragen; een bepaald gedrag vertonen; op een welbepaalde manier handelen
熟す konasu (1) aan; in; tot gruis slaan; in stukken breken; uit elkaar doen vallen; stukbreken; brekend stukmaken; vergruizen; vergruizelen; verpulveren; verkruimelen; fijnmaken; (2) verteren; verwerken; digereren; (3) afhandelen; behandelen; [仕事を] klaren; opknappen; doen; afdoen; volbrengen; afmaken; afwerken; klaarspelen; fiksen; (4) verkopen; van de hand doen; zetten; (5) [役を] spelen; brengen; zijn rol volhouden; in zijn rol blijven
清掃する seisousuru reinigen; schoonmaken; [pregn.] werken; [pregn.] doen
せる seru (1) [causatief flexiemorfeem] doen; laten; ertoe brengen; maken dat; [i.h.b.] dwingen; (2) […せていただく; せてもらう] [flexiemorfeem dat de toegesprokene eert voor het mogen stellen van een handeling]; (3) […せられる; せたもう] [honoratief flexiemorfeem]
大好き daisuki dol (op); gek (op); verslingerd (aan); verzot (op); tuk (op); verkikkerd (op); weg (van); wild (van); stapel (op); houden van; dolgraag hebben; doen; heerlijk vinden; veel ophebben met; gepassioneerd zijn (voor); favoriet; lievelings-
足す tasu (1) optellen; een optelling maken; (2) toevoegen; bijvoegen; erbij doen; (3) aanvullen; volledig maken; [form.] suppleren; [m.b.t. tekort] bijleggen; (4) zich kwijten van; doen; verrichten; uitvoeren; vervullen; volbrengen
参らせる mairaseru [hum.] […参らせる] doen; verrichten; ; (1) vellen; afmaken; overwinnen; verslaan; kloppen; eronder krijgen; aan het kortste eind doen trekken; (2) [hum.] schenken; aanbieden; geven; aanreiken
調子 choushi (1) toon; toonhoogte; (2) tempo; ritme; (op) dreef; (op) gang; (3) stijl; [stelk.] register; manier; wijze; stemming; (4) conditie; vorm; staat (van gereedheid); toestand; (in; niet in zijn normale) doen
させる saseru (1) [causatief flexiemorfeem: drukt het doen geschieden van een handeling uit] doen; ertoe brengen; maken dat; [i.h.b.] dwingen; (2) [causatief flexiemorfeem: drukt het laten geschieden van een handeling uit] laten; toestaan dat; (3) [causatief flexiemorfeem: drukt een verzoek tot toelating uit]; (4) [honoratief; humiliatief flexiemorfeem]; ; doen doen; laten doen
果たす hatasu (1) doen; uitvoeren; ondernemen; verrichten; ten uitvoer brengen; leggen; bewerkstelligen; (2) vervullen; volbrengen; voltooien; volvoeren; voldoen; zich kwijten van; tot stand brengen; bereiken; verwezenlijken; realiseren; tot een goed einde brengen; waar maken; voor elkaar krijgen; (3) een dankbedevaart ondernemen; (4) afmaken; doden; (5) geheel ten einde toe + ww.[1]
振る舞う furumau onthalen op; trakteren op; vermaken met; entertainen met; ; zich gedragen (als); ~ te werk gaan; (-ig) doen; zich ~ kwijten
塞ぐ fusagu (1) afsluiten; dichten; dichtmaken; afdichten; afstoppen; dichtgooien; toegooien; stoppen; vullen; dempen; plempen; dichtstoppen; verstoppen; toestoppen; toedammen; opvullen; opstoppen; opproppen; stremmen; versperren; [veroud.] sperren; blokkeren; belemmeren; obstrueren; (2) de handen voor [z'n ogen, oren, mond enz.] houden; met z'n handen afdekken; bedekken; (3) [de deur e.d.] sluiten; dichtdoen; toedoen; toesluiten; (4) [plicht e.d.] vervullen; doen; voldoen; volbrengen; betrachten; (5) [tijd, plaats e.d.] in beslag nemen; innemen; beslaan; bezetten; ; versomberen; in de put raken; zich depri gaan voelen; depressief worden; ontmoedigd raken; mismoedig worden; terneergedrukt raken; gedeprimeerd raken; down raken
行う okonau (1) doen; handelen; aanvangen; (2) zich gedragen; (3) uitvoeren; volbrengen; tot uitvoering brengen; toepassen; implementeren; verwezenlijken; effectueren; (4) [取り締まりを] uitoefenen; [法律を] opleggen; in werking stellen; doen uitvoeren; [研究を] voeren; leiden; bedrijven; (5) [会議; 葬式; 祭りを] houden; [儀式を] uitvoeren; opvoeren; vieren; celebreren; voltrekken
侵す okasu (1) [国を] binnenvallen; een inval doen in; binnendringen; [国境; 領域を] schenden; (2) [権利を] inbreuk plegen; doen; maken op; krenken; schenden; aantasten; in z'n rechten benadelen; een aanslag doen op
犯す okasu (1) [m.b.t. zonde, ondeugd, misdrijf, wandaad etc.] begaan; plegen; [iets slechts of nadeligs] doen; (2) schenden; verbreken; overtreden; inbreuk maken op; zich niet houden aan; met voeten treden; (3) trotseren; uitdagen; in de wind slaan; negeren; zich niets aantrekken van; (4) aanranden; aanvallen; verkrachten; onteren; te na komen
往診する oushinsuru een bezoek aan huis brengen; een huisbezoek afleggen; visites rijden; doen
観光する kankousuru bezienswaardigheden bezoeken; doen; aan sightseeing doen; sightseeën; een toeristische uitstap; trip maken; toeren
敢行する kankousuru gedecideerd; vastberaden optreden; fors ingrijpen; ; (1) durven; aandurven; wagen; het lef hebben te; (2) uitvoeren; verrichten; doen; ten uitvoer brengen; ten uitvoer leggen; implementeren
遊ばす asubasu [♀] [honoratieve variant van suru] doen; verrichten; ; [♀] […お~] [hon. hulpwerkwoord] doen; verrichten
遊ばす asobasu […お; ご~] [hon. hulpwerkwoord] doen; verrichten; ; (1) laten spelen; doen spelen; (2) ongebruikt; onbenut; onaangesproken laten; braak laten liggen; laten rusten; [金を] laten verinteresten; (3) [honoratieve variant van suru] zich verwaardigen te doen; niet beneden zich achten te; zo goed; vriendelijk zijn te; (4) [音楽を] musiceren; [楽器を] bespelen; (5) [詩歌を] dichten; (6) [字; 文を] schrijven
上げる ageru (1) heffen; opheffen; omhoogheffen; verheffen; oprichten; tillen; optillen; omhoogtillen; omhoogbrengen; liften; verhogen; eleveren; [凧を] oplaten; opsteken; [棚に] leggen op; opleggen; [帆を] hijsen; ophijsen; omhooghijsen; opbrengen; opvissen; [碇を] lichten; hieuwen; [陸に] landen; aan land zetten; [顔を] opkijken; (2) loven; prijzen; roemen; huldigen; ophemelen; hoog opgeven van; (3) opvoeren; doen toenemen; optrekken; opjagen; opdrijven; [温度を] hoger zetten; [スピードを] vergroten; (4) bevorderen; promoveren; (5) overgeven; braken; opgeven; kotsen; vomeren; over z'n nek gaan; [gew.] opbrengen; (6) [客を] binnenlaten; inlaten; brengen; leiden naar; geleiden; (7) [学校へ] op school doen; (8) geven; aanbieden; toedienen; offreren; schenken; voorzetten; [娘を] wegschenken; (9) offeren; ten offer brengen; (10) 10. overhandigen; ter hand stellen; reiken; overreiken; (11) 11. ten einde brengen; afdoen; afwerken; volbrengen; voltooien; (12) 12. klaarspelen; gedaan weten te krijgen; (13) 13. [式を] houden; vieren; celebreren; fêteren; (14) 14. [例を] geven; vermelden; noemen; aanhalen; citeren; aanvoeren; leveren; opnoemen; opsommen; opgeven; opvissen; (15) 15. [子を] krijgen; [母が] het leven schenken; baren; [父が] verwekken; (16) 16. verbeteren; ontwikkelen; ontplooien; (17) 17. [髪を] doen; opmaken; opsteken; kappen; (18) 18. aanhouden; pakken; oppakken; vatten; inrekenen; snappen; in hechtenis nemen; in de kraag grijpen; arresteren; (19) 19. [芸者を] bestellen; laten komen; erbij halen; uitnodigen; ontbieden; engageren; (20) 20. frituren; in kokend vet bakken; braden; [gew.] fritten; (21) 21. [結果を] behalen; bereiken; verkrijgen; verwerven; realiseren
歩み出す ayumidasu een stap zetten; doen; het op een stappen zetten; beginnen te stappen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.4 sec. jiten.nl: 35 treffers, warandict: 49 treffers (zoekopdracht: 'doen', strategie: exact). 
2005-2019