日蘭辭典+

68 resultaten voor ‘gaan’
日蘭辭典 (trefwoord)
omomuku赴く
i.w. (1) [行く] gaan; zich begeven naar. (2) [なる、傾く] worden; neiging hebben. ¶ 快方に赴く aan de beterende hand zijn; herstellende zijn; beter worden. ¶ 援助赴く gaan helpen; te hulp komen. ¶ 風潮の赴く de richting van den stroom; de geest des tijds.
irassharuいらっしゃる
i.w. (1) [居る在る] zijn. (2) [行く] gaan. (3) [來る] komen. ¶ いらっしゃい kom binnen. ¶ よくいらっしゃいました welkom. ¶ どこへいらっしゃるのですか waar gaat u heen? ¶ 山田樣は在らっしゃいますか is mijnheer Yamada thuis?
yuku行く
(iku) i.w. (1) [赴く] gaan; zich begeven naar. (2) [逝く] sterven. (3) [步く] wandelen; loopen. ¶ 外國行く naar het buitenland gaan. ¶ 行け ga weg! ¶ と一緖行く vergezellen; meegaan met. ¶ 本通を行く de hoofdstraat volgen. ¶ 同じ行く denzelfden weg gaan.
amaru餘る
(余る) i.w. (1) [殘る] overblijven; te boven gaan; overschieten; resteeren. (2) [目に餘る] te groot om te overzien (餘り大きい); niet om aan te zien (餘りひどい). ¶ 力に餘る boven zijn krachten; boven zijn macht. ¶ 手に餘る niet te bedwingen; niet aankunnen; niet opgewassen zijn tegen.
aruku步く
(歩く) i.w. wandelen. ¶ 步いて行く wandelen; te voet gaan. ¶ そろそろ步く langzaam loopen; drentelen. ¶ よちよち步く waggelen. ¶ よろめき步く strompelen. ¶ 街(路)を步く op straat loopen;
agarisagari上り下り
(上がり下がり) zn. rijzing en daling; schommeling v.; wisseling v.; fluctuatie v. ¶ 上り下りする schommelen; op en neer gaan.
jiten自轉
(自転) zn. omwenteling v. ¶ 自轉する zich wentelen; omwentelen. ¶ 自轉車 fiets; rijwiel. ¶ 自轉車乘 fietser; wielrijder. ¶ 自轉車競走 wielerwedstrijd. ¶ 自轉車に乘る wiel rijden; fietsen. ¶ 自轉車で行く per fiets gaan; op de fiets gaan.
ai
vnw. elkander; elkaar; mekaar; bn. wederzijdsch; bw. wederzijds; over en weer; tezamen; samen. ¶ 相信じる elkaar vertrouwen. ¶ 相竝んで行く tezamen gaan.
akeruあける
(開ける・空ける) t.w. (1) [開く] openen; opendoen; openmaken; ontsluiten; openleggen. (2) [空にする] ledigen; ontruimen. ¶ 二行をづつあける twee regels openlaten; twee regels overslaan. (3) [穴を] een gat boren. (4) [道を] uit den weg gaan. (5) [家を] ontruimen (借家を明拂ふ).
yakusha役者
zn. tooneelspeler m.; acteur m. (女) tooneelspeelster v.; actrice v. ¶ 素人役者 amateur-tooneelspeler. ¶ 役者になる bij het tooneel gaan.
yarisugiru遣過ぎる
(遣り過ぎる) t.w. te veel doen; te veel geven; i.w. te ver gaan.
yarisugosu遣過ごす
(遣り過ごす) t.w. voor laten gaan; laten passeeren. ¶ 機會を遣過ごす gelegenheid laten voorbijgaan.
ya
zn. veld. ¶ 野に在る niet in gouvernementsdienst zijn; geen functie hebben. ¶ 野に下る uit dienst gaan; aftreden.
de
vw. en; wel ...... ; dus; toen. ¶ では行かなかった en toen ben ik niet gegaan. ¶ で何様しようと云ふのか wel, wat denk je nu te gaan doen?
tsuri
zn. (1) [釣魚] hengelen o.; visschen o. (2) [釣銭] wisselgeld o. ¶ 釣に行く gaan visschen. ¶ 釣をする hengelen; visschen.
soto
zn. buitenkant m. ¶ buiten; buitenshuis. ¶ より見る door het raam naar buiten kijken. ¶ 食事する buitenshuis eten. ¶ 出る naar buiten gaan.
kuru來る
(来る) i.w. komen. ¶ 歸って來る terugkomen. ¶ ついて來る meekomen. ¶ 生れて來る ontstaan (發生); geboren worden (出生). ¶ 來る來るも elken dag. ¶ 行って來る gaan. ¶ 取って來る halen. ¶ が降って來る het begint te regenen.
ubau奪ふ
t.w. rooven; ontrukken; wegpakken; ontnemen. ¶ 奪ひ去る er van door gaan met. ¶ 王位を奪ふ van den troon stooten. ¶ を奪はれる door een vrouw betooverd zijn.
haiyū俳優
zn. tooneelspeler m.; acteur m.; (女) tooneelspeelster v.; actrice v. ¶ 俳優となる bij het tooneel gaan.
daiben大便
zn. ontlasting v.; stoelgang m.; faeces (羅典語); (俗) stront v.; poep v. ¶ 大便に行く naar de w.c. gaan; naar achteren gaan; zich verwijderen; (俗) gaan poepen. ¶ 大便をする ontlasting hebben; afgaan; (俗) poepen; (卑) schijten.
sakadatsu逆立つ
i.w. overeind gaan staan. ¶ が逆立った de haren rezen te berge.
gomen御免
zn. (uw) vergunning v.; (uw) vergiffenis v.; (uw) verlof o. ¶ 御免なさい vergeef mij; neem me niet kwalijk. ¶ 一寸御免下さい wil mij een oogenblik excuseeren. ¶ これで御免を蒙ります ik moet nu eens afscheid gaan nemen. ¶ そんなもう御免だ zulke praatjes wensch ik niet te hooren; verschoon mij van zulke praatjes.
haietsu拜謁
(拝謁) zn. audientie v. ¶ 拜謁する op audientie gaan bij den keizer; in gehoor ontvangen worden.
ekken越權
(越権) zn. overschrijding van macht. ¶ 越權のやる buiten zijn bevoegdheid gaan; (俗) buiten zijn boekje gaan.
essuru謁する
(謁する) i.w. ten gehoore ontvangen worden door; op audientie gaan bij.
hazu
(はず) zn. noodzakelijkheid v.; wenschelijkheid v.; verplichting v. ¶ 行く筈だ ik dien wel te gaan; ik behoor te gaan. ¶ 知らぬ筈はない hij behoort het te weten. ¶ が晚餐に來る筈だ ik krijg mijn moeder te eten; mijn moeder komt vanavond eten. ¶ ひとりでにこはれる筈はない het kan niet vanzelf gebroken zijn.
ugoku動く
i.w. (1) [動く] bewegen; zich bewegen. (2) [移動] van plaats veranderen; zich verplaatsen. (3) [運轉] loopen; gaan; werken. (4) [變動] veranderen; zich wijzigen. (5) [搖ぐ] schommelen; schudden. (6) [感ずる] geroerd worden; getroffen zijn. ¶ 動かざる onbewegelijk; roerloos; (の) onbewogen; onverschillig. ¶ 動かざる泰山の如し rotsvast; onwankelbaar. ¶ 一寸も動かない er wordt niets verkocht. ¶ 時計が動かなくなった het horloge staat stil. ¶ 一寸も動くことならぬぞ verroer je niet!; blijf stokstil staan!
suke
dame駄目

zn. onmogelijkheid v; nutteloosheid v.; bn. vergeefsch; nutteloos; onbruikbaar; onmogelijk. ¶ 駄目にする bederven; onbruikbaar maken. ¶ 駄目になる mislukken; nutteloos zijn; vergeeefsch zijn. ¶ やって見ても駄目だ we behoeven het niet eens te probeeren. ¶ それは駄目だ dat lukt niet; dat zal niet gaan; dat kan niet; dat mag niet. ¶ もう駄目だ het loopt mis het hem; er is geen hoop meer voor hem. ¶ とても駄目だから諦めなさい daar er toch niets meer aan te doen is, moet er nu maar in berusten.

kusaru腐る

i.w. bederven; verrotten; rotten; tot ontbinding overgaan. ¶ 腐り易い onderhevig aan bederf. ¶ が腐る ontmoedigd zijn; den moed laten zinken. ¶ 死體が腐りかかってゐる het lijk begint in staat van ontbinding over te gaan. ¶ 牛乳が腐って居る de melk is verzuurd.

nekorobu寢轉ぶ

i.w. gaan liggen.

SUPPLEMENT (trefwoord)
shikata ga nai仕方がない
(uitdr.) niet anders kunnen dan…; het is onvermijdelijk dat…; niet kunnen verdragen dat…; niets aan kunnen doen dat…. NB Na de attributieve vorm (連体形) van een werkwoord volgt steevast より yori. ¶ 仕方ないよ。 Shikata ga nai yo. We hebben geen keus.; Er valt niets aan te doen.; Niks aan te doen. (TTC) ¶ 今日は月曜日なのに、日曜日のような気がして仕方ないKyō wa getsuyōbi na no ni, nichiyōbi no you na ki ga shite shikata ga nai. Hoewel het maandag is kan ik het gevoel dat het zondag is maar niet kwijtraken. (TTC) ¶ 待つより仕方ないKare wo matsu yori shikata ga nai. We kunnen alleen maar op hem wachten. やめるほか仕方ないKare wa yameru hoka shikata ga nai. Hij had geen nadere keuze dan af te treden. (TTC) ¶ の計画に同意するよりほかに仕方ないKare no keikaku wo dōisuru yori haka ni shikata ga nai. We hebben geen andere keuze dan in te stemmen met zijn plan. (TTC) ¶ 私たちはこのままやっていくより仕方ないWatachitachi wa kono mama yatte iku yori shikata ga nai. We kunnen alleen maar (op gelijke wijze) doorgaan. (TTC) ¶ 行くより他に仕方ないIku yori hoka ni shikata ga nai. We hebben geen andere keus dan te gaan.; We moeten wel gaan. そんなに健康こと心配しても仕方ないSonna ni kenkō no koto wo shinpaishite mo shikata ga nai. Het heeft geen zin je zoveel zorgen te maken over je gezondheid. (TTC) ¶ 彼女はうれしくてうれしくて仕方ないKanojo wa ureshikute ureshikute shikata ga nai. Ze was dolblij. (TTC)
kakudai拡大
zn. uitbreiding; vergroting; expansie; toename in omvang of aantal; verbreding. ¶ 拡大する kakudaisuru uitbreiden; vergroten; expanderen; toenemen; verbreden. ¶ 市場拡大 shijō kakudai marktvergroting. ¶ 投資拡大 tōshi kakudai toename in investeringen. ¶ 軍事拡大 gunji kakudai militaire expansie. 急拡大 kyūkakudai een plotse toename; een boom. ¶ 東方拡大 tōhō kakudai oostwaarste expansie. ¶ 需要拡大 jukyō kakudai een toename in vraag. 拡大された kakudaisareta vergroot; 拡大図 kakudaizu een vergroting; een detailbeeld. ¶ 彼は研究の対象を拡大した。 kare wa kenkyū no taishō wo kakudaishita。 Hij verbreedde zijn onderzoek [onderzoeksdoel]. (TTC) ¶ 当社の第一目標は南米市場を拡大することです。 honsha no daiichi mokuhyō wa nanbei shijō wo kakudaisuru koto desu. Ons primaire doel is het vergroten van de markt in Zuid-Amerika. (TTC) ¶ その都市は最近急速に拡大した。 Sono toshi wa saikin kyūsoku ni kakudaishita. De stad is recentelijk snel gegroeid [uitgebreid]. (TTC) ¶ 拡大コピーを撮ってくるよ。 Kakudai kopii wo totte kuru yo. Ik ga vergrootte kopieën maken hoor. (TTC) ¶ この顕微鏡は物を100倍に拡大する。 Kono kenbikyō wa mono wo haykubai ni kakudaisuru. Deze microscoop vergroot [dingen, objecten] honderd maal [keer]. (TTC)
sūnin数人
zn, no-adj. meerdere mensen; een aantal mensen. ¶ 部屋には数人の学生がいた。 Heya ni wa sūnin no gakusei ga ita. Er waren een aantal studenten in de kamer. (TTC) ¶ 彼らうち数人がその法案に反対である。 Karera no uchi sūnin ga sono hōan ni hantai de aru. Een aantal van hen was tegen het wetsvoorstel. (TTC) ¶ 数人の人たちが負傷して横たわっていた。 Sūnin no hitotachi ga fushōshite yokotawatte ita. Meerdere mensen lagen gewond neer. (TTC) ¶ 数人の若い技師が雇われ、彼ら新しいコンピューターの開発に専念した。 Sūnin no wakai gishi ga yatoware, karera wa atarashii konpyūtā no kaihatsu ni sennenshita. Er waren een aantal jonge ingenieurs te werk gesteld, en ze waren totaal toegewijd aan het ontwikkelen van een nieuwe computer. (TTC) ¶ この夏休みに数人の友達と、伊豆半島を歩いて一周するのを楽しみにしています。 Boku wa kono natsuyasumi ni sūnen no tomodatchi to, Izu hantō wo aruite isshūsuru no wo tanoshimi ni shite imasu. Ik kijk er naar uit om deze zomervakantie met een aantal vrienden te voet het schiereiland Izu te gaan verkennen. (TTC)
de wa nai kaではないか
(frase) In de spreektaal tevens ja nai ka じゃないか. Terwijl de wa nai / ja nai eenvoudigweg de voorafgaande stelling ontkent (kare wa nihonjin de wa nai 彼は日本人ではない ‘hij is geen Japanner’) is de wa nai ka / ja nai ka bevestigend op een suggestieve manier. ¶ 彼は日本人ではないかと思う。Kare wa nihonjin de wa nai ka to omou. ‘Ik denk dat hij een Japanner is’ ‘Is hij niet gewoon een Japanner? ’Letterlijker: ‘Ik vraag me af of hij niet een Japanner is.’ ¶ 彼は食べたのではないかと思う。 Kare wa tabeta no de wa nai ka to omou. ‘Ik denk dat hij het opgegeten heeft.’ ¶ 腱鞘炎ではないかと思うのです。 Kenshōen de wa nai ka to omou no desu. ‘Ik denk dat ik een peesontsteking heb.’ ‘Ik vraag me af of ik geen peesontsteking heb.’ ¶ 面倒が起こるのではないかと私は恐れている。 Mendō ga okoru no de wa nai ka to watashi wa osorete iru.Ik ben bang dat het leidt tot problemen.’ ¶ 女は彼が寂しく思い忘れられてしまうのではないかと思ったのです。 Kanojo wa kare ga sabishiku omoiwasurerarete shimau no de wa nai ka to omotta no desu. ‘Ze dacht dat hij zich misschien alleen en vergeten zou voelen.’
Net als in het Nederlands, kan zo’n vorm verrassing uitdrukken. ¶ これは、私の車じゃないか! Kore wa, watashi no kuruma ja nai ka! ‘Hee, is dit niet mijn auto!’ ¶ 田中さんじゃないか!久しぶり。 Tanaka-san ja nai ka! Hisashiburi. ‘Hee, Tanaka. Lang geleden dat ik je heb gezien!’ ‘Als dat Tanaka niet is! Lang geleden man!’
Het kan ook gebruikt worden voor een aansporing of uitnodiging, wat ook op die manier niet onbekend is in het Nederlands. ¶ 飲みに行こうじゃないか。 Nomi ni ikō ja nai ka. ‘Laten we iets gaan drinken.’ Letterlijker: ‘Zullen we niet iets gaan drinken?’ ¶ ゲームで遊ぼうじゃないか。 Geemu de asobō ja nai ka. ‘Laten we gaan gamen.’ (yamasv) (TTC)


WACHTKAMER (deze lemma’s zijn nieuw of bevatten wijzigingen)
ubau奪ふ

(奪う) t.w. rooven; ontrukken; wegpakken; ontnemen. ¶ 奪ひ去る er van door gaan met. ¶ 王位を奪ふ van den troon stooten. ¶ を奪はれる door een vrouw betooverd zijn.

taiho退步

zn. achteruitgang m. ¶ 退步する achteruit gaan. ¶ 進步が止んだは退步の初めだ stilstand is achteruitgang.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gaan>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
添う sou (1) begeleiden; vergezellen; meegaan; [w.g.] accompagneren; (2) zich schikken naar; zich voegen naar; gehoorzamen; voldoen aan; gehoor geven aan; vervullen; bevredigen; beantwoorden aan; handelen overeenkomstig ~; tegemoet komen aan; waarmaken; tevredenstellen; (3) huwen; trouwen; in de echt treden; gaan; in het huwelijk treden; een echtpaar; koppel worden
出る deru (1) naar buiten gaan; naar buiten komen; zich vertonen; uitbreken; uitgaan; uitkomen; verlaten; vandaan gaan (bij); vertrekken; [m.b.t. boot] afvaren; [i.h.b.] afstuderen (aan); [i.h.b.] aftrek vinden; weggaan; (2) verschijnen; opkomen; voor de dag komen; opduiken; te voorschijn komen; zich voordoen; rijzen; voorkomen; [aan de telefoon enz.] komen; [m.b.t. zon] opgaan; rijzen; doorkomen; [m.b.t. bloemknoppen enz.] uitkomen; uitlopen; [i.h.b.] ontdekt worden; [m.b.t. geesten, spoken] waren; (3) uitsteken; naar buiten steken; opsteken; uitspringen; oprijzen; (4) bijwonen; aanwezig zijn bij; gaan naar; deelnemen aan; meedoen aan; [voor het gerecht enz.] verschijnen; in [zaken; het bedrijfsleven; de politiek enz.] gaan; (5) [m.b.t. wegen] leiden naar; voeren naar; uitkomen op; tegenkomen; bereiken; aantreffen; vinden; stuiten op; (6) te buiten gaan; overschrijden; gaan over; passeren; (7) ontspruiten (aan); komen uit; voortkomen (uit); voortspringen uit; ontstaan uit; beginnen; ontspringen; ontsnappen; [fig.] opwellen; [lit.t.] ontwellen; zijn oorsprong ontlenen aan; zijn oorsprong vinden in; teruggaan op; afstammen van; afkomen van; stammen uit; voortspruiten uit; (8) verschijnen; uitkomen; uitgegeven worden; gepubliceerd worden; [i.h.b. de pers enz.] halen; (9) krijgen; verkrijgen; [arch.] bekomen; [m.b.t. gerecht] opgediend worden; geserveerd worden; [m.b.t. bedrag, premie] uitgekeerd worden; (10) 10. toenemen; rijzen; [m.b.t. wind] opsteken; aanwakkeren; [m.b.t. snelheid] optrekken; (11) 11. zich … gedragen; een … houding nemen; (12) 12. [m.b.t. thee] trekken
出掛ける dekakeru (1) uitgaan; naar buiten gaan; van [huis enz.] gaan; verlaten; weggaan; (2) vertrekken (naar); op weg gaan (naar); afreizen; wegreizen; erop uit gaan; trekken; ervandoor gaan; (3) op bezoek komen; komen opzoeken
通過する tsuukasuru (1) passeren; erdoor komen; erdoor gaan; erdoorheen geraken; voorbijgaan; voorbijrijden; trekken door; gaan over; trekken over; (2) slagen (voor); [door de douane enz.] gaan; passeren; (3) goedgekeurd worden; aangenomen worden
付く tsuku (1) plakken; (eraan) (vast)zitten; (eraan) (vast)hangen; steken (op); kleven (aan); aansluiten op; zich vastzetten (in; aan); [湯垢が] aanslaan; blijven; [m.b.t. sporen; litteken] achterblijven; erbij inbegrepen zijn; uitgerust zijn met; (2) volgen; vergezellen; achterna zitten; gaan; aan zijn zijde staan hebben; escorteren; [i.h.b.] partij kiezen; trekken voor; aan de zijde gaan staan van; (3) [m.b.t. vermogen; gewoonte; naam; idee enz.] krijgen; [energie; kennis; ervaring enz.] opdoen; verwerven; eigen worden; te beurt vallen; [癖が] een gewoonte aannemen; aankweken; ontwikkelen; zich een gewoonte aanwennen; [喫煙の癖が] zich het roken aanwennen; (4) geluk hebben; fortuinlijk zijn; het treffen; [het iem.] meezitten; goed gaan; boffen; mazzelen; [inform.] zwijnen; [inform.] sloffen; (5) zijn beslag vinden; uitgemaakt raken; in orde raken; geregeld raken; [m.b.t. contact; connectie] tot stand komen; [m.b.t. wegen; infrastructuur] aangelegd worden; (6) [m.b.t. prijskaartje] hangen aan; [goedkoper; duurder enz.] uitvallen; neerkomen op [x euro enz.]
就く tsuku (1) [werk enz.] vinden; [een functie; ambt; leeropdracht enz.] aanvaarden; [aan het bewind, op de troon enz.] komen; [de troon] bestijgen; beklimmen; [in een nieuwe baan enz.] beginnen; [bij het leger enz.] dienst nemen; [aan het werk enz.] tijgen; (2) [m.b.t. reis] aanvaarden; aanvangen; [in slaap] vallen; [m.b.t. de wacht] betrekken; [in de verdediging enz.] gaan; (3) les; college lopen (bij); studeren (bij); [de weg van de minste weerstand enz.] volgen
動く ugoku (1) bewegen; zich bewegen; in beweging zijn; (2) van plaats veranderen; van positie veranderen; zich verplaatsen; (3) schommelen; wiegen; heen en weer bewegen; schudden; (4) [m.b.t. machine; toestel] lopen; aan staan; werken; in werking zijn; aangeschakeld zijn; functioneren; gaan; (5) handelen; doen; actief zijn; werken; bezig zijn; onledig zijn; in de weer zijn; in het getouw zijn; (6) beïnvloed worden; een invloed ondergaan; beheerst worden; wankelen; fluctueren; schommelen; (7) ontroerd zijn; geroerd zijn; onder de indruk zijn; getroffen zijn; geraakt zijn; geëmotioneerd zijn; (8) veranderen; veranderd worden; zich wijzigen; een wijziging ondergaan; (9) overgeplaatst worden [naar een andere positie; werkplaats]; een andere standplaats krijgen
行く iku (1) gaan; lopen; wandelen; zich begeven naar; aangaan op; (2) naar wens lopen; lekker lopen; goed werken; succesvol zijn; (3) sterven; overlijden; heengaan
いらっしゃる irassharu (1) komen; (2) gaan; zich begeven; (3) zijn; zich bevinden
下る kudaru (1) afdalen; naar beneden gaan; afkomen; (2) vallen; neerkomen; neerdalen; (3) [川を] afvaren; afdrijven; stroomafwaarts varen; gaan; afgaan; (4) [都から地方へ] gaan; het land op gaan; naar het platteland gaan; (5) [命令が] afkomen; gegeven worden; afgekondigd worden; uitgevaardigd worden; (6) diarree hebben; buikloop hebben; (7) zich terugtrekken; ontslag nemen; (8) achterstaan bij …; minder zijn dan …; (9) zich overgeven; zich gewonnen geven; de strijd opgeven; (10) 10. nederig zijn; deemoedig zijn; ootmoedig zijn; (11) 11. achteruitgaan; vervallen; aftakelen
下船する gesensuru een schip verlaten; uit een schip gaan; debarkeren; van boord (van een schip) gaan; [Belg.N.] ontschepen
鳴る naru (1) klinken; luiden; [van bel, fluitje, telefoon enz.] gaan; galmen; schallen; weerklinken; [van wekker] aflopen; [i.h.b. van bel] rinkelen; klingelen; [i.h.b. van klok] beieren; slaan; kleppen; [van sirene] loeien; [van wind] ruisen; [van oren] suizen; tuiten; [van donderslag] rollen; rommelen; (2) [fig., van roem, faam] weerklinken; befaamd zijn; beroemd zijn; gevierd zijn; vermaard zijn; bekendstaan om
進水する shinsuisuru te water laten; van stapel laten lopen; laten aflopen; ; van stapel lopen; gaan; aflopen; in zee gaan; te water gaan
出席する shussekisuru aanwezig zijn; present zijn; tegenwoordig zijn; verschijnen; bijwonen; bezoeken; [pregn.] gaan; komen naar; zich vertonen; opdagen
失礼します shitsureishimasu (1) neem(t) (u) me niet kwalijk; pardon; excuseer; sorry; vergeef mij; het spijt me; ik heb me te verontschuldigen (wegens ~); (2) mag; kan ik binnenkomen?; (3) ik moet er weer vandoor; ik moet (nu) gaan; vertrekken
御座る gozaru [hoffelijkheidsvariant van aru; iru] zijn; hebben; ; (1) [honoratieve variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (2) [honoratieve variant van aru] zijn; zich bevinden; bestaan; hebben; liggen; gelegen zijn; staan; (3) [honoratieve variant van iku en kuru] gaan; komen; zich begeven; (4) [hoffelijkheidsvariant van aru] zijn; hebben; (5) gaan houden van; verliefd worden; (6) bederven; slecht worden; rotten; (7) [腹が~] honger krijgen; trek krijgen
通る tooru (1) passeren; erdoorheen geraken; erdoor raken; erdoor(heen) komen; erdoor(heen) gaan; erdoor(heen) dringen; doorbreken; doordringen; doorgaan; doorkomen; doortrekken; doorsteken; doorlopen; lopen over; [lit.t.] doorvaren; penetreren; [m.b.t. stem] dragen; [m.b.t. schoorsteen] trekken; (2) passeren; gaan via; voorbijtrekken; langskomen; langsgaan; langslopen; langstrekken; voorbijgaan; voorbijkomen; voorbijlopen; voorbijstromen; circuleren; (3) doorgaan voor; passeren voor; gangbaar zijn; bekend staan (als; onder de naam van enz.); gelden als; (4) door de beugel kunnen; slagen; [m.b.t. wetsvoorstel] aangenomen worden; aanvaard worden; aanvaardbaar zijn; steek houden
立つ tatsu (1) overeind; rechtop gaan staan; overeind komen; opstaan; oprijzen; zich oprichten; zich opstellen; [scherts.] zich perpendiculariseren; (2) [教壇; 歩哨; 証言台に] staan; [立場に] zich stellen; [世に] zich vestigen; [i.h.b.] aan de kost komen; [矢; 棘が] blijven steken; (3) [候補者に] zich kandidaat stellen (voor); kandidaat staan (voor); [候補に] kandideren (voor); [苦境に] verkeren; zich bevinden; [証人に] optreden; (4) ontstaan; zich vormen; zich ontwikkelen; rijzen; te voorschijn komen; [風が] opsteken; [春; 秋が] beginnen; in zicht komen; [予算が] opgemaakt worden; [市が] gehouden worden; [噂; 評判が] gaan; [理屈; 言い訳; 筋道が] opgaan; gelden; hout snijden; [面目; 顔が] gered worden; (5) opkomen (voor); in actie komen; (6) [門; (雨)戸; 障子が] (zich) sluiten; dichtgaan; (7) vertrekken (uit); verlaten; op weg gaan; zich op weg begeven; afreizen; tijgen; (8) "er" staan; vaardig zijn
脱する dassuru (1) [m.b.t. hoofddeksel e.d.] afzetten; afnemen; afdoen; (2) [m.b.t. stop, kurk e.d.] uittrekken; uitdoen; ; ontsnappen aan; ontkomen aan; wegkomen van; zich redden uit; raken; geraken uit; zich bevrijden uit; zich losmaken van; zich loswerken uit; zich vrijmaken van; te boven komen; gaan; erbovenuit komen; stijgen; schieten
罷る makaru (1) [voorvoegsel dat nederigheid; beleefdheidsvorm uitdrukt]; (2) [intensiverend voorvoegsel]; ; (1) uit de hoofdstad naar de provincie vertrekken; (2) zich verwijderen; zich weg begeven; (3) [hum.] heengaan; weggaan; uit het leven scheiden; [arch.] verscheiden; (4) [hum.] gaan; komen
参る mairu (1) komen; gaan; (2) ter kerke gaan; naar [de tempel, het heiligdom, een graf] gaan; een eredienst bijwonen; (3) zich gewonnen geven; zich overgeven; het afleggen; zich verloren geven; kamp geven; zwichten; het opgeven; toegeven; [pregn.] inleveren; verslagen zijn; de handdoek in de ring gooien; de handdoek in de ring gooien; aan het kortste eind trekken; onder het juk door gaan; [Barg.] het laten afknappen; (4) [m.b.t. probleem] er niet met zijn pet bijkunnen; niet op kunnen tegen; er geen raad mee weten; niet de baas kunnen; niet opgewassen zijn tegen; ergens niet van terug hebben; ergens niet tegen kunnen; niet uit de voeten kunnen met; (5) weg zijn van; [uitdr.] plat gaan voor; smoor zijn op; gek zijn op; aan iemands voeten liggen; zich laten inpakken; weglopen met; vallen voor; verkikkerd raken op; verkocht zijn; (6) verzwakken; achteruitgaan; [i.h.b.] uitgeput zijn; uitgeteld zijn; afgemat zijn; het loodje leggen; in het voetzand geraken; de pijp aan Maarten geven; sterven; (7) [beleefdheidsvorm in het adres van een brief]; ; gaan …; komen …
離散する risansuru uiteenvallen; uiteengaan; uit elkaar vallen; gaan; scheiden; verbrokkelen; desintegreren; zich verspreiden; zich verstrooien; verspreid raken; verstrooid raken
列席する ressekisuru aanwezig zijn; present zijn; tegenwoordig zijn; verschijnen; bijwonen; bezoeken; [pregn.] gaan; komen naar; zich vertonen; opdagen
運ぶ hakobu (1) vervoeren; transporteren; overbrengen; aanvoeren; aanbrengen; brengen; voeren; (2) [zijn schreden enz.] wenden naar; [koers enz.] richten naar; [geen stap, voet enz.] verzetten; (3) voortgaan met; voortzetten; vervolgen; [de pen enz.] voeren; ; vorderen; vooruitgaan; opschieten; (vlot) verlopen; vooruitkomen; (goed) gaan
御出でになる oideninaru (1) [尊敬語] gaan; vertrekken; zich begeven; heengaan; (2) [尊敬語] komen; aankomen; arriveren; (3) [尊敬語] zijn
御座す owasu (1) [honoratieve variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (2) [honoratieve variant van aru] hebben; bezitten; beschikken over; disponeren over; (3) [honoratieve variant van iku] gaan; vertrekken; zich begeven; (4) [honoratieve variant van kuru] komen; arriveren; ; (1) […~] [honoratieve variant van dearu]; (2) […~] [honoratieve variant van aru (continuïteit) of van iku; kuru (verloop; overgang)]
御座します owashimasu [honoratieve variant van …てある en …ている; ; (1) [honoratieve variant van aru en iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (2) [honoratieve variant van aru] hebben; bezitten; beschikken over; disponeren over; (3) [honoratieve variant van iku] gaan; vertrekken; zich begeven; (4) [honoratieve variant van kuru] komen; arriveren
通う kayou (1) pendelen tussen twee plaatsen; heen en weer reizen; (2) naar [school of werk] gaan; (3) circuleren; (4) dikwijls ergens naartoe gaan; (5) gecommuniceerd worden; begrepen worden
歩む ayumu (1) gaan; wandelen; lopen; op stap gaan; stappen; (2) z'n gang gaan; z'n loop nemen; zich ontwikkelen
上がる agaru 26. [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; ; (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙; 花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂から] uit bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価; 血圧; 気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) 10. [成績; 腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) 11. [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) 12. [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) 13. [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) 14. teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) 15. [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) 16. [双六; トランプ; マージャンで] winnen; uit zijn; (17) 17. [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈; 月経; つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [バッテリーが] het laten afweten; leeglopen; (18) 18. [魚; 貝; 虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) 19. [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) 20. [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) 21. [領地; 役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) 22. [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) 23. [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) 24. [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) 25. [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; ; (1) 27. […~] klaar-; af-; gereed-; (2) 28. […~] hevig …; intens …; compleet …; (3) 29. […~] [krachtterm]
行く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid, schoonzoon, adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst., m.b.t. mannen] schieten; ; 10. blijven ~ [drukt voortduring, voortgang van een handeling of toestand uit]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.43 sec. jiten.nl: 37 treffers, warandict: 31 treffers (zoekopdracht: 'gaan', strategie: exact). 
2005-2019