日蘭辭典+

55 resultaten voor ‘fout’
日蘭辭典 (trefwoord)
yarisokonai遣損
(遣り損い) zn. mislukking v.; fout v.; vergissing v. ¶ 遣損ふ verkeerd doen; niet slagen.
ayamari誤り
zn (1) [誤謬] fout v. (2) [悪行] misstap m.; verkeerheid v. (3) [謝罪] verontschuldiging v.; erkenning van ongelijk. ¶ 書き誤まる zich verschrijven; anachronisme (年代の誤). ¶ 謝罪證文 brief van verontschuldiging; excuses
ayamaruあやまる
t.- & i.w. (1) [間違へる] zich vergissen; een fout maken; misverstaan. (2) [導き損ふ] misleiden. (3) [身持を] zich misdragen. (4) [返事を] verkeerd antwoord geven. (5) [道を] den verkeerden weg inslaan. (6) [身を] een misstap begaan (7) [託る] vergiffenis vragen; schuld erkennen; excuses maken; excuus vragen; ongelijk erkennen
araあら
zn. (1) [魚等の] afval v. (2) [缺點] gebrek o.; fout v.; zwakke punt v.
iya
(いや) bw. neen; niet; geenzins. ¶ 否さうではないよ neen, zoo is het niet; neen, je hebt het mis. ¶ 否、それは不可ん neen, dat gaat niet.
gomakashi誤魔化し
(誤摩化し、胡魔化し) zn. bedriegerij v.; fopperij v. ¶ 胡魔化す bedriegen; bedotten; foppen; (卑) verneuken. ¶ 勘定を胡魔化す rekening vervalschen. ¶ 場を胡魔化す zich ergens uitdraaien. ¶ 過失を胡魔化す een fout weten te verbergen. ¶ を胡魔化す iemand bedotten.
kyoku
zn. (1) [音曲の] muziek v.; melodie v.; wijs v.; toon m. (2) [不正] ongelijk o.; fout v.; verkeerdheid v. (3) [興味] aardigheid v. (4) [藝] kunstgreep m. ¶ 曲彼にあり hij heeft ongelijk. ¶ 曲もなし in ’t geheel niet vermakelijk; niet interessant.
kago過誤
zn. fout v.; vergissing.
gobyū誤謬
zn. vergisssing v.; fout v. ¶ ¶ 誤謬verkeerd; foutief. ¶ 誤謬なき feilloos.
nan
(1) [難儀] moeilijkheid v.; tegenslag m. (2) [禍難] ongeluk o.; ramp v. (3) [缺點] fout v.; gebrek o. (4) [非難] critiek v. ¶ 難に當たる moeilijkheid het hoofd bieden. ¶ 難に遭ふ door een ramp bezocht worden; tegenslag ondervinden. ¶ 難に堪ふ zijn kruis dragen. ¶ 難を云はば als men een aanmerking zou willen maken, dan is het...... ¶ 難の打ち所がない er valt niets op aan te merken.
tsumi
zn. (1) [罪惡] zonde v. (2) [犯罪] vergrijp o.; misdrijf o.; misdaad v. (3) [咎め] schuld v.; blaam v. (4) [過失] fout v.; misstap m. misdraging v.; overtreding v.; wangedrag o. (5) [] straf v. ¶ 服する schuld bekennen. ¶ より救ふ redden van de zonde. ¶ 犯す misdrijf begaan. ¶ を負はす beschuldigen. ¶ を免れる straf ontloopen. ¶ 贖ふ schuld boeten. ¶ ある schuldig; zondig; misdadig. ¶ なき onschuldig. ¶ する straffen.
SUPPLEMENT (trefwoord)
atama ga ii頭がいい
(ook kort: 頭いい atama ii) uitdr. adj. intelligent; verstandig; scherpzinnig; slim; schrander; ontwikkeld; begaafd; knap. ¶ 彼女と同じくらい頭がいい。 Kanojo wa kare to onaji kurai atama ga ii. Zij is net zo slim als hij. (TTC) ¶ なるほどは頭がいいかもしれませんが、よく不注意な誤りをします。 Naruhodo kare wa atama ga ii ka mo shiremasen ga, yoku fuchūi na ayamari wo shimasu. Wel, het zou dan wel zo kunnen zijn dan hij slim is, maar hij maakt vaak fouten door niet op te letten. (TTC) ¶ は大学生ではないが大学生より頭いい。 Boku wa daigakusei de wa nai ga daigakusei yori atama ii. Ik studeer niet, maar ik ben slimmer dan een student. (TTC) ¶ 頭がいいかもしれないが、人間的に嫌われる。 Atama ga ii ka mo shirenai ga, ningenteki ni kirawareru. Kan zijn dat hij [ze] slim is, maar op het menselijke vlak roept hij [ze] afkeer op. (blog)
iryō kago医療過誤
medische fout; medische wanpraktijk; wanpraktijk; medische vergissing; medische misser.
SUPPLEMENT (trefwoord)
uitspraak

(znw, de)
(1) (uitspraak van een woord) hatsuon 発音. ¶ Als ik een fout maak in de uitspraak, verbeter mij dan alsjeblieft. Dou ka hatsuon de ayamari ga attara naoshite kudasai. どうか発音で誤りがあったら直してください
(2) (accent) namari なまり [訛り] ¶ Hij is een buitenlander, zoals duidelijk is aan zijn uitspraak. Namari kara akiraki de aru you ni, kare wa gaikokujin da. なまりから明らかであるように、外国人だ。
(3) (een bewering) shuchou 主張. ¶ Het is belangrijk om erop te wijzen dat de uitspraak die hij deed ongefundeerd is. Kare no shuchou ni wa konkyo ga nai koto ni chuui suru koto ga juuyou de aru. 主張には根拠ないこと注意することが重要である。
(4) (in sport) hantei 判定. ¶ De aanvoerder protesteerde bij de scheidsrechter tegen de uitspraak. Kyapten wa sono hantei ni taishite refurii ni kougi shita. キャプテンはその判定に対してレフリーに抗議した。
(5) (juridisch) senkoku 宣告; shinpan 審判; hanketsu 判決. ¶ De uitspraak was in het voordeel van de gedaagde. Hanketsu wa hikoku ni yuuri datta. 判決は被告に有利だった。(TTP)

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <fout>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
いけないikenai (1) niet toegelaten; niet mogen; niet kunnen; ongewenst; onaanvaardbaar; verkeerd; onmogelijk; slecht; (2) slecht; niet goed; boosaardig; stout; ondeugend; (3) nutteloos; zinloos; hopeloos; (4) niet in orde; uit de haak; pijn doen; pijnlijk [bv. m.b.t. maag]; fout; loos
エラーeraa (1) fout; vergissing; abuis; dwaling; miskleun; (2) [wisk.] afwijking; fout; (3) [honkb.] veldfout; fout
ファウルfauru (1) [sportt.] foul; overtreding; fout; (2) [honkb.] foutbal; uitbal; foutslag
フォールfuxooru [(tafel)tennis; volleybal] fout; fault; overtreding
フォールトfuxooruto [(tafel)tennis; volleybal] fout; fault; overtreding
ミスmisu (1) fout; vergissing; abuis; misser; feil; dwaling; (2) mejuffrouw; mejuffer; freule [predikaat voor een ongehuwde vrouw]; (3) juffrouw; ongehuwde vrouw; (4) miss [schoonheidskoningin]
不正なfuseina onrechtvaardig; fout; verkeerd; unfair; onbillijk; onrechtmatig; [i.h.b.] oneerlijk; frauduleus; vals; wederrechtelijk; onwettig; ongewettigd; illegaal; illegitiem; ongeoorloofd; [veroud.] ongerechtig
不正fusei (1) onrecht; onrechtvaardigheid; ongerechtigheid; onbillijkheid; [i.h.b.] corruptie; valsheid; fraude; (2) onrechtvaardig; fout; verkeerd; unfair; onbillijk; onrechtmatig; [i.h.b.] oneerlijk; frauduleus; vals; wederrechtelijk; onwettig; ongewettigd; illegaal; illegitiem; ongeoorloofd; [veroud.] ongerechtig
反則hansoku (1) overtreding; schending; inbreuk; onregelmatigheid; (2) [sportt.] overtreding; fout; ongeoorloofde slag; trap; [honkb.] foutbal; uitbal; foutslag
可笑しなokashina (1) grappig; lollig; koddig; amusant; vermakelijk; om te gillen; belachelijk; bespottelijk; ridicuul; mallotig; (2) vreemd; gek; raar; ongewoon; eigenaardig; zonderling; merkwaardig; wonderlijk; mal; excentriek; absurd; [gew.] aardig; (3) onwelvoeglijk; onfatsoenlijk; indecent; niet kies; niet passend; ongepast; not done; fout; verkeerd; (4) verdacht; niet in de haak; tot wantrouwen aanleiding gevend; tot verdenking aanleiding gevend
同罪douzai (1) dezelfde zonde; fout; hetzelfde misdrijf; (2) [~だ] even; evengoed schuldig zijn; even slecht zijn; geen haar beter zijn
失点shitten (1) verloren punten; (2) fout; vergissing; abuis; blunder; misser; lapsus; schuld
失策shissaku (1) fout; vergissing; abuis; dwaling; (2) [honkb.] veldfout; fout; (3) [maatwoord voor veldfouten]
失錯shissaku fout; vergissing; abuis; dwaling
心得違いkokoroechigai (1) slecht gedrag; wangedrag; onbetamelijkheid; onregelmatigheid; misstap; afdwaling; fout; abuis; faux pas; ondaad; (2) misvatting; misverstand; vergissing; malentendu; verkeerde interpretatie
怪我kega (1) wond; verwonding; kwetsuur; letsel; blessure; (2) ongelukkig toeval; ongeval; ongeluk; (3) vergissing; fout; dwaling; error; blunder; misslag
手抜かりtenukari vergissing; onoplettendheid; fout; abuis; misstap; lapsus; ongelukje; misser; [inform.] uitglijer; [Belg.N.] uitschuiver
手落ちteochi onvolkomenheid; tekortkoming; misstap; gebrek; fout; abuis; vergissing; lapsus; schuld; nalatigheid; onoplettendheid; slordigheid
故障koshyou (1) belemmering; beletsel; moeilijkheid; storing; struikelblok; handicap; (2) ongeval; ongeluk; (3) gebrek; defect; tekortkoming; fout; (4) schade; beschadiging; averij; (5) bezwaar; tegenwerping; bedenking; protest; tegenkanting
有らぬaranu (1) verkeerd; fout; vals; (2) ongehoord; buitengewoon; absurd; onzinnig; onbestaanbaar; uitgesloten; (3) onverwacht; onvoorzien; niet te voorzien
欠点ketten (1) gebrek; tekortkoming; zwak punt; fout; (2) (op school) onvoldoend cijfer; (op school) slecht cijfer; (op school) een onvoldoende; (op school) het niet geslaagd zijn
欠陥kekkan (1) gebrek; fout; tekortkoming; onvolmaaktheid; lichamelijk gebrek; karakteriële onvolmaaktheid; karakterieel gebrek; vervelende karaktertrek; (2) tekort; schaarste; gebrek; toestand van onvoldoende beschikbaarheid van iets
疎漏sorou (1) onzorgvuldigheid; slordigheid; nonchalance; nalatigheid; negligentie; slordige vergissing; fout; tekortkoming; (2) onzorgvuldig; slordig; nonchalant; nalatig; zorgeloos; negligent
kizu (1) barst; scheur; kras; schram; kneuzing; (2) gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; mankement; fout; imperfectie; defect; manco; feil; smet; klad; onzuiverheid; (3) smet; schandvlek; vlek; bezoedeling; blaam; (4) psychisch trauma; psychotrauma; kwetsing; krenking; [veroud.] grief
tan (1) gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; fout; mankement; tekort; behepsel; euvel; zwakke plek; plaats; zijde; zwak punt; manco; defect; [form.] feil; (2) [muz.] mineur; (3) tanka [verkorting van tanka 短歌]; (4) kort; kortstondig
短所tanshyo gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; fout; mankement; tekort; behepsel; euvel; zwakke plek; plaats; zijde; zwak punt; zwakte; zwakheid; nadeel; ongunstige factor; min(punt); tegen; deficiëntie; imperfectie; onvolmaaktheid; manco; defect; [form.] feil
ka (1) [boeddh.] vraagstuk; (2) [onderw.] vak; onderdeel; (3) [onderw.] afdeling; departement; onderzoekseenheid; sectie; vakgroep; (4) item; punt; (5) [biol.] familie; (6) [jur.] onderdeel; punt van een aanklacht; onderdeel van een tenlastelegging; beschuldiging; (7) [Chin.gesch.] examenvak voor ambtenaren; examenstof; (8) [Barg.] strafblad; strafregister; eerdere veroordeling; (9) gat; hol; kuil; (a) onderverdeling; rang; soort; (b) [biol.] familie; (c) strafbaar feit; fout; schuld; (d) [theat.] het acteren
粗相sosou (1) slordigheid; onvoorzichtigheid; onzorgvuldigheid; achteloosheid; onoplettendheid; vergissing; blunder; flater; fout; (2) ongelukje; het zich bevuilen; bedoen; (3) grof; ruw; lomp; (4) slordig; onvoorzichtig; onzorgvuldig; achteloos; onoplettend; lichtvaardig
ara (1) graat; (2) kaf; (3) onvolkomenheid; gebrek; tekortkoming; fout; defect; mankement; zwakke plek; (4) ruw; niet uitgewerkt; grof; onaf
zai (a) misdrijf; zonde; (b) straf; (c) fout
誤ったayamatta verkeerd; mis; onjuist; fout; foutief; incorrect; vals; bedrieglijk
誤りayamari fout; abuis
躓きtsumazuki (1) struikeling; misstap; verkeerde stap; (2) misstap; dwaling; fout; mislukking; fiasco
過ちayamachi fout; vergissing; misstap; blunder
過失kashitsu (1) fout; vergissing; blunder; misstap; (2) ongeval; (3) toeval; (4) achteloosheid; onachtzaamheid; onoplettendheid; slordigheid; [jur.] nalatigheid
違う ; 交うchigau (1) verschillen; schelen; uiteenlopen; ontlopen; verschillend; different; onderscheiden zijn; anders zijn (dan); afwijken; zich onderscheiden (qua); variëren (naargelang); ander(e) ~; (2) [m.b.t. antwoord enz.] verkeerd; fout; abuis; mis zijn; ernaast zijn; zitten; het mis hebben; [i.h.b.] zich vergissen; (3) [i.c.m. 気が] gek; krankzinnig worden; (4) [in de constructie ~ to chigau ~とちがう: de Kansai-variant van ~ dewa nai ~ではない]; (5) (elkaar) kruisen; (elkaar) passeren
yokoshima (1) verkeerd; fout; slecht; kwaad; [veroud.] boos; (2) zijdelings; zijlings; zijwaarts; dwars
錯誤sakugo (1) fout; vergissing; abuis; dwaling; error; [form.] feil; (2) discrepantie; tegenstrijdigheid; misverstand; misvatting
間違いmachigai (1) vergissing; fout; abuis; misvatting; dwaling; doling; lapsus; méprise; [fig.] mispas; misstap; misslag; feil; erreur; error; verkeerdheid; (2) ongeluk; malheur; tegenslag; tegenvaller; narigheid; problemen; trubbels; (3) onbetamelijkheid; estrapade; [i.h.b.] slippertje
間違ったmachigatta verkeerd; onjuist; fout; incorrect; [w.g.] abusief
hi (1) vergissing; dwaling; abuis; fout; schuld; [form.] feil; verkeerdheid; gebrek; onvolkomenheid; (2) nadeel; ongunstige situatie; (3) niet-; on-; non-; in-; il-; im-; ir-; -vrij
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.53 sec. jiten.nl: 14 treffers, warandict: 41 treffers (zoekopdracht: 'fout', strategie: exact). 
2005-2022