日蘭辭典+

38 resultaten voor ‘eten’
日蘭辭典 (trefwoord)
taberu食べる
t.w. eten. ¶ 食べられない oneetbaar.
kuu食ふ
t.w. (1) [食す] eten. i.w. (2) [生活] leven van; zich voeden met. t.w. (3) 咬つく bijten. ¶ 叱言を食ふ een standje krijgen.
amari餘り
(余り) zn. (1) [以上] meerdere o.; overmaat v. (2) [殘餘] rest v.; restant v.; overschot o.; teveel o. (3) [差額] saldo o. ¶ 悲しさの餘り overmaat van smart. ¶ 四十餘り over de veertig. ¶ 食事の餘り overblijfselen van eten. ¶ 餘りはお前にやる je mag de rest houden. (俗) laat maar zitten. ¶ 餘りの resteerend; waardeloos.
ariawase有合せ
(有り合わせ) zn. dat, wat voorhanden is. ¶ 有合せの食べる eten ,,a la fortune du pot’’ (佛語): eten wat de pot schaft.
assarishitaあっさりした
bn. net; eenvoudig; licht. ¶ あっさりした食事 eenvoudig eten; lichte maaltijd; burgerpot. ¶ あっさりした家 een net huisje. ¶ あっさりした繪 een eenvoudig schilderijtje. ¶ あっさりした een gedekte kleur; een niet opvallende kleur. ¶ あっさりと言ふ rondweg zeggen; ronduit zeggen.
agarimono上り物
(上がり物) zn. (1) [收穫] opbrengst v.; productie v. (2) [食物] eten o.; spijs v.
yashinau養ふ
(養う) t.w. (1) [養育] verzorgen; grootbrengen; opvoeden. (2) [給養] onderhouden; i.w. in het onderhoud voorzien van; den kost verdienen voor. t.w. (3) [飼ふ] houden. i.w. (4) [飼養] eten geven; t.w. voeden. t.w. (5) [精神を] kweeken; cultiveeren. ¶ 病を養ふ herstellen; voor zijn gezondheid zorg dragen.
itadaku戴く
t.w. (1) [冠る] opzetten; dragen; op het hoofd hebben; i.w. bedekt zijn met. t.w. (2) [貰ふ] ontvangen; aanvaarden; krijgen. (3) [食ふ又は飮む] eten; drinken; gebruiken. i.w. [治者を] geregeerd worden door; t.w. boven zich hebben. ¶ 帽を戴く een hoed dragen. ¶ 水を一杯戴きます mag ik een glas water hebben? ¶ 戸を閉めて戴きませう zou u de deur dicht willen doen?
to
vw. (1) [及び] en. bw. (2) [さうすると] dan. (3) [假定] indien; als. vz. (4) [一緖に] met. (5) [丁度其時] wanneer; zoodra; toen. ¶ 犬と猫 honden en katten. ¶ 英國との同盟 verbond met Engeland. ¶ 友達と別れる scheiden van zijn vrienden. ¶ 食事が終わると als we klaar zijn met eten; zoodra het eten afgelopen is. ¶ あの人が君の叔父さんと思った ik zag dien man voor je oom aan; ik dacht, dat het je oom was.
dekiru出來る
(出来る) i.w. (1) [仕上がる] gereed zijn; voltooid zijn. (2) [製造] gemaakt zijn; vervaardigd zijn. (3) [生長] groeien. (4) [出産] geboren zijn. (5) [發生] voorkomen; gebeuren; voortspruiten uit. (6) [熟達] bekwaam zijn in; goed kennen. (7) [能] kunnen; in staat zijn. ¶ 出來るなら zoo mogelijk. ¶ 出來るだけ zoo veel mogelijk. ¶ 出來る限りで met alle macht. ¶ 御飯が出來ました het eten is klaar. ¶ 此の卓子は能く出來て居る deze tafel is goed gemaakt. ¶ 松はことによく出來る denneboomen groeien hier goed. ¶ コレラ患者に出來た er is een geval van cholera aan boord voorgekomen. ¶ 蘭語出來る hij kent Hollandsch. ¶ 十步くことが出來る tien mijl kunnen lopen.
soto
zn. buitenkant m. ¶ buiten; buitenshuis. ¶ より見る door het raam naar buiten kijken. ¶ 食事する buitenshuis eten. ¶ 出る naar buiten gaan.
hikaeru控へる
(控える) t.w. (1) [書き留める] noteeren; aanteekenen. (2) [抑制] beperken; bedwingen.; i.w. zich onthouden van. i.w. (3) [待つ] wachten. ¶ 食物を控へる matig zijn inhet eten. ¶ そのこと今日控へて居た ik het er tot dusverre over gezwegen. ¶ 控へろ houd je mond!; zwijg! ¶ は急ぎの用事を控へて居る ik heb dringende bezigheden. ¶ に控へて居る in de kamer ernaast wachten. ¶ 手編を控へる de teugels inhouden.
hazu
(はず) zn. noodzakelijkheid v.; wenschelijkheid v.; verplichting v. ¶ 行く筈だ ik dien wel te gaan; ik behoor te gaan. ¶ 知らぬ筈はない hij behoort het te weten. ¶ が晚餐に來る筈だ ik krijg mijn moeder te eten; mijn moeder komt vanavond eten. ¶ ひとりでにこはれる筈はない het kan niet vanzelf gebroken zijn.
SUPPLEMENT (trefwoord)
makanaitsuki賄い付き
(賄付、賄附) zn. (bij een verblijf in bijvoorbeeld een hotel) met maaltijden inbegrepen. ¶ 賄い付きの下宿 makanaitsuki no geshuku logies met maaltijden inbegrepen.
SUPPLEMENT (trefwoord)
smakelijk

(bn, bw)
(1) (lekker, van eten) oishii おいしい [美味しい]; umai うまい [美味い, 甘い]; aji no ii 味のいい; aji no yoi 味のよい [味の良い]. ¶ Het ziet er smakelijk uit. Oishisoo desu. おいしそうです。
(1b) (vaste uitdrukking) Smakelijk eten! [Eet smakelijk!] doozo meshiagare どうぞ召し上がれ (informeel; niet universeel gebruikt; bet. ongeveer “begin gerust met eten”); doozo o-meshiagari kudasai どうぞお召し上がりください (formeel); go-yukkiri doozo [doozo go-yukkiri] ごゆっくりどうぞ [どうぞごゆっくり] (bet. ongeveer “eet op uw gemak”; alleen gebruikt door personeel in restaurants en dergelijke, niet in huishoudens); doozo (bet. ongeveer “alstublieft; gaat uw gang”).
(2) (vrolijk) (vaste uitdrukking) smakelijk lachen genki yoku harau 元気よく笑う (hartelijk lachen); oogoe de warau 大声で笑う (luid lachen); yooki ni warau 陽気に笑う (levendig lachen).
(3) (soort van verhaal of wijze van vertellen: smeuïg; interessant; fatsoenlijk). ¶ Hij kan het smakelijk vertellen. Kare wa hanashi ga umai. うまい

De Nederlandse uitdrukking “eet smakelijk” of “smakelijk eten” heeft geen exacte Japanse tegenhanger. De uitdrukking doozo meshiagare staat ongeveer voor “begin gerust met eten” (bijvoorbeeld in reactie op itadakimasu, zie hieronder), maar het is niet iets wat steevast door iedereen wordt gezegd. Het woordje doozo (dat in veel situaties gebruikt wordt) betekent zoiets als “alstublieft; alsjeblieft; gaat uw gang; ga je gang”. Het kan op zichzelf gebruikt worden als aansporing, of in plaats van een langere uitdrukking.

In een restaurant zal het personeel de vaste uitdrukking go-yukkiri gebruiken (yukkiri betekent “langzaam,” go-yukkiri impliceert in deze context “eet u op uw gemak”) weer in combinatie met doozo (of alleen doozo).

Standaard gebruikt vrijwel iedereen in een huishouden aan tafel de uitdrukking itadakimasu いただきます, maar dat betekent letterlijk zoiets als “ik ontvang dit met respect” en wordt gewoonlijk gecombineerd met het in gebed samenvouwen van de handen en een korte buiging of een knikje van het hoofd. Voor een gast is het zeer onbeleefd om itadakimasu achterwege te laten. De uitdruking kan ook gebruikt worden als bedankje bij het geserveerd krijgen van iets eenvoudigs als thee, of bij ontvangst van een kadootje van iemand buiten de familie of van iemand van hogere status. Na het afronden van het maal kan men bedanken met de uitdrukking: gochisoosama ごちそうさま, of gochisoosama deshita ごちそうさまでした.

[Dit lemma gebruikt oo-spelling.]

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <eten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
飲む nomu (1) drinken; innemen; nemen; nuttigen; gebruiken; tot zich nemen; [een pilletje enz.] slikken; [van soep enz.] eten; [i.h.b.] zwelgen; [drank] naar binnen werken; [in Ind.] minoemen; [uitdr.] de keel dopen; [uitdr.] de keel smeren; [uitdr.] de beker lichten; (2) [een sigaretje enz.] roken; [de adem enz.] inhouden; (3) [fig.] verzwelgen; opslokken; opslorpen
頂く itadaku (1) (nederig) in ontvangst nemen; ontvangen; krijgen; verwerven; (2) (nederig) de gunst ontvangen; (3) eten; drinken; gebruiken; (4) geregeerd worden door; ~ boven zich hebben; ~ als overste hebben; (5) [冠を] opzetten; dragen; [山が雪を] bedekt zijn met
食う kuu (1) eten; [牛が生草を] grazen; afgrazen; (2) leven; zich voeden; (3) veel verbruiken; veel verteren; veel consumeren; (4) bijten; happen; de tanden zetten in; (5) ergens in trappen; zich om de tuin laten leiden; zich laten beetnemen; zich te grazen laten nemen; zich laten foppen; zich laten beduvelen; zich in het ootje laten nemen; (6) overwinnen; verslaan; (de tegenstander) opvreten
食い物 kuimono (1) eten; voedsel; (2) prooi; slachtoffer
下さる kudasaru (1) geven; schenken; (2) eten; drinken; (3) zo goed zijn te ~; zo vriendelijk zijn te ~; de welwillendheid hebben om ~
下される kudasareru (1) geven; schenken; (2) eten; drinken; (3) zo goed zijn te ~; zo vriendelijk zijn te ~; de welwillendheid hebben te ~
認める shitatameru (1) neerschrijven; opschrijven; optekenen; schrijven; noteren; op papier zetten; brengen; opstellen; maken; (2) eten; nuttigen; (3) ordenen; schikken; (4) voorbereiden; (5) [hofdamesjargon] koken
食事 shokuji maal; eten; maaltijd; [i.h.b.] dieet; [Belg.N., veroud.] eetmaal
食事する shokujisuru eten; een maaltijd gebruiken; schaften
食物 shokumotsu voedsel; kost; eten; voeding; spijs
食べ物 tabemono eetwaar; voedsel; eten; kost; spijs; voeding; voedingsmiddel; voedingsartikel; hapje; [i.h.b.] dieet; [inform.] voer; [inform.] vreten; [inform.] bikken
食べる taberu (1) eten; opeten; consumeren; gebruiken; nemen; nuttigen; verorberen; naar binnen werken; wegwerken; [inform.] bikken; [inform.] binnenslaan; [i.h.b.] zich voeden met; [uitdr.] de inwendige mens versterken; (2) de kost verdienen; aan de kost komen; in zijn onderhoud voorzien; leven (van)
奉る tatematsuru (1) laten aanbieden; doen geven; (2) sturen; afvaardigen; zenden; ; (1) [hum.] aanbieden; schenken; offreren; offeren; presenteren; verschaffen; [w.g.] reiken; (2) [scherts.] geven; opgeven; (3) pro forma benoemen; eershalve aanstellen; (4) [hon.] nuttigen; gebruiken; eten; drinken; nemen; innemen; (5) [hon.] aantrekken; omdoen; (6) [hon.] instappen; instijgen; ; […~] [hum. hulpwerkwoord]
料理 ryouri (1) het koken; keuken; eten; kost; gerecht; schotel; kook-; (2) behandeling; afhandeling; verwerking
喫する kissuru (1) eten; nuttigen; (2) [茶を] drinken; (3) [たばこを] roken; (4) [惨敗を] lijden; oplopen; ondergaan; zich op de hals halen; incasseren; (5) [honkb.] [三振を] uitgeslagen worden
遣る; 行る yaru 19. [een handeling doen, verrichten]; ; (1) sturen; laten gaan; doen [schoolgaan enz.]; (2) [m.b.t. een voertuig] voortbewegen; vooruit doen gaan; vooruit laten gaan; aan de gang brengen; rijden; (3) richten; [een fooi enz.] geven; [dieren] voeren; (4) ter arbitrage toevertrouwen; (5) [zijn ongenoegen, gemoed e.d.] luchten; [door drinken enz.] kwijtraken; (6) gieten; [water] geven; (7) laten ontsnappen; (8) bevorderen; vooruitbrengen; (9) [m.b.t. hand] uitsteken; uitstrekken; (10) 10. een tsukeku 付句 of yariku やり句 toevoegen [idioom uit de wereld van renga 連歌 en haikai 俳諧]; (11) 11. falen; verknoeien; om zeep helpen; (12) 12. bedriegen; (13) 13. kastijden; doodslaan; (14) 14. uithuwelijken; aan de man brengen; (15) 15. nuttigen; gebruiken; [er eentje] drinken; eten; roken; (16) 16. leven; een bestaan leiden; (17) 17. doen; verrichten; [huiswerk enz.] maken; [schaak enz.] spelen; [een cursus e.d.] volgen; [~ als hoofdvak] studeren; [een tentoonstelling enz.] houden; [een stuk enz.] opvoeren; [een film enz.] vertonen; [een winkel enz.] drijven; [een beroep enz.] uitoefenen; [een toespraak enz.] afsteken; (18) 18. het doen; gemeenschap hebben; vrijen; ; (1) 20. [geeft aan dat de handeling over een verre afstand geldt]; (2) 21. [drukt de beëindiging van een handeling uit; vaak vergezeld van een negatie]; (3) 22. [drukt uit dat de handeling voor anderen verricht wordt]
meshi (1) gekookte rijst; warm eten; (2) maaltijd; maal; eten; (3) [meton.] brood; [meton.] boterham; kost; levensonderhoud
召し上がる meshiagaru gebruiken; nuttigen; tot zich nemen; eten; drinken; toetasten [formele variant van de ww. kuu 食う en nomu 飲む]
フード fuudo (1) voedsel; eten; voeding; (2) kap; capuchon; muts; kaper; (3) wasemkap; schouw; (4) beschermkap; overkapping; (5) [foto.] lenskap
ねた neta (1) materiaal; stof; ingrediënt; (2) fonds; middel; instrument; (3) gegevens; data; informatie; materiaal; (4) goed; waar; spul; artikel; product; (5) apparaat; mechaniek; toestel; instrument; (6) [volkst.] bewijs; spoor; bewijsmateriaal; (7) [Jap.barg.] maaltijd; maal; eten; voedsel; (8) [cul.] sushi-ingrediënt; [i.h.b.] vis
食す osu (1) [hon.] regeren; bestieren; besturen; leiden; (2) [hon.] eten; drinken; nuttigen; gebruiken; (3) [hon.] aantrekken; aandoen; zich uitdossen
ago (1) kaak; kaakgestel; kakement; [anat.] maxilla; [甲殻類; 昆虫類の] mandibel; [魚の] kieuw; (2) kin; (3) [道具の] bek; kaak; wangstuk; kauwwerktuig; (4) [釣針の] weerhaak; (5) maal; eten; kost; (6) kostgeld; (7) kostwinning; broodwinning; (8) logiesprijs; (9) gepraat; geklets; praat; [Belg.N.] klap; (10) 10. [dierk.] zeeduivel
上がる agaru 26. [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; ; (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙; 花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂から] uit bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価; 血圧; 気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) 10. [成績; 腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) 11. [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) 12. [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) 13. [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) 14. teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) 15. [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) 16. [双六; トランプ; マージャンで] winnen; uit zijn; (17) 17. [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈; 月経; つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [バッテリーが] het laten afweten; leeglopen; (18) 18. [魚; 貝; 虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) 19. [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) 20. [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) 21. [領地; 役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) 22. [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) 23. [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) 24. [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) 25. [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; ; (1) 27. […~] klaar-; af-; gereed-; (2) 28. […~] hevig …; intens …; compleet …; (3) 29. […~] [krachtterm]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.74 sec. jiten.nl: 15 treffers, warandict: 23 treffers (zoekopdracht: 'eten', strategie: exact). 
2005-2019