日蘭辭典+

40 resultaten voor ‘gebrek’
日蘭辭典 (trefwoord)
hito
zn. (1) [人類] menschdom o. (2) [個] een man m.; persoon m. & v. (3) [世人] volk o. (4) [成] volwassene m. & v. (5) [他人] een ander m.; anderen m.mv. ¶ 伊藤と言ふ een zekere Ito. ¶ de ouden. ¶ 好き好き ieder zijn smaak. ¶ 惡い iemand met onaangenaam karakter. ¶ なる een man worden; volwassen zijn. ¶ と言ふだろう wat zal men er van zeggen? wat zullen de menschen er van zeggen? ¶ 中で in het publiek. ¶ がなくて困って居る wij hebben gebrek aan volk.
araあら
zn. (1) [魚等の] afval v. (2) [缺點] gebrek o.; fout v.; zwakke punt v.
zn. gemis o.; gebrek o.
kakeru缺ける
(欠ける) i.w. (1) [怠る] tekort schieten in; nalatig zijn in; in gebreke blijven; t.w. veronachtzamen; verzuimen. i.w. (2) [破損] beschadigd zijn. (3) [不足] ontbreken. ¶ が虧けて行く de maan is aan het afnemen.
nan
(1) [難儀] moeilijkheid v.; tegenslag m. (2) [禍難] ongeluk o.; ramp v. (3) [缺點] fout v.; gebrek o. (4) [非難] critiek v. ¶ 難に當たる moeilijkheid het hoofd bieden. ¶ 難に遭ふ door een ramp bezocht worden; tegenslag ondervinden. ¶ 難に堪ふ zijn kruis dragen. ¶ 難を云はば als men een aanmerking zou willen maken, dan is het...... ¶ 難の打ち所がない er valt niets op aan te merken.
jakuten弱點

(弱点) zn. zwak punt o.; zwak o.; gebrek o.

TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:The Tanaka Corpus露わに
間近から見ると、ものごとはその欠点や本来備わる醜さを露わにする傾向がある。
Van dichtbij bezien hebben dingen de neiging om hun tekortkomingen en de inherente
lelijkheid die ze bezitten en al te openbaren.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gebrek>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
申し分 moushibun (1) punt waar wat op te zeggen valt; onvolkomenheid; gebrek; tekortkoming; punt van kritiek; kritiekpunt; (2) bezwaar; aanmerking; kritiek; bedenking; opwerping; [gew.] opzage
手落ち teochi onvolkomenheid; tekortkoming; misstap; gebrek; fout; abuis; vergissing; lapsus; schuld; nalatigheid; onoplettendheid; slordigheid
恨み urami (1) wrok; rancune; (2) nijd; haat; bittere afgunst; (3) vijandigheid; hostiliteit; (4) spijt; ergernis; (5) minpunt; gebrek; tekortkoming
ketsu (1) gebrek; tekort; (2) absentie; afwezigheid; no-show; ; (1) a. missen; ontbreken; schorten; (2) b. absentie; afwezigheid; lege; opengevallen plaats
欠陥 kekkan (1) gebrek; fout; tekortkoming; onvolmaaktheid; lichamelijk gebrek; karakteriële onvolmaaktheid; karakterieel gebrek; vervelende karaktertrek; (2) tekort; schaarste; gebrek; toestand van onvoldoende beschikbaarheid van iets
欠如 ketsujo gebrek; tekort; gemis; afwezigheid; manco; ontstentenis; ontbering; behoefte
欠点 ketten (1) gebrek; tekortkoming; zwak punt; fout; (2) (op school) onvoldoend cijfer; (op school) slecht cijfer; (op school) een onvoldoende; (op school) het niet geslaagd zijn
欠乏 ketsubou tekort; gebrek; gemis; behoefte; schaarste; ontbering; deficiëntie
欠落 ketsuraku gebrek; afwezigheid; gemis; ontstentenis
襤褸; ボロ boro versleten ~; afgetakeld ~; aftands ~; verlopen ~; wrakkig ~; gammel ~; ; (1) versleten kledingstuk; lomp; vod; lor; (2) (verborgen) gebrek; manco; onvolkomenheid; mankement; defect
nan (1) moeilijkheid; probleem; (2) moeilijke omstandigheden; problemen; nood; last; (3) onheil; ramp; (4) gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; (5) kritiek; bezwaar; aanmerking
弱点 jakuten zwakke plek; plaats; zwak; teer punt; zwak; achilleshiel; zwakheid; kwetsbare plaats; zijde; gevoelige; pijnlijke; zere plek; gebrek; tekortkoming
障害 shougai (1) obstakel; belemmering; hinder; hindernis; verhindering; barrière; hinderpaal; sta-in-de-weg; beletsel; impediment; bezwaar; zwarigheid; moeilijkheid; struikelblok; tegenwerking; [fig.] klip; [sportt.] horde; (2) handicap; gebrek; stoornis; disfunctie; derangement; [attr.] invaliditeits-; [geneesk.] laesie; [Barg.] makke; (3) hindernisloop; hindernisren; steeple(chase); wedren met hindernissen; [i.h.b.] hordeloop; [i.h.b.] horderen [verkorting van shōgaibutsu kyōsō 障害物競走]
困窮 konkyuu (1) nood; gebrek; penarie; penurie; moeilijke; behoeftige; benarde omstandigheden; kommer; (2) armoede; armoe; behoeftigheid; noodlijdendheid
故障 koshou (1) belemmering; beletsel; moeilijkheid; storing; struikelblok; handicap; (2) ongeval; ongeluk; (3) gebrek; defect; tekortkoming; fout; (4) schade; beschadiging; averij; (5) bezwaar; tegenwerping; bedenking; protest; tegenkanting
tan kort; kortstondig; ; (1) gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; fout; mankement; tekort; behepsel; euvel; zwakke plek; plaats; zijde; zwak punt; manco; defect; [form.] feil; (2) [muz.] mineur; (3) tanka [verkorting van tanka 短歌]
短所 tansho gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; fout; mankement; tekort; behepsel; euvel; zwakke plek; plaats; zijde; zwak punt; zwakte; zwakheid; nadeel; ongunstige factor; min(punt); tegen; deficiëntie; imperfectie; onvolmaaktheid; manco; defect; [form.] feil
怠慢 taiman nalatig; in gebreke blijvend; gebrekig; sloffig; [veroud.] zuimachtig; ; nalatigheid; verwaarlozing; verzuim; niet-nakoming; gebrek; slofheid; sloffigheid
窮乏 kyuubou armoede; armoe; gebrek; behoeftigheid; noodlijdendheid; kommer
窮乏する kyuubousuru armoede; armoe; gebrek; nood lijden; behoeftig zijn; kommer kennen
kizu (1) barst; scheur; kras; schram; kneuzing; (2) gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; mankement; fout; imperfectie; defect; manco; feil; smet; klad; onzuiverheid; (3) smet; schandvlek; vlek; bezoedeling; blaam; (4) psychisch trauma; psychotrauma; kwetsing; krenking; [veroud.] grief
弱み yowami (1) zwakheid; kwetsbaarheid; gevoeligheid; zwak punt; zwakke plaats; plek; kwetsbare punt; (2) tekortkoming; onvolmaaktheid; gebrek; minpunt; (3) pijnlijke; zere plek
不足 fusoku (1) ontoereikend; insuffisant; onvoldoend; ongenoegzaam; inadequaat; deficiënt; (2) ontevreden; onvoldaan; misnoegd; ; (1) gebrek; ontoereikendheid; ongenoegzaamheid; inadequatie; inadequaatheid; tekort; nood; behoefte; deficiëntie; schaarste; krapte; (2) ontevredenheid; ongenoegen; onvrede; misnoegdheid; onvoldaanheid; misnoegen; mishagen; [veroud.] ongeneugte
不自由 fujiyuu (1) ongerief; ongemak; gebrekkigheid; hinder; ontrieving; belemmering [m.n. in een lichamelijk functioneren]; handicap; [gew.] gebrekkelijkheid; (2) behoefte; gebrek; armoede
不備 fubi (1) gebrek; onvolkomenheid; ontoereikendheid; tekort; gebrekkigheid; leemte; deficiëntie; defect; tekortkoming; imperfectie; onvolmaaktheid; mankement; inadequatie; inadequaatheid; lacune; [fig.] maas; (2) [aan het einde van een brief; bericht] met haastige groet
渇水 kassui (1) gebrek; tekort aan water; watergebrek; watertekort; waterschaarste; waternood; (2) droogte; gebrek aan regen
渇水する kassuisuru gebrek; een tekort aan water krijgen; water derven
病気 byouki (1) ziekte; kwaal; aandoening; affectie; ongemak; (2) euvel; gebrek; tekortkoming; zwak
hi niet-; on-; non-; in-; il-; im-; ir-; -vrij; ; (1) vergissing; dwaling; abuis; fout; schuld; [form.] feil; verkeerdheid; gebrek; onvolkomenheid; (2) nadeel; ongunstige situatie
足の裏 ashinoura (1) voetzool; zool; ondervlak van de voet; (2) gebrek; tekortkoming; zwak punt
ashi 31. circa …; ongeveer …; ; (1) [anat.] been; poot; [inform.] stelt; [烏賊; 蛸の] arm; tentakel; (2) [anat.] voet; (3) mannelijk geslachtsdeel; derde been; (4) [fig.] poot; onderstel; stut; [山の] voet; [旗の] vlucht; (5) [wisk.] voet; voetpunt; (6) onderste gedeelte van een Chinees karakter; (7) ashikanamono [= metalen ringen aan een zwaardschede ter bevestiging van rijgsnoeren]; (8) stap; tred; schrede; pas; gang; loop; tempo; (9) [paardensport] [馬の] gang; snelheid; (10) 10. [scheepv.] vaart; snelheid; (11) 11. [scheepv.] levend werk [= deel van een schip dat zich in het water bevindt]; diepgang; (12) 12. [scheepv.] stabiliteit; stijfheid; (13) 13. [客の] bezoek; aanloop; opkomst; klandizie; (14) 14. [犯人の] gangen; spoor; [i.h.b.] vluchtroute; (15) 15. aanwijzing; spoor; aanknopingspunt; (16) 16. [雨; 雲; 風の] drift; gesteldheid; (17) 17. vervoer; transport; vervoermiddel; transportmiddel; [meton.] gelegenheid; (18) 18. transportkosten; vervoerkosten; vervoerprijs; reiskosten; (19) 19. geld; geldmiddelen; middelen; (20) 20. [武士の] dotatie; apanage; toelage; (21) 21. rente; interest; intrest; (22) 22. verlies; derving; tekort; gebrek; [i.h.b.] schuld; (23) 23. [beurst.] koers; marktbeweging; trend; tendens; (24) 24. [食べ物の] houdbaarheid; (25) 25. [餅の] kleverigheid; plakkerigheid; (26) 26. [酒の] kwaliteit; karakter; (27) 27. [網目の] maaswijdte; (28) 28. [柿葺きで] overstek [= afstand waarmee de ene dakspaan over de andere uitsteekt]; (29) 29. poppenspeler die het voetenwerk van een marionet bedient; (30) 30. prostituee; liefje
ana (1) gat; opening; holte; spleet; bres; perforatie; porie; [針の] oog; (2) holte; kuil; put; uitholling; (3) hol; grot; spelonk; nis; [dierk.] leger; kuil; burcht; (4) [mijnb.] schacht; (5) [fin.] put; verlies; deficit; tekort; derving; (6) leemte; hiaat; lacune; gebrek; gemis; defect; euvel; onvolkomenheid; het ontbrekende; mankement; tekortkoming; zwak punt; zwakke plek; (7) schuilplaats; stek; stekkie; wijkplaats; (8) aanrader voor insiders; weinig bekende toplocatie; verborgen parel; (9) [paardenrennen; keirin] verrassende uitslag; (10) 10. [paardenrennen; keirin] dark horse; outsider; niet-favoriete mededinger; (11) 11. [ton.] zitplaatsen gelijkvloers; parterre; (12) 12. graf; (13) 13. [Edo-Barg.] inside-information
ara ruw; niet uitgewerkt; grof; onaf; ; (1) graat; (2) kaf; (3) onvolkomenheid; gebrek; tekortkoming; fout; defect; mankement; zwakke plek
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.8 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 33 treffers (zoekopdracht: 'gebrek', strategie: exact). 
2005-2019