日蘭辭典+

43 resultaten voor ‘gebied’
日蘭辭典 (trefwoord)
tochi土地
zn. land o.; grond m.; terrein o.; gebied o. ¶ 土地landhonger. ¶ 肥えた土地 vruchtbare grond. ¶ 土地を開拓する terrein ontginnen. ¶ 土地plaatselijk. ¶ 土地の新聞 locale pers; plaatselijke bladen. ¶ 土地の人 landvolk. ¶ 土地臺帳 kadaster. ¶ 土地plaatselijk gebruik. ¶ 土地訛 dialect; plaatselijke uitdrukking. ¶ 土地所有 grondeigendom. ¶ 土地収用 onteigening van grond. ¶ 土地測量 kadastrale opmeting.
kuni
(国) zn. (1) [國家] staat m.; rijk o. (2) [國土] land o. (3) 行政區劃 provincie v. (4) [故鄕] geboorteplaats v. (5) [領地] gebied o. ¶ nationaal. ¶ voor het vaderland.
kokudo國土
(国土) zn. gebied o.
SUPPLEMENT (trefwoord)
daitokai大都会
zn. een metropool; een grote stad; de grote stad. ¶ ハバロフスク市が極東ロシアで大都会の一つです。 Habarofusuku-shi ga kyokutō de daitokai no hitosu desu. Chabarovsk is een van de grote steden van het Verre Oosten van Rusland; Chabarovsk is een metropool in het Russische verre oosten. (TTC) ¶ 東京ような大都会で借金なしでやっていくのは本当にむずかしい。 Tōkyō no yō na daitokai de shakkin nashi de yatte iku no wa hontō ni muzukashii. Het is erg lastig om in een metropool zoals Tokio rond te komen zonder geld te lenen. (TTC) ¶ 今日世界中の人々は、田舎の小さなから出て騒々しい大都会へ移動しつつある。 Kyō sekaijū no hitobito wa, inaka no chiisana mura kara dete sōzōshii daitokai e idōshitsutsu aru. Heden ten dage zijn mensen overal ter wereld bezig te verhuizen van plattelandsdorpjes naar lawaaierige grote steden. (TTC) ¶ メガロポリスは、多くの大都市が深い関係をもって帯状に連なっている地域のこと。Megaroporisu wa, ōku no daitokai ga fukai kankei wo motte obijō ni tsuranatte iru chiiki no koto. Een megalopolis is een gebied van talrijke grote steden die hechte relaties met elkaar hebben dat zich uitstrekt in de vorm van een band; Een megalopolis is een gebied met een aaneenschakeling van talrijke grote steden met hechte onderlinge relaties. (Wikipedia)

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gebied>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
エリアeria gebied; regio
スコープsukoopu (1) bereik; omvang; gebied; bestek; reikwijdte; draagwijdte; gezichtsveld; (2) [comp.] scope; (3) -scoop
ドメインdomein (1) domein; gebied; terrein; (2) [comp.] domein; (3) branche; tak; (4) [comp.] domeinnaam
フランス領furansuryou Franse bezittingen; gebiedsdelen; bodem; Frans grondgebied; gebied; staatsgebied; territorium; territoir
ベルトberuto (1) riem; gordel; ceintuur; lijfband; draagband; koppel; (2) drijfriem; (a) … zone; … gordel; -gebied
分野bunya terrein; domein; gebied; veld; vlak; vak; tak; branche; sector
区間kukan (1) ruimte tussen twee zones; districten; (2) [道路の] zone; [鉄道の] traject; sectie; baanvak; (3) gebied; district; territorium; (4) [wisk.] interval; (5) [sportt.] etappe; manche; [駅伝の] estafetteonderdeel; [scheepv.] slag; rak; (6) [maatwoord voor zones; etappes]
国土kokudo (1) grondgebied; gebied; territorium; territoir; domein; terrein; land; rijk; (2) grond; aarde; (3) geboortestreek; geboorteplaats; geboortegrond; heimat
ken (1) sfeer; kring; domein; gebied; terrein; veld; zone; bereik; blok; (a) kring; gebied; (b) bolletje; kringetje
土地tochi (1) grond; land; aarde; [vaderlandse enz.] bodem; (2) terrein; domein; stuk land; lap grond; [pregn.] lap; [pregn.] perceel; [lit.t.] landouw; (3) plaats; gebied; gewest; streek; regio; buurt; (4) territorium; domein; grondgebied
do (1) grond; bodem; aarde; (2) terrein; gebied; domein; land; territorium; streek; plaats; (3) tǔ [= 3e fase binnen de wǔxíng 五行]]; (4) zaterdag; [afk.] za.; (5) provincie Tosa; (6) Turkije; (a) grond; aarde; (b) land; gebied; streek; (c) tǔ; (d) Saturnus; (e) provincie Tosa
地区chiku district; zone; sector; gebied; regio; streek; [i.h.b.] wijk; buurt; strook
地域chiiki gebied; streek; regio; gewest; zone
地帯chitai zone; gordel; streek; gebied; strook
地方chihou (1) landstreek; gewest; gebied; regio; arrondissement; streek; kant; (2) platteland; provincie; regio; periferie; plaatselijk ~ [tgov. de stad; het centrum]
chi (1) aarde; bodem; land; grond; gebied; terrein; (2) plek; plaats; (3) [m.b.t. boek; bladzijde] voet
rachi (1) heining; omheining; schutting; (2) afbakening; afscheiding; grens; (3) ren; kraal; (a) heining; omheining; (b) perk; gebied; begrenzing
iki (1) gebied; domein; (2) grenzen; perken; (3) niveau; peil; (a) grens; terrein; gebied; (b) land; streek
境内keidai (1) omheind terrein; gebied; omsloten ruimte; compound; (2) [rel.] tempelgrond; tempelterrein; domein; terrein van een heiligdom
天地tenchi (1) hemel en aarde; (2) heelal; universum; (3) wereld; schepping; natuur; (4) gebied; terrein; wereld; land; (5) boven- en onderkant
山地sanchi berggebied; bergstreek; bergland; bergachtig terrein; gebied; bergachtige landstreek; gebergte
川上kawakami (1) bovenloop; bovengedeelte van een rivier; stroomopwaarts gedeelte; gebied; bovenstroomse streek; (2) Kawakami [= titel van een kyōgen-stuk]; (3) Kawakami
川下kawashimo benedenloop; benedengedeelte van een rivier; stroomafwaarts gedeelte; gebied
所 ; 処tokoro (1) plaats; plek; stee; oord; zetel [der regering enz.]; gebied; lokatie; ruimte; afstand; ligging; (2) adres; verblijfplaats; (3) [bij iem.] thuis; (4) [~の] streek-; … van het platteland; plaatselijk; plaatselijke; gewestelijk; gewestelijke; (5) deel; gedeelte; stuk; passage; (6) [弱い; 強い] punt; kant; trek; (7) positie; rol; (8) omstandigheid; geval; gelegenheid; (9) [maatwoord voor plekken; stuks e.d.]; (10) [maatwoord voor godheden; edellieden e.d.]; (11) [op het] moment [dat …]; de tijd dat …; [op het] punt [staan te …]; [op het] ogenblik [dat …]; (12) een kwestie van …; in de orde van …; (13) dat wat …; datgene wat …; (14) waaraan; waarover; (15) toen …; wanneer …
方面houmen (1) richting; streek; [ter] hoogte [van]; [in de] buurt [van]; ~ en daaromtrent; ~ en omgeving; ~ en omstreken; (2) gebied; terrein; vlak; facet; domein; kring; kant; aspect
本領honryou (1) talent; gave; begaafdheid; capaciteit; competentie; kunnen; specialiteit; (2) functie; kerntaak; branche; terrein; gebied; competentiesfeer; (3) [gesch.] erfgebied; erfgrond; erfland; kernland
産地sanchi productiegebied; productiestreek; [i.h.b.] teeltgebied; plaats van herkomst; gebied; streek waar iets vandaan komt; [fig.] kraamkamer
kai (1) omsloten ruimte; gebied; terrein; veld; domein; zone; sector; rijk; (2) vereniging; gezelschap; gemeenschap; kring; wereld; (3) grens; scheiding; (4) [boeddh.] dhātu; (5) liniëring; lijn [op papier]; (6) hulplijn; hulpstreep; (7) [biol.] Rijk; regnum; (8) [geol.] groep [lithostratigrafische eenheid]; (a) scheiding; afbakening; grens; (b) ruimte; sfeer; groep; gemeenschap
畑 ; 畠hatake (1) akker; veld; land; akkerland; [i.h.b.] plantage; (2) domein; gebied; terrein; branche; vak; (3) schoot; baarmoeder
空き地akichi onbebouwd stuk land; terrein; gebied; lege ruimte; [i.h.b.] bouwterrein; stuk bouwgrond
範囲hani bereik; omvang; bestek; sfeer; veld; kader; terrein; domein; gebied; kring; perken; grens; reikwijdte; scope; extensie; draagwijdte; [fig.] dracht; omvang; strekking; gamma
縄張りnawabari (1) het spannen van een touw; koord; afspanning; het omheinen; afzetten; omringen met touwen of koorden; (2) het leggen van een kordon; (3) terrein; domein; gebied; (4) invloedssfeer; krachtveld; machtsgebied; machtssfeer; (5) [biol.] territorium; (6) [bouwk.] aanleg van de omwalling; omgrachting
hen (1) buurt; omgeving; omtrek; wijk; gebied; gewest; omstreek; rondte; nabijheid; (2) omtrent ~ [drukt een benadering uit]; (3) [wisk.] zijde; rib [van meetkundige figuur]
部位bui [geneesk.] streek; gebied
men (1) gezicht; aangezicht; gelaat; figuur; snuit; snoet; smoel; facie; [inform.] toet; [volkst.] snufferd; [volkst.] bakkes; [vulg.] smoelwerk; [volkst.; fig.] postzegel; [Barg.] treiter; [Barg.; volkst.] ponem; [min.] tronie; [Barg.] gebbe; [Barg.] kakement; [slang] fiselefasie; [slang] fiselemie; (2) masker; mombakkes; mom; [Barg.] schiebaart; (3) masker [bij lassen; sport: kendō; honkbal enz.]; (4) pagina (van een krant); bladzijde; (5) [wisk.] oppervlakte; vlak; (6) [technol.] facet [afschuining onder een hoek van 45°]; helling; schuinte; wand; (7) kant; aspect; zijde; latus; vlak; opzicht; gebied; (8) men [klap in het gezicht: bepaalde score in het kendō]; (9) [maatwoord voor vlakke voorwerpen (bv.: spiegels; luiten; suzuri 硯 [inktstenen]; maskers; schaakborden; bundels papier; kaartspelen; tennisbanen e.d.)]
領土ryoudo territorium; territoir; grondgebied; gebied; gebiedsdeel
領地ryouchi (1) territorium; territoir; grondgebied; gebied; domein; revier; (2) leengoed; leen
領域ryouiki (1) territorium; territoir; domein; grondgebied; gebied; areaal; revier; (2) terrein; domein; gebied; branche; veld
ryou (1) [ritsuryō] districthoofd; (2) grondgebied; staatsgebied; territorium; territoir; gebied; bezitting; domein; (3) [maatwoord voor harnassen; kostuums e.d.]; (a) nek; kraag; (b) essentieel deel; (c) gebieden over; bezitten; (d) toezicht; [i.h.b.] chef; (e) ontvangen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.61 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 39 treffers (zoekopdracht: 'gebied', strategie: exact). 
2005-2021