日蘭辭典+

52 resultaten voor ‘flauw’
日蘭辭典 (trefwoord)
amai甘い
bn. (1) [甘味] zoet. (2) [淡味] flauw; laf; smakeloos. (3) [愚鈍] dwaas; mal. (4) [叱り方が] slap; niet streng genoeg. (5) [やさしい] zacht. ¶ 子供に甘い toegevend voor kinderen. ¶ 甘い物 zoetigheid.
aji
zn. (1) [食物の] smaak v. ¶ の惡い onsmakelijk. (俗) naar. ¶ の良い smakelijk; lekker. ¶ 味を見る proeven. (2) [趣] smaak v. ¶ のある smaakvol; interessant. ¶ 無き flauw. ¶ 趣のない flauw; geesteloos. ¶ のがする smaken naar.
awai淡い
bn. (1) [色] licht; flets. (2) [味] flauw; smakeloos
kabi
zn. schimmel v. ¶ 黴が生える schimmelen; beschimmelen. ¶ 黴た beschimmeld.¶ 黴臭い muf; schimmelachtig. 黴臭い洒落 afgezaagde mop.
ki
(気) zn. (1) [力] geest m.; hart o.; ziel v. (2) [質] karakter o. (3) [分] humeur o.; stemming v. (4) [傾向] neiging v.; geneigdheid v. (5) [注意] zorg v.; aandacht v. (6) [呼吸] adem m. (7) [空] lucht v.; atmosfeer v. (8) [蒸] damp m.; uitwaseming v.(9) [香] smaak m.; geur m. (10) [精] ether m. ¶ がある lust hebben; geneigd zijn. ¶ がさす ongerust zijn. ¶ が狂ふ gek worden. ¶ が違って居る niet goedwijs zijn. ¶ がふれる buiten zich zelven zijn; niet wel bij het hoofd zijn. ¶ が長い geduldig. ¶ が拔けた afgetrokken; verstrooid. ¶ が塞ぐ somber gestemd zijn; tobben; (俗) in de put zitten. ¶ が詰まる benauwd zijn. が進む volgaarne; van ganschen harte. ¶ が進まぬ geen zin hebben. ¶ が立って居る opgewonden zijn.¶ が向く geneigd zijn; lust hebben. ¶ が濟まぬ niet op zijn gemak zijn. ¶ が重くなる gedrukt zijn; somber zijn. ¶ が遠くなる bewusteloos worden; bezwijmen; flauw vallen. ¶ が咎める niet op zijn gemak zijn; zelfverwijt gevoelen. ¶ に病む ongerust zijn. ¶ ....... するになる er toe komen om; lust krijgen om. ¶ に障る hinderen; ergeren. ¶ の強い stoutmoedig; dapper. ¶ の弱い slap. ¶ の合った gelijkgezind; sympathiek. ¶ のない zouteloos; laf. ¶ の小さい kleinmoedig.¶ の狹い bekrompen; kleinzielig. ¶ 樹の大きい grootmoedig; edelmoedig (寬大); moedig. ¶ の早い driftig; opvliegend. ¶ の好い goedhartig. ¶ の利いた behendig; knap. ¶ 變り易い wispelturig. ¶ を揉む tobben; zich bezorgd maken.¶ をゆるす aandacht laten verslappen; niet goed opletten. ¶ を勵ます moedvatten. ¶ を晴らす zich ontspannen. ¶ を養ふ geest voedenを失ふ flauw vallen; bewusteloos worden; bezwijmen; bewustzijn verliezen. ¶ を探る polsen. ¶ を變へる van opinie veranderen. ¶ を配る zijn aandacht gevestigd houden op; (俗) in de gaten houden. ¶ を持つ (心をかける) zich wijden aan.¶ を長くする geduld oefenen. ¶ を拔く verslappen. ¶ を落ちつける zijn gedachten verzamelen; tot zich zelven komen. ¶ を落す den moed verliezen; den moed laten zinken. ¶ を負ふ zich laten voorstaan op; prat gaan op. ¶ を惡くする kwalijk nemen. ¶ 人のを惡くする iemand’s gevoelens kwetsen. ¶ を利かせる een wenk begrijpen. ¶ を廻す achterdocht koesteren. ¶ を附ける goed opletten; oppassen. ¶ を附け pas op !; geef acht ! (號令). ¶ は心 neem den wil voor de daad; waardeer de goede bedoeling. ¶ 何のもなしに zonder eenige (kwade) bedoeling. ¶ に懸けるな trek je er niets van aan ! ¶ あとでがついた later viel mij in ....... . ¶ が濟んだ het is mij een pak van het hart.
yowai弱い
bn. zwak; slap; teer; flauw. ¶ 弱い身體 zwak gestel. ¶ 弱い spoedig zeekziek zijn. ¶ 弱い slecht tegen drank kunnen. ¶ 弱い議論 zwak argument. ¶ の午後の弱い日光 het flauwe licht van de winternamiddag. ¶ 弱者 zwakkeling. ¶ 弱者いぢめ verdrukking der zwakken; negeraar (人); iemand, die misbruk maakt van zijn kracht om zwakkeren onrecht te doen.
kasuka微か
(かすか) bn. gering; flauw; onduidelijk; vaag. ¶ 微かな似寄り flauwe gelijkenis. ¶ その微かに覺えてゐます ik heb er een vage herinnering van; ik herinner het me flauw.
warujare惡洒落
(悪洒落, 悪戯, 悪じゃれ ) zn. ongepaste grap v.; onhebbelijkheid v.; flauwe streek m.; baldadigheid v.
fūmi風味
zn. smaak m.; geur m. ¶ 結構な風味 lekkere smaak. ¶ 薄荷の風味がする het smaakt naar pepermunt; het ruikt naar pepermunt. ¶ に風味を附ける kruiden; een smaak geven aan. ¶ 風味よき smakelijk; lekker; pittig. ¶ 風味なき smakeloos; flauw; laf.
chinpuna陳腐な
bn. afgezaagd. ¶ 陳腐な洒落 afgezaagde mop.
hōfutsu髣髴

zn. gelijkenis v.; vaagheid v. ¶ 髣髴する gelijken op; zich vaag voordoen. ¶ 髣髴として vaag; flauw. ¶ 水天髣髴 vage horizon.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <flauw>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
こくのないkokunonai  ; [~酒] slap; flauw; laf; vlak; futloos; waterig; zonder pit; [~料理] licht verteerbaar; fade; [gew.] flets; [gew.] kwak
だらしないdarashinai (1) slordig; slonzig; onverzorgd; zonder zorg; onzorgvuldig; rommelig; morsig; nonchalant; slodderig; slodderachtig; verlopen; (2) zwak; flauw; laks; lichtzinnig; [i.h.b.] ongedisciplineerd
だらしのないdarashinonai (1) slordig; slonzig; onverzorgd; zonder zorg; onzorgvuldig; rommelig; morsig; nonchalant; slodderig; slodderachtig; verlopen; (2) zwak; flauw; laks; lichtzinnig; [i.h.b.] ongedisciplineerd
とろいtoroi (1) [pej.] dom; stom; suf; (2) traag (van begrip); langzaam; sloom; (3) [火が] zwak; flauw
ぼんやりbonyari (1) afwezigheid; absentie; afgetrokkenheid; verstrooidheid; sufheid; dommel; dommeling; dommeligheid; (2) sufferd; sufkop; slaapkop; dommelaar; dromer; warhoofd; stommerd; stomkop; domoor; uilskuiken; ezel; oen; (3) wazig; schemerig; vaag; dof; onduidelijk; onklaar; gevoileerd; onhelder; troebel; doezelig; mistig; fuzzy; wollig; flou; nevelig; nebuleus; zweverig; (4) flets; suf; suffig; lusteloos; futloos; slaperig; lodderig; dommelig; (5) afwezig; afgetrokken; verstrooid; met zijn gedachten er niet bij; warrig; wezenloos; geesteloos; ongeconcentreerd; gedachteloos; onoplettend; achteloos; [i.h.b.] werkeloos; nietsdoend; passief; [Lat.] praesens absens; (6) stom; dof (van geest); bot; dom; stompzinnig; afgestompt; onbevattelijk; (7) [van markt; beurs enz.] gedrukt; flauw; slap; zwak
不況のfukyouno [m.b.t. handel; markt] flauw; slap; zwak; gedrukt; mat; stagnerend
不活発なfukappatsuna inactief; futloos; dadeloos; onwerkzaam; traag; mat; loom; sloom; indolent; suf; lusteloos; gezapig; hangerig; uitgeblust; languissant; [fig.] lethargisch; [fig.] inert; [m.b.t. handel] stagnerend; [m.b.t. handel] slap; [m.b.t. handel] flauw; [m.b.t. handel] gedrukt
低調teichou (1) somber; low key-; in een lage toon; ingehouden; mat; (2) [ook m.b.t. handel] flauw; gedrukt; slap; slepend; in baissestemming; à la baisse
低調なteichouna (1) somber; low key-; in een lage toon; ingehouden; mat; (2) [ook m.b.t. handel] flauw; gedrukt; slap; slepend; in baissestemming; à la baisse
勢いのないikioinonai futloos; lusteloos; krachteloos; flauw; slap
卑怯hikyou (1) lafheid; lafhartigheid; (2) gemeenheid; flauwheid; laag-bij-de-grondsheid; laagheid; minheid; valsheid; gluiperigheid; (3) laf; lafhartig; blo; blode; [pej.; inform.] schijterig; [veroud.] blohartig; (4) gemeen; klein; flauw; laag-bij-de-gronds; unfair; laag; min; vals; onsportief; vuil; gluiperig
味のないajinonai (1) smaakloos; geen smaak hebbend; zonder smaak; flauw; slap; laf; [gew.] flets; (2) zouteloos; oninteressant; nietszeggend; geesteloos; mat; saai
味の薄いajinousui zonder veel smaak; flauw; slap; laf; vlak; [gew.] flets
寒いsamui (1) koud; kil; koel; (2) armzalig; armetierig; armoedig; troosteloos; pover; schamel; [m.b.t. grap] flauw; [m.b.t. grap] melig; [m.b.t. grap] laf; (3) huiverig; bibberig; huiveringwekkend; (4) [m.b.t. beurs; portemonnee] berooid; leeg
幽かkasuka nauwelijks waarneembaar; flauw; vaag; onduidelijk; zwak; gering; dof; wazig
幽かにkasukani nauwelijks waarneembaar; flauw; vaag; vaagweg; onduidelijk; zwak; dof; wazig
弱いyowai zwak; flauw; slap
bi (1) kleinste kleinigheden; fijnste details; finesses; (2) geringheid; karigheid; zwakheid; (3) miljoenste; micro-; (a) enorm klein; fijn; (b) gering; karig; (c) flauw; vaag; (d) lagere in rang; stand; (e) onopvallend; discreet; (f) achteruitgaan; (g) [hum.] mijn bescheiden …
微弱bijaku zwak; gering; flauw; licht
惰弱dajaku (1) lauwheid; flauwheid; matheid; slapheid; slapte; weekheid; wekelijkheid; verwijfdheid; passiviteit; vadsigheid; lusteloosheid; indolentie; (2) lichamelijke zwakheid; zwakte; krachteloosheid; (3) lauw; flauw; mat; slap; week; wekelijk; verwijfd; passief; vadsig; lusteloos; indolent; (4) lichamelijk zwak; krachteloos
意気地のないikujinonai slap; flauw; laf; week; niet wilskrachtig; karakterloos; lafhartig; blohartig; schijterig
旨味のないumaminonai (1) smaakloos; geen smaak hebbend; zonder smaak; laf; flauw; slap; (2) onrendabel; onprofijtelijk; … dat niet loont; … dat geen geld in het laatje brengt
暇なhimana (1) vrij; ~ waarin niet gearbeid wordt; arbeidsloos; (2) [m.b.t. handel] slap; slapjes; flauw; slepend; stil; [m.b.t. markt] traag; met weinig animo
暗い ; 闇い ; 昏い ; 冥いkurai (1) donker; duister; somber; (2) (van licht) zwak; (van licht) flauw; gedimd; (3) onwetend over; geen kennis bezittend over; niet bekend met; (4) zwaarmoedig; droefgeestig; somber
気の抜けたkinonuketa verschaald; flauw; geesteloos; insipide; karakterloos; kleurloos; versleten; [m.b.t. bier] laf; [fig.] zouteloos; zonder pit; waterig
沈静chinsei (1) stilte; stilheid; (2) rust; kalmte; tranquilliteit; (3) [hand.] stilstand; stagnatie; slapte; slapheid; (4) stil; (5) rustig; kalm; (6) [hand.] slap; flauw; gedrukt; mat; stagnant
淡々awaawa [~と] licht; bleek; flauw; dof; mat; flets; vaal
淡々tantan (1) [~とした色] licht; bleek; zacht; flauw; flets; (2) kalm; rustig; sereen; koel; onaangedaan; onberoerd; stoïcijns; gelijkmoedig; gelaten; ongeïnteresseerd; onverschillig; (3) kabbelend; kalm vloeiend
淡いawai licht; flauw; [m.b.t. licht; hoop] zwak; [m.b.t. kleuren] licht-
無味のmumino smaakloos; geen smaak hebbend; … zonder smaak; flauw; laf
緩いyurui (1) los; slap; wijd; ruim; [m.b.t. kleren] makkelijk; breed; slobberig; (2) onsamenhangend; [m.b.t. pap] dun; week; sopperig; soppig; (3) [m.b.t. enthousiasme] lauw; mat; flauw; futloos; (4) loom; inert; traag; languissant; laks; slof; sloom; lamlendig; (5) zwak (van wil); week; laks; (6) soepel; coulant; meegaand; mild; clement; gul; (7) zacht [hellend]; [m.b.t. bocht] licht; rustig [gekabbel]
緩慢 ; 寛慢kanman traag; langzaam; talmend; laks; sloom; loom; futloos; mat; slap; flauw
緩慢な ; 寛慢なkanmanna traag; langzaam; talmend; laks; sloom; loom; futloos; mat; slap; flauw
腑甲斐無いfugainai (1) laf; lafhartig; slap; flauw; kleinhartig; kleinmoedig; (2) nietswaardig; waardeloos; onbruikbaar
苦しい言い訳kurushiiiiwake slap; mager; flauw; gebrekkig; onbevredigend; armzalig; gezocht excuus; armzalige uitvlucht; doorzichtige smoes
薄いusui (1) [m.b.t. papier; muur; lippen; haren etc.] dun; (2) flauw; [m.b.t. koffie; thee] slap; [m.b.t. soep; pap] waterig; (3) [m.b.t. kleur] licht; bleek; vaal; mat; dof; verschoten; (4) schaars; karig; mager; niet copieus; niet overvloedig; gierig
薄くusuku (1) dun; dunnetjes; (2) lichtjes; zwakjes; flauw
薄弱hakujaku zwak; flauw; insolide; ondegelijk; ondeugdelijk
薄弱なhakujakuna zwak; flauw; insolide; ondegelijk; ondeugdelijk
言ふ甲斐無しifukahinashi (1) verloren gezegd; vergeefs; daar helpt geen lievemoederen aan; niet meer te verhelpen; niet meer ongedaan te maken; (2) […こと; さま; 人; なる] onherroepelijk; onontkoombaar; onvermijdelijk; [i.h.b.] zielloos; levenloos; ontzield; (3) niet noemenswaardig; onbelangrijk; te verwaarlozen; onbeduidend; onbetekenend; onbenullig; onnozel; van weinig belang; irrelevant; (4) flauw; laf; kinderachtig; zwak; kleinmoedig; klein
詰まらないtsumaranai (1) saai; vervelend; oninteressant; stom; eentonig; monotoon; taai; geesteloos; zouteloos; slaapverwekkend; glansloos; kleurloos; vaal; (2) onbelangrijk; onbetekenend; onbeduidend; min; nietig; banaal; te verwaarlozen; nietszeggend; flauw; triviaal; nietswaardig; waardeloos; (3) teleurstellend; onbevredigend; tegenvallend; ontgoochelend; dat zet geen zoden aan de dijk; het heeft geen zin; (4) dwaas; onnozel; onzinnig; [inform.] lullig; stom; mal
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.96 sec. jiten.nl: 11 treffers, warandict: 41 treffers (zoekopdracht: 'flauw', strategie: exact). 
2005-2020