日蘭辭典+

36 resultaten voor ‘dragen’
日蘭辭典 (trefwoord)
yashinau養ふ
(養う) t.w. (1) [養育] verzorgen; grootbrengen; opvoeden. (2) [給養] onderhouden; i.w. in het onderhoud voorzien van; den kost verdienen voor. t.w. (3) [飼ふ] houden. i.w. (4) [飼養] eten geven; t.w. voeden. t.w. (5) [精神を] kweeken; cultiveeren. ¶ 病を養ふ herstellen; voor zijn gezondheid zorg dragen.
itadaku戴く
t.w. (1) [冠る] opzetten; dragen; op het hoofd hebben; i.w. bedekt zijn met. t.w. (2) [貰ふ] ontvangen; aanvaarden; krijgen. (3) [食ふ又は飮む] eten; drinken; gebruiken. i.w. [治者を] geregeerd worden door; t.w. boven zich hebben. ¶ 帽を戴く een hoed dragen. ¶ 水を一杯戴きます mag ik een glas water hebben? ¶ 戸を閉めて戴きませう zou u de deur dicht willen doen?
kanō化膿
zn. ettering v.; ettervorming v. ¶ 化膿する etteren; dragen.
haiyō suru佩用する
t.w. dragen (動章等を).
kōmuru蒙る
t.w. (1) [受ける] krijgen; ontvangen. (2) [損害等を] lijden; ondergaan. (3) [被る] dragen. ¶ を蒙る gunsten ontvangen. ¶ を蒙る beschuldigd worden. ¶ 損害を蒙る verlies leiden. ¶ を蒙る straf ondergaan.
owasu負はす
(負わす) t.w. (1) [擔はす] een ander doen dragen. (2) [負擔さす] beschuldigen; ten laste leggen. ¶ 傷を負はす wond toebregen.
SUPPLEMENT (trefwoord)
nuigurumi縫いぐるみ
(縫い包み) zn. (1) Iets dat gevuld is met iets en dichtgenaaid. Met name poppen die gevuld zijn met katoen, bijvoorbeeld een knuffelbeer. ¶ 縫いぐるみ人形 een (zachte) pop. ¶ クマの縫いぐるみ Teddy beer; een knuffel. (2) Een speciaal kostuum dat een acteur in een toneelopvoering aantrekt om een dier te spelen. ¶ の縫いぐるみを着る een berenkostuum dragen.
teishō提唱
(zn., suru-ww) (1) Het bepleiten [voorstellen; voorstaan; voorstellen; verdedigen; presenteren] van een zaak; voorstel; verdediging; presentatie. ¶ 提唱する teishōsuru [een zaak; iets] bepleiten; voorstaan; voorstellen; verdedigen; presenteren. ¶ 提唱者 teishōsha voorsteller; pleiter; verdediger; presentator. ¶ 彼の学説が初めて提唱されたは、それを信じなかった。 Kare no gakusetsu ga hajimete teishōsareta toki wa, dare mo sore wo shinjinakatta. Toen zijn theorie voor het eerst werd gepresenteerd vond die geen enkele steun. ¶ 電力不足対策のスーパークールビズとして、ポロシャツやアロハシャツの着用が提唱された。Denryokubusoku taisaku no sūpākūrubizu to shite, poroshatsu ya arohashatsu no chakuyō ga teishōsarete. In het kader van de Super Cool Biz maatregel voor het bestrijden van energietekorten werd het dragen van poloshirts en alohashirts [hawaïshirts] bepleit. [NB Cool Biz en later Super Cool Biz waren initiatieven van de Japanse overheid om bedrijven te stimuleren het mogelijk te maken om de airco op een lagere temperatuur zetten door werknemers zich luchtiger te laten kleden] (2) (a) Het uitleggen [verklaren; uiteenzetten; behandelen] van iets; uitleg; verklaring; uiteenzetting; lezing. (b) specifiek het uitleggen van de doctrines in Zenboeddhisme. ¶ 提唱する teishōsuru uitleggen; verklaren; behandelen; uiteenzetten. ¶ 禅家の提唱 Zenke no teishō Catechetische vraag voor meditatie in Zen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <dragen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
持つ motsu (1) (bij zich) hebben; houden; dragen; nemen; (2) bezitten; beschikken over; eigenaar zijn van; in eigendom hebben; toegerust zijn met; (3) koesteren; voelen; toedragen; (4) zich belasten met; verantwoordelijk zijn voor; (5) voor zijn rekening nemen; betalen; [de kosten] dragen; (6) meegaan; duren; bruikbaar blijven; duurzaam zijn; houdbaar zijn; aanhouden; (7) volhouden; [het niet lang meer] trekken; uithouden; (ver)dragen; verduren; velen
乗る noru (1) stappen op; klimmen op; bestijgen; betreden; (2) instappen; instijgen; [de bus, tram enz.] nemen; [i.h.b.] aan boord gaan; [i.h.b.] embarkeren; [een paard enz.] berijden; [i.h.b.] rijden; [op de wind enz.] varen; drijven op; gedragen worden door; [van een stem enz.] dragen; (3) harmoniëren (met); overeenstemmen (met); (4) ergens op ingaan; aangaan; ergens in trappen; vallen voor; bezwijken voor; [fig.] aanbijten; (5) goed blijven zitten; pakken; houden; hechten
吊る tsuru (1) ophangen; hangen; [m.b.t. zwaard] gorden; [m.b.t. legplank] bevestigen; [i.c.m. -ている] dragen; [i.c.m. 首を] zich ophangen; [i.c.m. 首を] zich verhangen; (2) [sumō-jargon] optillen; ; [m.b.t. wenkbrauwen e.d.] rijzen
付ける tsukeru (1) bevestigen aan; aanbrengen; aanleggen; vasthechten; vastmaken; [役馬を] spannen voor; aanhechten; hechten; [翻訳を] toevoegen; [×印を] aankruisen; [印を] afdrukken; [器具を] installeren; monteren aan; aanleggen; [接着剤で] plakken; [バター; クリーム; ジャムを] smeren; [しみを] maken; aanmaken op; (2) [傷; 跡を] achterlaten; nalaten; (3) zich eigen maken; aanleren; zich verwerven; [習慣を] zich aanwennen; [力を] opdoen; (4) [乳母を] engageren; aannemen; in de arm nemen; (5) [注意; 目を] vestigen op; [犯人; 車を] schaduwen; volgen; (6) [条件を] opleggen; [疑問符; コメント; 注文を] plaatsen; zetten; [名; 味を] geven; [実; 利子を] dragen; [点を] toekennen; (7) [料理を] opdienen; serveren; [仕事に片を] regelen; afdoen; afhandelen; zijn beslag geven; voor elkaar brengen; (8) [正札を] hechten; [値を] voorzien van; stellen op; (9) opschrijven; opnemen; noteren; aantekenen; boeken; [日記を] bijhouden; houden; (10) 10. [手を] beginnen met; aanvangen; [連絡を] opnemen; [火を] aanleggen; in brand steken
結ぶ musubu (1) binden; verbinden; vastbinden; dichtbinden; knopen; dichtknopen; vastknopen; vastleggen; vastmaken; samenbrengen; voegen; samenvoegen; verenigen; aanbinden; aaneenvoegen; aaneensluiten; aansluiten; aaneenschakelen; koppelen; samenkoppelen; in verband brengen; relateren; (2) vormen; maken; [vrucht] dragen; [vriendschap enz.] sluiten; [betrekkingen enz.] aanknopen; [een coalitie enz.] aangaan; [de handen enz.] ineenslaan; [een contract enz.] afsluiten; (3) beëindigen; besluiten; afsluiten; (4) met de handen [water enz.] scheppen; met de handen opscheppen
生み出す umidasu (1) [子を] baren; ter wereld brengen; het leven schenken aan; [卵を] leggen; (2) scheppen; voortbrengen; (3) opleveren; produceren; genereren; leveren; [利益を] geven; dragen
生む umu (1) [赤ちゃんを] baren; ter wereld brengen; het leven schenken aan; krijgen; bevallen van; [動物が子供を] jongen; werpen; [牛; 象; 鯨が子を] afkalven; [卵を] leggen; (2) voortbrengen; produceren; scheppen; doen bestaan; opleveren; opbrengen; teweegbrengen; in het leven roepen; het aanzijn geven; [lit.t.] in het aanzijn roepen; [lit.t.] tot aanzijn roepen; [疑惑を] wekken; [利子を] geven; dragen
頂く itadaku (1) (nederig) in ontvangst nemen; ontvangen; krijgen; verwerven; (2) (nederig) de gunst ontvangen; (3) eten; drinken; gebruiken; (4) geregeerd worden door; ~ boven zich hebben; ~ als overste hebben; (5) [冠を] opzetten; dragen; [山が雪を] bedekt zijn met
渡る wataru (1) oversteken; overgaan; overtrekken; [国を] doortrekken; doorwaden; overreizen; overlopen; overkomen; (2) trekken; gaan langs; overtrekken; bewegen langs; (3) verhuizen naar; heentrekken; migreren; (4) zich in het (maatschappelijk) leven bewegen; zijn weg in de wereld gaan; (5) strekken (van … tot …); zich uitstrekken over; beslaan; bestrijken; reiken; lopen (van … tot …); [音が] dragen; duren; omvatten; innemen; in beslag nemen; overspannen; overbruggen; belopen; (6) overgaan; vervallen aan; van eigenaar veranderen; van hand verwisselen; ; [RYK~] [geeft aan dat de werking van het werkwoord alom; over de hele omgeving geldt]
生る naru (vrucht) dragen; (vruchten) voortbrengen; (vruchten) leveren; (vrucht) zetten; (in de vrucht) gaan staan; [m.b.t. fruit] groeien
支払う shiharau betalen; neertellen; neerleggen; voldoen; vereffenen; contenteren; [m.b.t. rekening] gladmaken; [m.b.t. rekening] afrekenen; [inform.] dokken; [inform.] offeren; [fig., scherts., inform.] afschuiven; [i.h.b.] afbetalen; [i.h.b., inform.] afdokken; [m.b.t. een wissel] rembourseren; [m.b.t. een schuld] terugbetalen; [m.b.t. een schuld, obligaties] aflossen; [m.b.t. een schuld] honoreren; [m.b.t. een schuld] delgen; [m.b.t. een schuld] kwijten; [m.b.t. een schuld] afdoen; [m.b.t. een schuld] afkomen; [m.b.t. rente] vergoeden; [m.b.t. loon] uitbetalen; uitkeren; [fig.] uittellen; [m.b.t. kosten] dragen; bekostigen; [uitdr.] voor zijn rekening nemen; [uitdr.] over de brug komen; [uitdr.] zijn beurs; portemonnee trekken; [fig.] overkomen; [Barg.] roeren; [Barg.] besjollemen
生じる shoujiru teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; dragen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren; ; (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); uitgaan van; resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten
凌ぐ shinogu (1) verdragen; uitstaan; dragen; verduren; [急場を] doorstaan; doorkomen; overleven; (2) afwenden; van zich af houden; beschermen tegen; afweren; weghouden; op een afstand houden; buiten houden; (3) overtreffen; te boven gaan; uitsteken boven
背負う seou (1) op de rug nemen; dragen; (2) op zich laden; op zich nemen; zich belasten met; dragen; zich beladen met
背負える seoeru (1) op de rug kunnen nemen; dragen; (2) op zich kunnen laden; op zich kunnen nemen; zich kunnen belasten met; kunnen dragen; zich kunnen beladen met
通る tooru (1) passeren; erdoorheen geraken; erdoor raken; erdoor(heen) komen; erdoor(heen) gaan; erdoor(heen) dringen; doorbreken; doordringen; doorgaan; doorkomen; doortrekken; doorsteken; doorlopen; lopen over; [lit.t.] doorvaren; penetreren; [m.b.t. stem] dragen; [m.b.t. schoorsteen] trekken; (2) passeren; gaan via; voorbijtrekken; langskomen; langsgaan; langslopen; langstrekken; voorbijgaan; voorbijkomen; voorbijlopen; voorbijstromen; circuleren; (3) doorgaan voor; passeren voor; gangbaar zijn; bekend staan (als; onder de naam van enz.); gelden als; (4) door de beugel kunnen; slagen; [m.b.t. wetsvoorstel] aangenomen worden; aanvaard worden; aanvaardbaar zijn; steek houden
抱っこ dakko [kindert.] het oppakken; het in de armen houden; dragen
抱っこする dakkosuru oppakken; in de armen houden; dragen
下げる sageru (1) lager maken; doen zakken; neerlaten; laten zakken; [m.b.t. hoofd] buigen; (2) hangen; ophangen; neerhangen; laten hangen; [i.h.b.] uithangen; [m.b.t. wapen, zwaard e.d.] dragen; (3) [m.b.t. tafel] afruimen; afnemen; leegruimen; opruimen; vrijmaken; (4) meer naar achteren zetten; achteruitzetten; achteruit plaatsen; achteruit doen; [m.b.t. wagen] achteruitrijden; (5) [m.b.t. spaargeld enz.] opnemen; (laten) afschrijven; (6) [m.b.t. niveau, graad, waarde e.d.] verlagen; laten zakken; doen dalen; doen afnemen; verminderen; naar beneden halen; reduceren; neerhalen; [i.h.b.] depreciëren; [i.h.b.] degraderen; [i.h.b.] declasseren
支える sasaeru (1) steunen; ondersteunen; stutten; schragen; dragen; overeind houden; op de been houden; (2) op een afstand houden; afhouden; bedwingen; in bedwang; toom houden; (3) onderhouden; in stand houden; voorzien in de levensbehoeften van
召す mesu (1) ontbieden; roepen; willen zien; (2) [コートを] aantrekken; dragen; aandoen; (3) [お風呂を] een bad nemen; baden; (4) [お風邪を] kou vatten; (5) [お年を] in jaren vorderen; (6) [乗り物を] een vervoermiddel nemen; (7) kopen; (8) [お気に] gelukkig; blij zijn met; aanstaan; bevallen; bekoren
含む fukumu (1) bevatten; inhouden; insluiten; begrijpen; includeren; omvatten; behelzen; omvangen; impliceren; (2) [in z'n mond, in gedachten enz.] houden; koesteren; dragen; hebben; erop nahouden; (3) een zweem van ~ hebben
負担する futansuru zich belasten met; dragen; op zich nemen; op zich laden; voor zijn rekening nemen
冒す okasu (1) trotseren; tarten; uitdagen; het hoofd bieden; braveren; [危険を] lopen; riskeren; wagen; op het spel zetten; in de waagschaal stellen; (2) [geneesk.] aantasten; schaden; treffen; (3) schenden; ontheiligen; profaneren; ontwijden; desacraliseren; violeren; afbreuk doen aan; lasteren; [veroud., lit.t.] schennen; (4) [姓を] aannemen; voeren; dragen; [i.h.b.] claimen; usurperen; zich aanmatigen; zich uitgeven voor
帯びる obiru (1) [刀を] dragen; aangorden; aandoen; om het middel (vast)binden; (2) belast zijn met; als toegewezen taak hebben; verantwoordelijk zijn voor; (3) een zweem hebben van; over zich hebben; dragen; [形状を] aannemen
負う ou (1) op de rug nemen; tillen; dragen; torsen; (2) [責任を] zich belasten met; aanvaarden; dragen; op zich laden; nemen; zich aansprakelijk stellen; (3) [恩人に] schuldig; verplicht; verschuldigd; schuldplichtig zijn; in het krijt staan bij; (4) [傷を] oplopen
抱える kakaeru (1) in zijn armen houden; vasthouden; dragen; (2) inhuren; aannemen; (te verzorgen) hebben; (ten laste) hebben
被る kaburu (1) [帽子を] opzetten; opdoen; dragen; (2) [罪を] op zich nemen; (3) bedolven raken onder; (4) falen; (5) [泥を] het vuile werk; smerige karweitje opknappen voor; de kar trekken; zich voor iemands karretje laten spannen; de kastanjes voor een ander uit het vuur halen; slepen; de schuld op zich nemen; er voor een ander opdraaien
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.43 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 28 treffers (zoekopdracht: 'dragen', strategie: exact). 
2005-2019