日蘭辭典+

38 resultaten voor ‘familie’
日蘭辭典 (trefwoord)
gōzoku豪族
zn. invloedrijke familie v.
shizoku氏族
zn. familie v.
ikka一家
zn. de familie v.; de geheele familie v.; een huis一家を創立する een eigen huishouden opzetten. ¶ 一家團欒の裡に in den boezem zijner famlie. ¶ 一家事情 familieomstandigheden. ¶ 一家persoonlijk inzicht.
kazoku家族
zn. familie v.; gezin o. ¶ 家族huiselijk. ¶ 家族のやうに扱ふ behandelen alsof hij van de familie was. ¶ 彼は家族多い hij heeft een groot gezin.
katei家庭
zn. huishouden o.; gezin o.; familie v. ¶ 家庭工業 huisindustrie. ¶ 家庭劇 familiedrama. ¶ 家庭教師 huisonderwijzer; gouveneur (男); gouvernante (女). ¶ 家庭生活 huiselijk leven; familieleven. ¶ 家庭藥 huismiddeltje.
ichimon一門
zn. een familie v.; een geslacht o.; de geheele familie v.; een stuk kanon (砲).
ichizoku一族
zn. een familie v.; de geheele familie v.
zoku
zn. familie v.; klasse v.; stam m.
ie
zn. (1) [屋] huis o.; woning v. (2) [家族] familie v. (3) [家庭] tehuis o.
tomonau伴ふ
i.w. (1) [連れて行く] zich doen vergezellen door; t.w. medenemen. i.w. (2) [隨伴する] vergezellen; meegaan. ¶ 人を伴ふ iemand medenemen; met iemand meegaan. ¶ 妻子を伴って met zijn familie. ¶ 時勢に伴ふ met zijn tijd meegaan. ¶ 病氣には伴ふ de ziekte gaat gepaard met koorts.
menboku面目
zn (1) [名譽] waardigheid v.; eer v. (2) [顏色] gezicht o. ¶ 面目なる zijn familie tot eer strekken. ¶ 面目關する de eer is er mede gemoeid. ¶ 面目保つ zijn eer hoog houden; (俗) zijn figuur redden. ¶ 面目失ふ een gek figuur slaan; beschaamd staan. ¶ 面目改める een geheel ander aanzien krijgen.
futoru太る
i.w. (1) [肥る] dik worden. (2) [成長する] flink groeien. (3) [豐になる] rijk worden. ¶ 肥った dik. ¶ あの家の身代は近來大分太った die familie is in den laatsten tijd zeer vermogend geworden.
kōzoku皇族
zn. keizerlijke familie v.
ka
zn. (1) [動植物] familie v. (2) [學科] afdeeling v. (3) [兵科] wapen o.
inka姻家
zn. aangetrouwde familie v.; aanverwant m.&v.
SUPPLEMENT (trefwoord)
daikazoku大家族
zn. (1) een grootfamilie (‘extended family’); een gezin dat tenminste zowel ouders, kinderen en tevens ook de grootouders omvat (ant. kerngezin) (2) een grote familie; een groot gezin.
yoroshikuよろしく、宜しく
bw. (1) goed; behoorlijk; geschikt; passend (2) [groeten overbrengen] ¶ ご家族によろしくお伝え下さいGokazoku ni yoroshiku otsutae kudasai. Doe alsjeblieft de groeten aan je gezin [familie]. ¶ お父さんによろしく。Otōsan ni yoroshiku. Doe de groeten aan je Pa. (3) [introducties, zorgen voor] ¶ こんにちは。は田中一郎です。よろしくお願いします。♂ Konnichi wa. Boku wa Tanaka Ichirō desu. Yoroshiku onegaishimasu. Hallo! Ik ben Ichiro Tanaka. Leuk jullie te ontmoeten (lett. [behandel] mij behoorlijk). ¶ 息子をよろしくお願いします。 Musuko wo yoroshiku onegaishimasu. Zorg alstublieft goed voor mijn zoon.
jibun de自分で
(frase) zelf; persoonlijk; in eigen persoon; eigenhandig. ¶ 夕飯は自分で作りました。 Yūhan wa jibun de tsukurimashita. Ik heb zelf avondeten gemaakt. ¶ 女が自分で書いたはずはない。 Kanojo wa jibun de kaita hazu wa nai. Ze kan het niet zelf geschreven hebben. ¶ それは、自分で作ったの? Sore wa, jibun de tsukutta no? Heb je het zelf gemaakt? NB De constructie met 自分で is een van de weinige in het Japans die een meervoudsvorm vraagt. ¶ なぜ、彼らが自分たち家庭から離れていくのか。 Naze, karera ga jibuntachi no katei kara hanarete iku no ka. Waarom is het dat ze hun eigen familie verlaten? (blog) (TTC) (yamasv)
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
over:lavendelラベンダー
ラベンダー rabendā (1) Lavendel (Lavandula) is een struik (低木, teiboku); is een genus/geslacht (, zoku) dat 39 bloeiende plantensoorten omvat (bloeiende planten: 被子植物, hishi shokubutsu; soort: shu; diverse soorten: 品種, hinshu); maakt deel uit van de lipbloemenfamilie (Lamiaceae) (シソ, shiso-ka). (2) kleurnaam voor een kleur paars.

¶ ラベンダー(英: Lavender)は、シソ科の背丈の低い常緑樹である。 Rabendā (ei: Lavender) wa, Shiso-ka no setake no hikui jōryokuju de aru. Lavendel (Engels: Lavender) is een groenblijvende plant van lage hoogte van de lipbloemenfamilie. ¶ 原産は地中海沿岸とされる。 Gensan wa chichūkai engan to sareru. De kusten van de Middellandse Zee worden als plaats van oorsprong beschouwd. [NB en.wikipedia.org poneerde Azië] ¶ ラベンダー色とは薄紫色を意味する。 Rabendā-iro to wa usumurasaki-iro wo imisuru. Lavendel (kleur) betekent lichtpaars (een lichtpaarse kleur). (2012/03/01)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <familie>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
素生 sujou (1) afkomst; geboorte; afstamming; familie; huize; komaf; origine; descendentie; (2) identiteit; wie men is en waar men vandaan komt; (3) (iems.) verleden; achtergrond; antecedenten; voorgeschiedenis; [fig.] vorig leven
生まれ umare (1) geboorte; (2) afkomst; afstamming; geslacht; familie; (3) karakter; aard; inborst; natuur; (4) geboorteplaats
内輪の uchiwano (1) besloten; ~ in familiekring; privé-; familie-; (2) voorzichtig; bescheiden; gematigd; moderaat
ie (1) woning; (2) huis; behuizing; thuis; [後ろの] achterhuis; (3) huishouden; familie
一家 ikka (1) familie; de gehele familie; (2) huis; huishouden; (3) stijl
ke (1) huis; (2) familie; geslacht; stamhuis
親類 shinrui familielid; verwant(e); naverwant(e); [verzameln.] bloed- en aanverwanten; [verzameln.] familie; [verzameln.] maagschap; [veroud.] nabestaande; [veroud.] naastbestaande; [veroud.] maag
親身 shinmi bloedverwant; familie; naaste verwanten; familieleden; z'n eigen vlees en bloed
親戚 shinseki familielid; verwant; verwante; naverwant; naverwante; [verzameln.] bloed- en aanverwanten; [verzameln.] familie; [verzameln.] maagschap; [veroud.] nabestaande; [veroud.] naastbestaande; [veroud.] maag
親族 shinzoku (1) familie; verwant; (2) [jur.] bloedverwanten en aanverwanten; naaste verwanten
shi x heren; ; (1) [afk.] dhr.; de heer; [afk.] M.; mijnheer; [mv., afk.] HH.; [mv.] de heren; (2) familie; geslacht; [i.h.b.] clan; ; hij; hem; [attr.] zijn
氏族 shizoku (1) clan; clangemeenschap; sibbe; [Lat.] gens; (2) familie; geslacht
toko (1) plaats; plek; (2) huis; thuis; (3) familie; afkomst; (4) moment; (5) geval; (6) […がとこ] ten bedrage van
ファミリー fuxamirii gezin; familie
家庭の kateino gezins-; familie-; het gezin; huishouden betreffend; huishoudelijk; huiselijk
家庭 katei familie; huishouden; thuis; gezin; huisgezin
家族 kazoku [maatwoord voor families]; ; familie; gezin
ka (1) a. onderverdeling; rang; soort; (2) b. [biol.] familie; (3) c. strafbaar feit; fout; schuld; (4) d. [theat.] het acteren; ; (1) [boeddh.] vraagstuk; (2) [onderw.] vak; onderdeel; (3) [onderw.] afdeling; departement; onderzoekseenheid; sectie; vakgroep; (4) item; punt; (5) [biol.] familie; (6) [jur.] onderdeel; punt van een aanklacht; onderdeel van een tenlastelegging; beschuldiging; (7) [Chin.gesch.] examenvak voor ambtenaren; examenstof; (8) [Barg.] strafblad; strafregister; eerdere veroordeling; (9) gat; hol; kuil
一筋 hitosuji (1) gewoon; normaal; gebruikelijk; (2) toegewijd; noest; ernstig; ijverig; vlijtig; (3) vlot; ongehinderd; zonder hapering; vloeiend; ; (1) lijn; streep; striem; straal; streng; (2) familie; geslacht; clan; huis; (3) kunst; vaardigheid; (4) honderd aan een snoer geregen muntstukken; (5) gewone maatregelen; gebruikelijke methode
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.5 sec. jiten.nl: 19 treffers, warandict: 19 treffers (zoekopdracht: 'familie', strategie: exact). 
2005-2019