日蘭辭典+

23 resultaten voor ‘gebeuren’
日蘭辭典 (trefwoord)
aru有る
(在る) i.w. (1) [存在] zijn; bestaan; voorkomen. (2) [所在] zijn; liggen; gelegen zijn. (3) [發生] gebeuren; plaats grijpen; plaats vinden; geschieden. (4) [機會が] zich voordoen. (5) [所有] t.w. hebben; bezitten. (6) [容量] meten; wegen; bevatten. ¶ 其の家は今ありますか bestaat dat huis nog? is dat huis er nog? ¶ 日本は支那の東に在り Japan ligt ten oosten van China. ¶ 此家には庭がある dit huis heeft een tuin. ¶ は金がない ik heb geen geld. ¶ 長さ三尺ある het meet drie voet; het is drie voet lang. ¶ 此處に激戰があった hier had een hevige veldslag plaats. ¶ 機會があれば als de gelegenheid zich voordoet.
toppatsu突發
(突発) zn. uitbarsting v.; plotselinge gebeurtenis v. ¶ 突発的 plotseling; onverwachtsch. ¶ 突発する uitbarsten; plotseling gebeuren; onverwachts geschieden.
dekiru出來る
(出来る) i.w. (1) [仕上がる] gereed zijn; voltooid zijn. (2) [製造] gemaakt zijn; vervaardigd zijn. (3) [生長] groeien. (4) [出産] geboren zijn. (5) [發生] voorkomen; gebeuren; voortspruiten uit. (6) [熟達] bekwaam zijn in; goed kennen. (7) [能] kunnen; in staat zijn. ¶ 出來るなら zoo mogelijk. ¶ 出來るだけ zoo veel mogelijk. ¶ 出來る限りで met alle macht. ¶ 御飯が出來ました het eten is klaar. ¶ 此の卓子は能く出來て居る deze tafel is goed gemaakt. ¶ 松はことによく出來る denneboomen groeien hier goed. ¶ コレラ患者に出來た er is een geval van cholera aan boord voorgekomen. ¶ 蘭語出來る hij kent Hollandsch. ¶ 十步くことが出來る tien mijl kunnen lopen.
raireki來歷
(来歴) zn. levensloop m.; geschiedenis v.; carriere v. ¶ まづ其の來歷を聞かう laten wij eerst hooren, hoe het gebeurd is.
SUPPLEMENT (trefwoord)
kono yoこの世
(frase) het leven; de wereld; de aarde; het leven op aarde. ¶ ああこのためにどれほど多くの悲しいことがこの世起こることであろうか! Aa, kane, kane! Kono kane no tame ni dore hodo ooku no kanashii koto ga kono yo ni okoru koto de arō ka! Ach, geld, geld! Hoe vaak zal het (wel niet) zijn dat trieste dingen in dit leven gebeuren omwille van dat geld! (tweet) ¶ この世新しいものはない。 Kono yo ni atarashii mono wa nai. Niks nieuws onder de zon. (TTC) ¶ この世で一番の幸せ者だ。 Kare wa kono yo de ichiban shiawase mono da. Hij is de gelukkigste man op aarde. (TTC) ¶ 詩人この世を男がを見つめるように見つめる。 Shijin wa kono yo wo otoko ga onna wo mitsumeru yō ni mitsumeru. Een dichter kijkt naar de wereld zoals een man naar een vrouw kijkt. (TTC)

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gebeuren>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
持ち上がる mochiagaru (1) zich verheffen; oprijzen; rijzen; omhooggaan; opwaarts gaan; opgetild worden; een omhoogheffende beweging maken; (2) zich (plotseling) voordoen; zich vertonen; uitbreken; gebeuren; voorvallen; zich aandienen; opduiken; de kop opsteken; ontstaan; opkomen; plaatsgrijpen; (3) [担任が] mee overgaan naar een hogere klas
続発する zokuhatsusuru de één na de ander(e) gebeuren; plaatsvinden; voorvallen; de kop opsteken; zich achter elkaar voordoen; elkaar (snel) opvolgen
為る suru (1) zich voordoen; gebeuren; plaatsvinden; (2) verstrijken; voorbijgaan; verlopen [voorafgegaan door een meishi die een bep. tijdseenheid aanduidt]; (3) bedragen; kosten; waard zijn [voorafgegaan door een meishi die een bep. waarde, bedrag aanduidt]; (4) beslissen; besluiten; ervoor kiezen [in de constructie … to suru …とする of … ni suru …にする]; (5) hebben; merken; voelen [m.b.t. gewaarwording; in de constructie … ga suru …がする]; ; (1) doen; begaan; maken; verrichten; aanvangen; aandoen; uitvoeren; bedrijven; uitoefenen; beoefenen; praktiseren; doen (aan); [m.b.t. zaak, winkel enz.] runnen; (2) [van beroep …] zijn; werken (als); dienst doen (als); [m.b.t. ambt] waarnemen [in de constructie … o suru …をする]; (3) maken; maken (tot); [er een … van] maken [in de constructie … ni suru …にする]; (4) gebruiken als; bezigen als; doen dienen als [in de constructie … ni suru …にする]; (5) 10. vinden; achten; beschouwen; aanzien; dunken [in de constructie … to suru …とする]; (6) 11. (ver)onderstellen (dat); aannemen (dat); stellen (dat) [in de constructie … to suru …とする]; (7) 12. aandoen; dragen [m.b.t. kledingstuk]; (8) 13. hebben; zijn [m.b.t. een bep. vorm, toestand enz.]
su (1) zijn; bestaan; (2) zich voordoen; gebeuren; voorkomen; voorvallen; ; (1) doen; verrichten; bedrijven; (2) […~] doen; plegen; (3) in een bep. toestand brengen; maken tot; (4) […~] beschouwen; vinden; achten
hen (1) ongewoon; vreemd; raar; gek; eigenaardig; wonder; wonderbaar; zonderling; wonderlijk; [fig.] krullig; singulier; bijzonder; excentriek; buitenissig; (2) verdacht; suspect; ; (1) voorval; incident; gebeuren; [i.h.b.] aanslag; alteratie; (2) [muziek] mol; molteken
事件 jiken (1) incident; voorval; gebeurtenis; gebeuren; evenement; geval; affaire; kwestie; (2) [jur.] zaak; [Lat., jur.] res; affaire; [i.h.b.] schandaal
出現する shutsugensuru verschijnen; optreden; zich voordoen; gebeuren; voorkomen; te voorschijn komen; opduiken; opkomen; acte de présence geven
出来する shuttaisuru (1) zich voordoen; gebeuren; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; (2) voltooid worden; gereedkomen; klaarkomen; afraken
shutsu opdringerig; bemoeiziek; vrijpostig; brutaal; ; (1) a. uitgaan; eruit gaan; (2) b. gaan naar; (3) c. verschijnen; (4) d. uitblinken; uitmunten; (5) e. zich voordoen; gebeuren; (6) f. uitbrengen; naar buiten brengen; (7) g. betalen; (8) h. doen verschijnen; laten zien; (9) i. voortbrengen; (10) j. oorsprong; herkomst; ; (1) aanwezigheid; (2) vertrek; verlating; (3) afstammeling; [fig.] zoon; (4) ontsnapping; (5) [bijb.] Exodus; [Hebr.] Sjemot; [afk.] Exod.; [afk.] Ex.
状態 joutai toestand; gesteldheid; staat; stand (van zaken); status; omstandigheden; gebeuren; situatie; gelegenheid; conditie; constellatie; [inform.] bedoening
生ずる shouzuru teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren; ; (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten
状況 joukyou omstandigheden; situatie; toestand; staat; stand van zaken; gebeuren
生じる shoujiru teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; dragen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren; ; (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); uitgaan van; resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten
大丈夫 daijoubu veilig; buiten gevaar; zonder risico; betrouwbaar; zeker; in veiligheid; ongedeerd; alles kits; in orde; okay; met ~ gaat alles goed; ; geen nood; maak je geen zorgen; niks aan de hand; reken er maar op; wees er maar zeker van; (wees maar) gerust; wees maar niet bezorgd; er kan niets (mee) gebeuren; wees daar niet ongerust over; trek je er niets van aan; [inform.] dat zit wel goed
maku (1) toneelgordijn; toneelscherm; [ton.] rideau; doek; zeil; scherm; gordijn; voordoek; voorhang; voorhangsel; (2) bedrijf; akte; (3) voorval; tafereel; gebeuren; (4) [sumō-jargon] makuuchi-divisie [afk. van makuuchi 幕内; de hoogste divisie in het sumō]
発する hassuru (1) teweegbrengen; veroorzaken; doen ontstaan; beginnen; starten; lanceren; (2) voortbrengen; geven; opleveren; afgeven; afscheiden; verspreiden; uitstoten; uitzenden; uitvaardigen; verstrekken; (3) uiten; uitbrengen; van zich doen uitgaan; formuleren; (4) afvuren; afschieten; (5) sturen; afzenden; afvaardigen; ; (1) vertrekken uit; verlaten; (2) verschijnen; zich voordoen; optreden; gebeuren; voortkomen; voortspruiten; ontspringen; voortspringen; komen uit; uitgaan van; voortvloeien uit; emaneren uit; afkomstig zijn van; z'n oorsprong vinden; (3) ontstaan; tot stand komen
起こる okoru (1) gebeuren; zich voordoen; voorvallen; plaatshebben; plaatsgrijpen; geschieden; niet achterwege blijven; niet uitblijven; (2) ontstaan uit; zijn oorzaak hebben in; het gevolg zijn van; (3) [van warmte, elektriciteit etc.] geproduceerd worden; opgewekt worden; gegenereerd worden; verwekt worden; (4) een aanval hebben [van een ziekte]; (5) opkomen; bloeien; welvarend zijn; voorspoedig zijn; (6) beginnen te branden; vlam vatten; ontvlammen
起きる (bet. 1-4) okiru (1) het bed verlaten; opstaan; uit bed komen; (2) ontwaken; wakker worden; uit de slaap bijkomen; (3) opstaan; recht gaan staan; terug rechtop gaan staan [na gevallen te zijn]; weer op de been komen; (4) gebeuren; voorvallen; zich voordoen; plaatsvinden; plaatsgrijpen; geschieden; (5) beginnen te branden; ontbranden; [m.b.t. brand] uitbreken; ontvlammen; in brand vliegen; vuur vatten
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.4 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 18 treffers (zoekopdracht: 'gebeuren', strategie: exact). 
2005-2019